DA Nr.13.792 Zitting 5 januari 1990 Mr.Asser Conclusie inzake: [eiser] tegen: [verweerder] Edelhoogachtbaar College,
(1980), p.785-788 en 801-804, losbl. Onrechtmatige Daad (Brunner) IV, nr.23-24, Asser-Rutten III, 1983, p.174-176 en Supplement, 1987, p.69; Asser-Rutten-Hartkamp III*, 1986, nr 193, en de conclusie OM (mr Mok) onder het hieronder in de tekst te noemen arrest NJ 1984,415 onder
- Zie over dit arrest o.m. de noot van Van der Grinten er onder in de NJ en van Nieuwenhuis in Ars Aequi, 1985, p.480-483; Van Maanen in Kwartaalbericht NBW 1984, 2, p.77-80; Van Schellen, Toerekening naar redelijkheid naar huidig en komend recht, Studiepockets privaatrecht nr.35, 1985, nr. 175-178; Asser-Rutten-Hartkamp III*, 1986, nr.193 e.v .; losbl. Onrechtmatige Daad (Brunner) IV, nr.
- Zie verder voor het recht in de ons omringende landen o.m. Nieuwenhuis, Van Schellen, beiden t.a.p., en vooral Overeem, Aansprakelijkheid voor dieren in binnen- en buitenland, in: Verkeersrecht, 1988, nr.12, p. 451-
- Van Zeben c.s., Parl.Geschiedenis Boek 6, 1981, p.763, onder "Ad 2": "Het dier moet de schade hebben aangericht. Niet voldoende is causaal verband tussen het dier en de schade, in dier voege dat zonder het dier de schade niet zou zijn geleden. Grondslag voor de aansprakelijkheid voor dieren is immers het gevaar dat [lees op grond van de tekst in het 'Groene Boek', p.681: ] in zoverre in ieder dier schuilt, dat de eigen energie van het dier een onberekenbaar element bevat. Alleen als dit gevaar zich verwezenlijkt behoort de bijzondere aansprakelijkheidsregel voor dieren te gelden. Dit is ook de heersende opvatting hier te lande en elders". Zie Asser/Rutten III, p.173-174 en Supplement, p.69; Asser/Rutten/Hartkamp III*, nr.195; losbl. Onrechtmatige Daad (Brunner) IV, nr.27 en 28, met verdere gegevens. Parl. Gesch. p.763, "Ad 2". Zie hierover i.h.b. ook Nieuwenhuis in zijn noot onder het arrest van 1984 in AA 1984, p.
- Rechtelijke verantwoordelijkheid en wettelijke aansprakelijkheid, diss. 1963, p.
- Zo Schut, diss. p.195-197; Asser/Rutten III, p.173-174 met bronnen en verder ook enige rechtspraak genoemd in losbl. Onrechtmatige Daad (Brunner) IV, nr.
- Asser-Hartkamp III*, nr.199, p.
- Zie het arrest van 1984 en daarover o.m. Asser-Rutten-Hartkamp III*, nr.
- Aldus ook art.6:179 NBW. VR 1988, p.455, 1.k. onder 2 en p.452, m. en r.k. p.481, 1.k., zie ook zijn opmerking op p.480, r.k .: "Het zou een onfortuinlijke consequentie zijn van het arrest van de Hoge Raad, als voortaan in ieder geschil over de aansprakelijkheid op grond van art. 1404 een debat zou losbranden over de vraag of de schade al dan niet het gevolg is van een onberekenbaar element in de energie van het dier. Het is echter zeer de vraag of dit de strekking is van het arrest". AA 1984, p.480, r.k. Vgl. Van Schellen, Toerekening naar redelijkheid, p.
- T.a.p. in de vorige noot. Zie o.m. Van Wassenaer, WPNR 5540, p.803; Overeem, VR 1988, p.453, l.k., p.455, m. en r.k .; losbl. Onrechtmatige Daad (Brunner) , IV, nr.47 onder
- Zie HR 6 februari 1987, NJ 1988,57 (m.nt.CJHB) . Op art.31 WVW is door [verweerder] in eerste aanleg een beroep gedaan, maar dat beroep is door de kantonrechter verworpen, omdat dit artikel toepassing zou missen nu het gaat om schade aan de auto. Zie art.1902 (oud) BW en thans art.177 Rv. Aldus ook losbl. Onrechtmatige Daad (Brunner) IV, nr.47a.