Nr. 7877 rekest Voorlopig getuigenverhoor Parket, 16 september 1991 Mr. Van Soest Conclusie inzake: [verzoeker] tegen [de firma] Edelhoogachtbaar College,
(114)(…) (blz. 227) (…) De enige beperking die uit art. 67 kan worden afgeleid is deze, dat verschoning slechts mogelijk is van gegevens die de belastingambtenaar in functioneel verband waren toevertrouwd. Deze eis (…) is een redelijke. De bescherming van de vertrouwenspositie wordt hierdoor uitdrukkelijk binnen het fiscale gezichtsveld getrokken, terwijl in deze eis de erkenning besloten ligt van de mogelijkheid, dat bevindingen zonder fiscaal van betekenis te zijn niettemin in zodanig verband met het fiscale onderzoek worden gedaan, dat daarvoor een recht van verschoning op zijn plaats is. Ook die bevindingen zullen echter (…) in verband met de omstandigheden een geheim karakter moeten dragen, terwijl zij bovendien het onvermijdelijke uitvloeisel moeten zijn van het voor een juiste uitvoering van de belastingwetten noodzakelijke onderzoek. (…)’’ 2.33. De Afdeling rechtspraak van de Raad van State overwoog op 22 november 1982, BNB 1985/33 (blz. 184, van regel 52 af), ‘’(…) dat artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (…) geen betrekking heeft op het bekend maken aan de contribuabele zelf, of aan degene die in diens opdracht handelt, van gegevens die uitsluitend de persoon of de zaken van de contribuabele betreffen.’’ (aldus ook Afdeling rechtspraak RvS 31 juli 1984, BNB 1985/35; 3 februari 1988, Vakstudie Nieuws 8 oktober 1988, blz. 2436, punt 47). 3. Het verschoningsrecht van vertrouwenspersonen. 3.1. HR 21 april 1913, met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Ort, NJ 1913, 958, overwoog, ‘’(blz. 960, linkerkolom, 5e al. v.o.) dat de Rechtbank (…) bevolen heeft, dat gerequireerde (…) zou worden gegijzeld, zulks op grond, dat (…) art. (66 van het toenmalige Wetboek van Strafvordering) wel omvat wat de patient den geneesheer als zoodanig als geheim toevertrouwt, maar niet, wat deze bij zijne behandeling uit zich zelf bevindt; (rechterkolom, 6e al.) dat, waar (…) art. 66 geen onderscheid maakt, moet worden aangenomen, dat de verplichting tot geheimhouding waarvan dat artikel spreekt, voor (
- de)onderscheiden categorieën berust op dezelfde gronden, zijnde voor elk harer de eigenaardige eischen van het uitgeoefend beroep; (7e al.) dat die eischen ten aanzien van het geneeskundig beroep medebrengen, dat een ieder, die zich (…) onder behandeling stelt van een geneesheer, er op kan rekenen, dat hetgeen deze bij die behandeling door mededeelingen van den zieke (…) of door eigen onderzoek omtrent zijn patient te weten komt — al hetwelk geacht moet worden den geneesheer als zoodanig te zijn toevertrouwd — geheim blijve, vermits alleen bij voldoening aan dien eisch kan worden voorkomen, dat de zieken (…) uit vrees voor zijn openbaarheid zich laten weerhouden geneeskundige hulp in te roepen en dus slechts dan het doel van het aan geneeskundigen toekomend verschooningsrecht kan worden bereikt; (laatste alinea) dat het Hof hetwelk vaststelde, dat het getuigenis van den gerequireerde alleen zou hebben geloopen over hetgeen hij als geneesheer had vernomen van of bevonden op zijne patiente, terecht heeft beslist, dat (blz. 961, linkerkolom, 1e al.) de gerequireerde in dit geval mocht weigeren te getuigen (…)’’ 3.2. HR 17 februari 1928, met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Besier, NJ 1928, 727, met noot E.M. Meijers, overwoog, ‘’(blz. 729, rechterkolom, laatste al.) dat het Hof heeft vastgesteld, dat de getuige Dr. Hustinx de wetenschap, waarvoor hij destijds (blz. 730, linkerkolom, 1e al.) Van der Hallen heeft behandeld, hieraan ontleende, dat deze zich onder zijne geneeskundige behandeling heeft gesteld; (2e al.) dat bij deze (…) vaststelling, het hof terecht heeft aangenomen, dat bedoelde wetenschap aan den