← Nederland

ECLI:NL:PHR:1990:AB7897

JVE Nr. 13.789 Zitting 22 december 1989 Mr. Strikwerda Conclusie inzake: [eiser] tegen DOSSIER

  1. DE STAAT DER NEDERLANDEN
  2. HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS Edelhoogachtbaar College,
  3. Korte beschrijving van de zaak 1.1 Op 26 mei 1976 raakte [de ambtenaar] , toen ambtenaar in de zin van de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren (wet van 31 juli 1965, Stb. 354, hierna aan te duiden als VOA), ernstig gewond tengevolge van een verkeersongeval dat was te wijten aan de schuld van eiser tot cassatie, [eiser] . Vanaf de dag van het ongeval hebben verweerders in cassatie, de Staat en het ABP, aan [de ambtenaar] uitkeringen gedaan. In deze procedure vorderen de Staat en het ABP op grond van art. 2 VOA van [eiser] het bedrag van de door hen aan [de ambtenaar] gedane uitkeringen op. 1.2 Voor zover in cassatie van belang heeft [eiser] tot zijn verweer aangevoerd dat [de ambtenaar] in de loop van 1983 door een hartinfarct is getroffen, zodat de schadeplichtigheid van [eiser] op dat moment eindigt, aangezien [de ambtenaar] , het ongeval weggedacht, toch definitief arbeidsongeschikt zou zijn geworden ten tijde en als gevolg van het hartinfarct. 1.3 In eerste aanleg heeft de rechtbank dit verweer verworpen op de grond dat, kort gezegd, op [eiser] de bewijslast rust van de stelling dat [de ambtenaar] na het hartinfarct definitief arbeidsongeschikt zou zijn geworden en dat [eiser] te kennen heeft gegeven deze bewijslast niet te willen aanvaarden. 1.4 In hoger beroep verwerpt het hof in zijn thans in cassatie bestreden arrest de tegen dit oordeel van de rechtbank door [eiser] aangevoerde grief (grief III) en overweegt daartoe (r.o. 4): "Grief III richt zich tegen hetgeen de rechtbank onder 8 en 9 heeft overwogen. [eiser] is van mening dat ter zake van de omvang van het hartinfarkt de bewijslast bij geïntimeerden ligt, omdat het een gemotiveerd verweer betreft ten aanzien van de omvang van de schade en omdat de beoordeling van de juistheid van het verweer afhankelijk is van medische gegevens, die slechts van de zijde van geïntimeerden kan worden verschaft. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Nu eenmaal vaststaat, zoals hier, dat [de ambtenaar] ten gevolge van de aanrijding invalide is geworden en niet in staat tot werken, valt niet in te zien dat een later door het slachtoffer opgelopen ziekte tot vermindering van de schadevergoedingsplicht moet leiden, tenzij die ziekte voor het slachtoffer een ander recht op uitkering zou hebben opgeleverd hetgeen echter niet is gesteld of gebleken. De grief faalt." 1.5 In zijn uit drie onderdelen opgebouwde middel bestrijdt [eiser] , die tijdig in cassatie is gekomen, dit oordeel van het hof. De Staat en het ABP hebben verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
  4. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Onderdeel 1 verwijt het hof een onjuiste causaliteitsopvatting. Het hof zou hebben miskend dat de vraag of de schadevergoedingsplicht van [eiser] wordt verminderd door het aan [de ambtenaar] overkomen hartinfarct niet (alleen) afhankelijk is van de vraag of daardoor voor [de ambtenaar] een ander recht op uitkering zou zijn ontstaan, maar (vooral) van de vraag of de arbeidsongeschiktheid van [de ambtenaar] sinds het hartinfarct nog wel (ten volle) aan de onrechtmatige daad van [eiser] kan worden toegerekend. 