JVE Nr. 13.789 Zitting 22 december 1989 Mr. Strikwerda Conclusie inzake: [eiser] tegen DOSSIER
(1959), p. 115 (nt. 2); A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. 1965, p. 233-237; J. van Schellen, Juridische causaliteit, diss. 1972, p. 281-285; Onrechtmatige daad, losbl., I nr. 313 (G.J. de Groot); concl. OM (A-G Mr. Biegman-Hartogh) voor HR 23 juni 1989, nr. 13.525, RvdW 1989,
- Zie ook H.L.A. Hart and Tony Honore, Causation in the Law, 2nd ed. 1985, p. 245-249, over "additional overtaking cause". 2.6 Aangezien art. 3 VOA bepaalt dat de verhaalsmogelijkheid ex art. 2 VOA de maximale omvang van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van degene op wie wordt verhaald niet te boven mag gaan (het zgn. civiele plafond), is het verhaalsrecht van de Staat en het ABP jegens [eiser] beperkt tot de uitkeringen die aan [de ambtenaar] zijn verstrekt over de periode tot de dag waarop deze door het hartinfarct werd getroffen, indien althans dat hartinfarct tot volledige arbeidsongeschiktheid van [de ambtenaar] zou hebben geleid. Onderdeel 1 acht ik dan ook gegrond. 2.7 Aan de subsidiaire klachten geformuleerd in de onderdelen 2 en 3 kom ik, na gegrondbevinding van onderdeel 1, niet toe. 2,8 Welke gevolgen heeft gegrondbevinding van onderdeel 1 voor de beslissing op het cassatieberoep? De rechtbank heeft het verweer van [eiser] verworpen op de grond dat, kort gezegd, op [eiser] de bewijslast rust van de stelling dat [de ambtenaar] na het hartinfarct definitief arbeidsongeschikt zou zijn geworden en dat [eiser] te kennen heeft gegeven deze bewijslast niet te aanvaarden. Indien dit oordeel van de rechtbank juist is, moet grief III alsnog falen en kan onderdeel 1 van het cassatiemiddel, hoewel gegrond, wegens gebrek aan belang geen doel treffen. Indien echter het oordeel van de rechtbank onjuist is, slaagt grief III en heeft [eiser] wel belang bij onderdeel
- 2.9 Aangezien de vraag of het oordeel van de rechtbank juist is geen (nader) feitelijk onderzoek vergt, zou ik menen dat Uw Raad die vraag zelf kan afdoen. Hiervan uitgaande, ben ik van oordeel dat grief III het oordeel van de rechtbank terecht als onjuist bestrijdt. In HR 13 december 1985, NJ 1986, 246, werd onder verwijzing naar HR 24 mei 1985, NJ 1985, 732, overwogen (r.o. 3.6): "Indien een partij op wie ingevolge art. 2 VOA verhaal gezocht wordt, een beroep doet op het bepaalde in art. 3, rust in dat kader op hem niet een andere stelplicht en bewijslast dan op hem zou hebben gerust ware hij door de getroffene of diens nagelaten betrekkingen zelf aangesproken tot schadevergoeding. Dat brengt niet mede dat het verhalend lichaam, zo laatstbedoelde stelplicht op hem rust, reeds bij inleidende dagvaarding gemotiveerd zou moeten stellen dat zijn verhaalvordering het "civiele plafond" niet te boven gaat. Een stelplicht ter zake ontstaat voor het verhalend lichaam eerst indien verweerder gemotiveerd stelt dat de vordering hoger is dan het in art. 3 bedoelde bedrag." [eiser] heeft onbestreden door de Staat en het ABP gesteld dat [de ambtenaar] in de loop van 1983 door een hartinfarct is getroffen. Voorts heeft [eiser] aangevoerd - ik volg r.o. 8 van de rechtbank - dat [de ambtenaar] toen 54 jaar oud was en dat deze in verband met het hartinfarct in totaal omstreeks zes weken in een ziekenhuis is verpleegd, waarvan zes à acht dagen op de afdeling hartbewaking, en dat [de ambtenaar] in januari 1986 nog onder controle van een cardioloog was. Daaraan heeft [eiser] de stelling verbonden dat [de ambtenaar] , het ongeval weggedacht, toch definitief arbeidsongeschikt zou zijn geworden ten tijde en als gevolg van het hartinfarct. Het komt mij voor dat [eiser] , dit alles aanvoerende, gemotiveerd heeft gesteld dat de vordering van de Staat en het ABP hoger is dan het in art. 3 VOA bedoelde bedrag, zodat het aan de Staat en het ABP is om te stellen en te bewijzen dat de verhaalsvordering het "civiele plafond" niet te boven gaat, of anders gezegd, dat [de ambtenaar] na het hartinfarct inkomensschade heeft geleden die aan het ongeval kan worden toegeschreven. 2.10 Dit betekent dat het door [eiser] als grief III tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde bezwaar gegrond is. [eiser] heeft dan ook belang bij onderdeel
- 2.11 Op grond van het vorenstaande kom ik tot de slotsom dat het bestreden arrest van het hof vernietigd dient te worden en dat de zaak verwezen dient te worden naar een ander hof om, met inachtneming van hetgeen is opgemerkt onder 2.9 en 2.10, de zaak verder te behandelen en te beslissen.
- Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,