getuige als geneeskundige is toevertrouwd in den zin van art. 1946 B.W., en dat hierin geen verandering kon worden gebracht doordat Van der Hallen (…) deed verklaren, dat hij den getuige ‘’van zijn ambtsgeheim ontsloeg’’; (3e al.) dat derhalve de getuige aan evenvermeld wetsartikel de bevoegdheid ontleende om zich van het afleggen van getuigenis te verschoonen toen hem de vraag gesteld werd, of hij destijds Van der Hallen voor zijn rechterduim behandeld heeft, terwijl de (…) opvatting, dat die bevoegdheid werd beperkt of opgeheven doordat Van der Hallen goedkeurde of zelfs wenschte dat de getuige daarvan geen gebruik zou maken, in de wet geen steun vindt (…)’’ 3.3. Mevrouw Hazewinkel, a.w. (zie hiervóór onder 2.29) betoogt: ‘’(blz. 177) (…) de Rechter (…) heeft te onderzoeken of dat wat de geheimhouder wil verzwijgen, inderdaad kennis of wetenschap betreft, die hem als zodanig is toevertrouwd of te zijner kennis is gekomen en die de betrokkene als geheim door hem bewaard wenst. Zou echter de rechter dit onderzoek met alle grondigheid verrichten, dan zou hij onontkoombaar raken aan of sonderen in datgene wat juist verborgen moet blijven. (…) (blz. 179) (…) zijn controle bestaat in het onderzoek van de vraag, of er in de gegeven situatie wel (blz. 180) sprake kan zijn van de plicht tot zwijgen, of naar redelijk inzicht de feiten waaromtrent de rechter voorlichting wenst, kunnen vallen onder het beroepsgeheim. (…)’’ 3.4. HR 1 maart 1985, met conclusie van mijn ambtgenote mevrouw Biegman-Hartogh, NJ 1986, 173 met noot W.L. Haardt onder nr. 176, overwoog, ‘’(blz. 625, rechterkolom) (…) 3.1. (…) dat (…) de notaris behoort tot de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd, en aan wie in verband daarmede tevens het recht toekomt zich te dien aanzien ook ten overstaan van de rechter van het afleggen van getuigenis te verschonen. De grondslag van dit verschoningsrecht moet worden gezocht in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. (…) (blz. 626, rechterkolom) (…) 3.4. (…) dat het verschoningsrecht van de notaris zich alleen uitstrekt tot datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig, dat wil zeggen als notaris, is toevertrouwd en dat alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is medegedeeld, ook als hem toevertrouwd heeft te gelden. (Het betoog) dat bij de vraag wat als aan de notaris toevertrouwd heeft te gelden (…) een algemeen onderscheid moet worden gemaakt tussen vertrouwelijke en minder vertrouwelijke gegevens en dat zijn verschoningsrecht alleen de eerste categorie zou betreffen (…) moet worden verworpen. Het miskent dat het verschoningsrecht ten doel heeft cliënten en andere belanghebbenden zekerheid te geven dat zij vrijelijk met de notaris kunnen spreken. (…) 3.5. (…) dat de aard van het verschoningsrecht meebrengt dat de opgegeven vragen niet behoeven te worden beantwoord, zolang de rechter aan redelijke twijfel onderhevig acht of die beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven. (…)' (conform de zojuist geciteerde overweging 3.5 HR 7 juni 1985, met conclusie van mevrouw Biegman, NJ 1986, 174 met noot alsvoren). 4. Het verschoningsrecht van ambtenaren. 4.1. HR 19 november 1894 op vordering van de toenmalige advocaat-generaal Van Maanen tot cassatie in het belang der wet, WvhR 6586, blz. 1, 2e arrest, overwoog (blz. 2, middenkolom), ‘’(…) dat volgens (…) art. (47 Wet VB 1892) de daarbij opgelegde geheimhouding haar grens vindt daar waar de uitoefening van het ambt de openbaring van het geheim vordert, doch dat overigens op de verplichting tot geheimhouding geen uitzondering is gemaakt (…) dat met dit alles onvereenigbaar is, dat de rechter zoo dikwijls als dit in het belang van eenige strafzaak raadzaam mocht zijn — ook al is die zaak geheel vreemd aan de wet op de vermogensbelasting — door huiszoeking en papieronderzoek op de kantoren der tot geheimhouding verplichte ambtenaren, zich de stukken zou mogen verschaffen, waarvan de wetgever de openbaarmaking niet heeft gewild; (…) dat (