2.2 Bij de beoordeling van deze klacht moet voorop gesteld worden dat het hof, anders dan de rechtbank, voor de vraag naar de gegrondheid van het verweer van [eiser] kennelijk geen betekenis toekent aan het tussen partijen omstreden punt of het hartinfarct, het ongeval weggedacht, tot volledige arbeidsongeschiktheid van [de ambtenaar] zou hebben geleid. Volgens het hof valt immers niet in te zien dat een later door het slachtoffer opgelopen ziekte tot vermindering van de schadevergoedingsplicht moet leiden. Niettemin geeft het hof te kennen het oordeel van de rechtbank te onderschrijven. Dit kan m.i. niet anders begrepen worden dan dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat het verweer van [eiser] verworpen dient te worden, doch op een andere grond, te weten de in de tweede alinea van r.o. 4 aangegeven grond. 2.3 Voorts dient in aanmerking genomen te worden dat het hof niet ingaat op de door de Staat en het ABP aan het slot van hun memorie van antwoord in hoger beroep aangevoerde stelling dat het niet onwaarschijnlijk is dat het ongeval en de nasleep daarvan mede hebben bijgedragen tot het hartinfarct. Het hof spreekt kleurloos van "een later door het slachtoffer opgelopen ziekte" en acht voor zijn in de tweede alinea van r.o. 4 weergegeven oordeel dus kennelijk niet van belang of er al dan niet een verband bestaat tussen de aanrijding en de later opgelopen ziekte. 2.4 Dit een en ander betekent dat in cassatie tot uitgangspunt moet worden genomen dat het hof van oordeel is dat, zelfs indien het hartinfarct - het ongeval weggedacht - volledige arbeidsongeschiktheid van [de ambtenaar] tot gevolg zou hebben gehad en zelfs indien er geen enkel verband bestaat tussen het ongeval en de nasleep daarvan enerzijds en het hartinfarct anderzijds, de na het hartinfarct geleden inkomensschade volledig aan de onrechtmatige daad van [eiser] toegerekend dient te worden, zodat de Staat en het ABP ook verhaal op [eiser] kunnen nemen voor de na het hartinfarct gedane uitkeringen. 2.5 Dit oordeel van het hof wordt door het middelonderdeel m.i. terecht als onjuist bestreden. Naar algemene opvatting kan, indien voortdurende schade, zoals inkomensschade, het gevolg is van gelijktijdig werkende oorzaken, waarvan de eerst optredende oorzaak een onrechtmatige daad is en de daarna optredende oorzaak voor risico van het slachtoffer komt, de pleger van de onrechtmatige daad niet aansprakelijk worden gesteld voor de schade die wordt geleden nà het optreden van de tweede oorzaak. Die schade zou vanaf dat moment immers toch zijn geleden en kan derhalve, nu in ons recht als uitgangspunt geldt dat ieder in beginsel zijn eigen schade draagt, niet aan de onrechtmatige daad worden toegerekend. Vgl. F.B. Dozy, WPNR nr. 4148

(1950); Hofmann-Drion-Wiersma
(1959), p. 115 (nt. 2); A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. 1965, p. 233-237; J. van Schellen, Juridische causaliteit, diss. 1972, p. 281-285; Onrechtmatige daad, losbl., I nr. 313 (G.J. de Groot); concl. OM (A-G Mr. Biegman-Hartogh) voor HR 23 juni 1989, nr. 13.525, RvdW 1989,
  1. Zie ook H.L.A. Hart and Tony Honore, Causation in the Law, 2nd ed. 1985, p. 245-249, over "additional overtaking cause". 2.6 Aangezien art. 3 VOA bepaalt dat de verhaalsmogelijkheid ex art. 2 VOA de maximale omvang van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van degene op wie wordt verhaald niet te boven mag gaan (het zgn. civiele plafond), is het verhaalsrecht van de Staat en het ABP jegens [eiser] beperkt tot de uitkeringen die aan [de ambtenaar] zijn verstrekt over de periode tot de dag waarop deze door het hartinfarct werd getroffen, indien althans dat hartinfarct tot volledige arbeidsongeschiktheid van [de ambtenaar] zou hebben geleid. Onderdeel 1 acht ik dan ook gegrond. 