- de)uitoefening (van het ambt) voor den ambtenaar de verplichtingen medebrengt, omschreven in art. 10 Strafvord. (…)’’ 4.2. Het hiervóór reeds genoemde arrest van 1949 (zie onder 2.25) overwoog, ‘’(blz. 1162, rechterkolom) (…) dat (…) de algemene plicht dat iemand al hetgeen hem bekend wordt desgevraagd mededeelt aan den rechter — opdat deze niet dan wegens zwaarderwegend belang van een bron van kennis wordt verstoken, voor personen ‘’die uit hoofde van hun wettige betrekking tot geheimhouding verplicht zijn’’ uitzondering (…) slechts lijdt met een nadrukkelijke beperking: ‘’doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd’’, zodat de aard van zijn functie alleen den ambtenaar nog niet tot verschoning gerechtigd doet zijn; dat dit toevertrouwen slechts plaats kan hebben met hetgeen op zichzelf of in ver- (blz. 1163, linkerkolom) band met omstandigheden een geheim karakter draagt (…)’’ 4.3. HR 3 mei 1956, op vordering van de toenmalige advocaat-generaal Langemeijer tot cassatie in het belang der wet, NJ 1956, 297, overwoog (blz. 680), ‘’(linkerkolom, laatste al.) dat art. 102 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 en art. 1946, tweede lid, onder 3° B.W. in onderling verband naar hun inhoud en strekking aldus moeten worden begrepen, dat de wetenschap van hetgeen iemand in zijn ambt (…), bij de uitvoering van voormelde wet (…) nopens de zaken (…) van een ander, is gebleken of is medegedeeld, geacht moet worden hem in den zin van art. 1946 voor- (rechterkolom, 1e al.) meld uit hoofde van zijn ambt (…) te zijn toevertrouwd (…)’’ Wisselink tekende aan: ‘’(…) In een vroeger arrest, HR 29 november 1949, NJ 1950, 664, beperkte de Hoge Raad de omvang van het fiscale verschoningsrecht door een beperkte uitleg van het criterium ‘’toevertrouwd’’ (…) aldus dat daaronder slechts zou vallen ‘’hetgeen (…) een geheim karakter draagt’’. Het komt me voor dat dit arrest is achterhaald door HR 3 mei 1956 (…), dat zo'n beperking niet aanlegt. (…)’’ 4.4. Rb. Amsterdam (R–C mr. Franx ) 26 januari 1972, NJ 1972, 222) overwoog (blz. 605, linkerkolom), ‘’(…) dat het verschoningsrecht (van een belastingambtenaar) zich zelfs uitstrekt tot die bevindingen van de geheimhouder, die niet van fiscaal belang zijn of kunnen zijn (Hof Leeuwarden 10 jan. 1968, vernietigend Rb. Leeuwarden 3 okt. 1966, N.J. 1967, nr. 365). (…)’’ 4.5. Hof 's-Hertogenbosch 28 september 1976, NJ 1977, 312, overwoog (blz. 1067, rechterkolom), ‘’(…) dat (…) art. 67, lid 1, (AWR) geen andere uitleg toelaat dan deze, dat de bij deze bepaling opgelegde geheimhoudingsplicht zich uitstrekt tot al hetgeen blijkt of medegedeeld wordt (…), ongeacht het al dan niet vertrouwelijk karakter van de desbetreffende gegevens; (…) dat het voorgaande tot de conclusie leidt, dat de (…) feiten het (…) beroep op verschoningsrecht volgens de toepasselijke wetsbepalingen rechtvaardigen (…)’’ 4.6. HR 22 juli 1986, met conclusie van mevrouw Biegman, NJ 1986, 823 met noot WLH, overwoog (na de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen) (onder 3.5, blz. 3159, linkerkolom): ‘’(…) De vraag of (…) de functionarissen van DNB (…) zich op een verschoningsrecht (…) kunnen beroepen (…) moet (…) met afweging van de desbetreffende belangen van vraag tot vraag worden beantwoord. (…)’’; en verwees het geding naar Hof Amsterdam. 4.7. Rb. Middelburg 16 september 1987, NJ 1988, 717, overwoog (blz. 2477): ‘’(linkerkolom) (…) 4.5. De geheimhoudingsplicht van Boersma brengt (…) niet zonder meer met zich dat hem een recht van verschoning toekomt (…) 4.6. (…) (rechterkolom) (…) Boersma (
- is)gehouden (…) tot het afleggen van een getuigenis tenzij bij het geheimhouden van de gevraagde informatie een minstens even zwaarwichtig maatschappelijk belang wordt gediend als het belang van de waarheidsvinding. 4.7. (…) Mocht aan Boersma op die grond een recht toekomen zich van het afleggen van een getuigenis te verschonen, dan is het feit dat De Roo hem van zijn geheimhoudingsplicht heeft ontslagen, van geen belang (…)’’ 4.8. HR 22 december 1989, nrs. 7578/9, met conclusie van mijn toenmalige ambtgenoot Franx, RvdW 1990, 13, overwoog, ‘’(blz. 66, rechterkolom) (…) 3.2. (…) dat om te kunnen aannemen dat in een wetsbepaling een verschoningsrecht (…) besloten ligt, ten minste vereist is dat die bepaling op betrokkenen een geheimhoudingsplicht legt (…) dat, aangezien het verschoningsrecht een uitzondering vormt op de regel dat een ieder verplicht is getuigenis in rechte af te leggen, alleen dan kan worden aangenomen dat in een wettelijke geheimhoudingsplicht een verschoningsrecht ligt besloten indien uit de bewoordingen, de strekking of de geschiedenis van de desbetreffende bepalingen onmiskenbaar duidelijk blijkt dat de voor het aannemen van een dergelijk recht vereiste afweging door de wetgever is verricht. (…) (blz. 67, linkerkolom) (…) 3.5. (…) dat voor het aannemen van een verschoningsrecht (…) het bestaan van een geheimhoudingsplicht wel voorwaarde is (…), maar dat het enkele feit dat zulk een plicht bestaat, nog niet betekent dat aan betrokkene zulk een recht toekomt. Of dit laatste het geval is, kan — behoudens indien de geheimhoudingsplicht is neergelegd in een wetsbepaling waarin tevens een verschoningsrecht ligt besloten (…) — slechts worden vastgesteld door (…) (rechterkolom) (…) afweging van de belangen waarop de verplichting tot geheimhouding is gericht, tegen de zwaarwegende belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in een (…) proces (…) 3.8. (…) (blz. 68, linkerkolom) (…) Het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, weegt zwaarder dan het (…) door het hof in aanmerking genomen (…) belang, waarbij mede van gewicht is dat aanvaarding van een verschoningsrecht ten gunste van de Staat in een zaak waarin de wederpartij de Staat uit onrechtmatige daad wil aanspreken, de aan de wederpartij toekomende rechtsbescherming aantast. (…)’’ 5. Aanvullende gegevens over het verschoningsrecht. 5.1. HR 11 november 1977, met conclusie van Franx, NJ 1978, 399 met noot W.H. Heemskerk, overwoog (blz. 1384, rechterkolom), ‘’(…) dat bij afweging van de (…) belangen bijzonder gewicht toekomt aan de overweging dat toekenning van een verschoningsrecht aan de journalist voor degenen die door een perspublikatie worden geschaad, een ernstige belemmering in de handhaving van hun rechten zou opleveren, nu door deze toekenning juist die getuigen die zij veelal bij uitstek nodig zullen hebben om de waarheid aan het licht te brengen, zouden kunnen worden uitgeschakeld; dat aldus een zodanig verschoningsrecht ertoe kan leiden dat hun de rechtsbescherming die in beginsel aan een ieder toekomt, wordt onthouden; dat de onaanvaardbaarheid van deze consequentie, verbonden aan de toekenning van een verschoningsrecht aan de journalist, zwaarder moet wegen dan de nadelen voor de nieuwsgaring die in bepaalde gevallen verbonden kunnen zijn aan het ontbreken van zo'n verschoningsrecht; dat derhalve de stelling dat de journalist een verschoningsrecht toekomt, in haar algemeenheid niet kan worden aanvaard (…)’’ 5.2. HR 7 november 1986, met conclusie van mevrouw Biegman, NJ 1986, 457 met noot WLH, overwoog (onder 3.3, blz. 1613, rechterkolom): ‘’(…) Tegen het aanvaarden van (…) een verschoningsrecht (toekomend aan gemeenteraadsleden) spreekt (…) dat de wens van informanten om anoniem te blijven (…) kan voortkomen uit minder oirbare motieven en dat het optreden van gemeenteraadsleden op grond van anoniem verstrekte en daardoor wellicht minder betrouwbare informatie voor degenen die door zulk een optreden worden geschaad een ernstige