2.7 Aan de subsidiaire klachten geformuleerd in de onderdelen 2 en 3 kom ik, na gegrondbevinding van onderdeel 1, niet toe. 2,8 Welke gevolgen heeft gegrondbevinding van onderdeel 1 voor de beslissing op het cassatieberoep? De rechtbank heeft het verweer van [eiser] verworpen op de grond dat, kort gezegd, op [eiser] de bewijslast rust van de stelling dat [de ambtenaar] na het hartinfarct definitief arbeidsongeschikt zou zijn geworden en dat [eiser] te kennen heeft gegeven deze bewijslast niet te aanvaarden. Indien dit oordeel van de rechtbank juist is, moet grief III alsnog falen en kan onderdeel 1 van het cassatiemiddel, hoewel gegrond, wegens gebrek aan belang geen doel treffen. Indien echter het oordeel van de rechtbank onjuist is, slaagt grief III en heeft [eiser] wel belang bij onderdeel
  2. 2.9 Aangezien de vraag of het oordeel van de rechtbank juist is geen (nader) feitelijk onderzoek vergt, zou ik menen dat Uw Raad die vraag zelf kan afdoen. Hiervan uitgaande, ben ik van oordeel dat grief III het oordeel van de rechtbank terecht als onjuist bestrijdt. In HR 13 december 1985, NJ 1986, 246, werd onder verwijzing naar HR 24 mei 1985, NJ 1985, 732, overwogen (r.o. 3.6): "Indien een partij op wie ingevolge art. 2 VOA verhaal gezocht wordt, een beroep doet op het bepaalde in art. 3, rust in dat kader op hem niet een andere stelplicht en bewijslast dan op hem zou hebben gerust ware hij door de getroffene of diens nagelaten betrekkingen zelf aangesproken tot schadevergoeding. Dat brengt niet mede dat het verhalend lichaam, zo laatstbedoelde stelplicht op hem rust, reeds bij inleidende dagvaarding gemotiveerd zou moeten stellen dat zijn verhaalvordering het "civiele plafond" niet te boven gaat. Een stelplicht ter zake ontstaat voor het verhalend lichaam eerst indien verweerder gemotiveerd stelt dat de vordering hoger is dan het in art. 3 bedoelde bedrag." [eiser] heeft onbestreden door de Staat en het ABP gesteld dat [de ambtenaar] in de loop van 1983 door een hartinfarct is getroffen. Voorts heeft [eiser] aangevoerd - ik volg r.o. 8 van de rechtbank - dat [de ambtenaar] toen 54 jaar oud was en dat deze in verband met het hartinfarct in totaal omstreeks zes weken in een ziekenhuis is verpleegd, waarvan zes à acht dagen op de afdeling hartbewaking, en dat [de ambtenaar] in januari 1986 nog onder controle van een cardioloog was. Daaraan heeft [eiser] de stelling verbonden dat [de ambtenaar] , het ongeval weggedacht, toch definitief arbeidsongeschikt zou zijn geworden ten tijde en als gevolg van het hartinfarct. Het komt mij voor dat [eiser] , dit alles aanvoerende, gemotiveerd heeft gesteld dat de vordering van de Staat en het ABP hoger is dan het in art. 3 VOA bedoelde bedrag, zodat het aan de Staat en het ABP is om te stellen en te bewijzen dat de verhaalsvordering het "civiele plafond" niet te boven gaat, of anders gezegd, dat [de ambtenaar] na het hartinfarct inkomensschade heeft geleden die aan het ongeval kan worden toegeschreven. 2.10 Dit betekent dat het door [eiser] als grief III tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde bezwaar gegrond is. [eiser] heeft dan ook belang bij onderdeel
  3. 2.11 Op grond van het vorenstaande kom ik tot de slotsom dat het bestreden arrest van het hof vernietigd dient te worden en dat de zaak verwezen dient te worden naar een ander hof om, met inachtneming van hetgeen is opgemerkt onder 2.9 en 2.10, de zaak verder te behandelen en te beslissen.
  4. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.