belemmering kan opleveren in de handhaving van hun rechten. Zij kunnen immers het betrokken gemeenteraadslid zelf in de regel niet voor de geleden schade aanspreken, zodat het voor hen van belang is verhaal te kunnen nemen op degene aan wie het gemeenteraadslid zijn informatie heeft ontleend, waartoe het getuigenis van het gemeenteraadslid veelal onontbeerlijk zal zijn. Aanvaarding van een verschoningsrecht, als bovenvermeld, zou deze mogelijkheid van verhaal frustreren en aldus de aan ieder toekomende rechtsbescherming aan de gelaedeerde onthouden. Dit nadeel moet zwaarder wegen dan de nadelen die het ontbreken van een verschoningsrecht in bepaalde gevallen voor de uitoefening van de functie van gemeenteraadslid kan meebrengen. (…)’’ 6. Beschouwingen. 6.1. Uit de hiervoor onder 2 geschetste geschiedenis van de geheimhoudingsplicht van belastingambtenaren blijkt, dat deze aanvankelijk ertoe strekte de rechtsgenoten te beschermen tegen mededeling van gegevens aan onbevoegden (formulering van Bosch van Oud-Amelisweerd, blz. 16; zie hiervoor onder 2.23). Tot geregistreerde akten hadden wel de daarbij betrokken partijen en haar rechtverkrijgenden toegang, maar anderen niet (zie hiervóór onder 2.1). Tot successiememories hadden de aangevers en hun rechtverkrijgenden toegang, maar anderen niet (zie hiervóór onder 2.5). 6.2. Reeds bij deze enkelvoudige doelstelling gaat het naar mijn gevoelen bij ‘’anderen’’ niet om ‘’anderen dan de belastingplichtige’’, maar om ‘’anderen dan degene van wie de gegevens afkomstig zijn’’, en, bij uitbreiding, diens rechtverkrijgenden, dus, algemener uitgedrukt, ‘’anderen dan degene die gerechtigd is tot de gegevens’’. Immers heeft degene die gerechtigd is tot geheime gegevens, er belang bij, dat deze gegevens verborgen blijven voor alle anderen — dan hemzelf —. 6.3. De hiervóór onder 2.9-13 weergegeven geschiedenis van de Wet VB 1892 toont enerzijds een toespitsing op het belang van de belastingplichtige, zij het in het bijzonder in verband met de uit de belastingplicht voortvloeiende verplichting aangifte te doen, dus o.m. geheime gegevens aan de belastingadministratie te verstrekken, en anderzijds het besef dat het algemene belang bij een juiste belastingheffing door de geheimhouding wordt gediend. 6.4. De analyse van Bakhoven, blz. 1087 v. (zie hiervóór onder 2.31), toont, dat het in het algemene belang mede nodig is de gegevens die de belastingambtenaar als zodanig bekend zijn geworden, geheim te houden voor anderen dan degenen van wie ze afkomstig zijn, dus ook voor de belastingplichtige indien niet hij het is van wie de gegevens afkomstig zijn. 6.5. De zeer ruime uitlegging van de term ‘’anderen’’ in art. 67, lid 1, AWR die Bakhoven, en in zijn voetspoor uw Raad, in 1964 daarop baseerde, is taalkundig wel het meest voor de hand liggend, maar het is daarom nog niet nodig te aanvaarden dat de geheimhoudingsplicht de belastingambtenaar verbiedt de gegevens mede te delen aan degene van wie hij ze verkregen heeft. 6.6. Taalkundig is een zo ver strekkende geheimhoudingsplicht ook niet in overeenstemming met art. 67, lid 1, AWR, aangezien belastingambtenaren gegevens niet ‘’verder bekend (…) maken’’, indien zij ze mededelen aan degene die de gegevens al kent of gekend heeft. 6.7. Met het oog op de thans te beoordelen situatie richt ik de aandacht op het belastbare feit voor de overdrachtsbelasting. 6.8. De Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) houdt in: ‘’(…) Art. 2. Onder de naam ‘’overdrachtsbelasting’’ wordt een belasting geheven ter zake van de verkrijging van (…) onroerende goederen of van zakelijke rechten daarop. (…) Art. 9.1. (1e volzin) De belasting wordt berekend over de waarde. (2e volzin) De waarde is ten minste gelijk aan die van de tegenprestatie. (…) Art. 11. 1. Bij verkrijging van een recht van erfpacht (…) wordt de waarde vermeerderd met die van de periodieke schuldplichtigheid, met dien verstande dat de som van beide waarden niet hoger wordt gesteld dan de waarde van de zaak waarop het recht betrekking heeft. (…) Art. 16. De belasting wordt geheven van de verkrijger. Art. 17. De belasting moet op aangifte worden voldaan. (…)’’ De AWR houdt in: ‘’(…) Art. 19. (…) 3. In de (…) gevallen waarin de belastingwet voldoening (…) van belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige (…) gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte (…) te betalen (…). Art. 20. 1. (1e volzin) Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan (…) gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. (…)’’ 6.9. Het is duidelijk, dat de inspecteur die een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting oplegt op grond dat hij de maatstaf van heffing hoger acht dan overeenkomt met de aangifte, zulks zal doen aan de hand van door hem verzamelde gegevens die afkomstig kunnen zijn hetzij van de verkrijger/aangever, hetzij van de overdrager (verkoper), hetzij van derden (zoals bij voorbeeld taxateurs). 6.10. In een geschil over de hoogte van de naheffingsaanslag zal hij al deze gegevens, ook voor zover ze in beginsel geheim zijn, kunnen gebruiken op grond van de in art. 67, lid 1, AWR voorziene uitzondering. 6.11. Buiten de grenzen van een eventueel belastinggeschil moet op grond van het vorenstaande aangenomen worden, dat de inspecteur de gegevens geheim moet houden tegenover alle anderen dan degene van wie ze afkomstig zijn. 6.12. Daarbij meen ik, dat werknemers van een van de betrokkenen in beginsel niet met hun werkgever vereenzelvigd mogen worden. Integendeel, indien gegevens van werknemers afkomstig zijn en in verband met de belastingheffing van hun werkgever gebruikt worden, en omgekeerd, brengt de analyse van Bakhoven mee geheimhouding over en weer voorop te stellen. (Uiteraard kan de wet het anders regelen, zoals bij voorbeeld het geval is met het oog op loonbelastinggegevens; vergelijk art. 28, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964.) 6.13. De tot zover bereikte gevolgtrekkingen laten zich eenduidig toepassen voor geval de overdracht is voltrokken tussen twee natuurlijke personen. 6.14. Is de transactie voltrokken tussen twee rechtspersonen, dan zal de vraag kunnen rijzen, welke natuurlijke personen bij de uitwisseling van gegevens de betrokken rechtspersoon vertegenwoordigen. Deze problematiek doet zich bij allerlei aangelegenheden van de rechtspersoon voor en vertoont hier geen bijzondere aspecten. 6.15. Wel zal eventuele twijfel omtrent de bevoegdheid van een natuurlijk persoon tot het vernemen van gegevens waartoe de rechtspersoon gerechtigd is, er al spoedig toe leiden te beslissen ten gunste van de geheimhoudingsplicht. 6.16. In verband daarmee acht ik het ook mogelijk, dat, waar de verkoopster een vennootschap onder firma is, in beginsel wel een geheimhoudingsplicht aangenomen moet worden jegens een firmant met betrekking tot gegevens die de inspecteur heeft verkregen van de andere firmanten. 6.17. Maar de aanvaarding van een geheimhoudingsplicht brengt nog niet zonder meer mee, dat een verschoningsrecht erkend moet worden. 6.18. Dienaangaande behoort per vraag, of zelfs onderdeel van een vraag, afgewogen te worden, welk belang het zwaarst weegt. 6.19. Indien nu in een procedure tussen de verkopende vennootschap onder firma en een of meer van haar firmanten gevraagd wordt naar contacten tussen de verkoopster en de belastingadministratie, dan meen ik, dat, tegen de achtergrond van de geschiedenis en de strekking van de geheimhoudingsplicht van de belastingadministratie, het belang van de waarheidsvinding behoort te prevaleren. 6.20. Op dit punt meen ik dan ook, dat het Hof op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. 6.21. Evenwel meen ik, dat het Hof te gemakkelijk deze beslissing heeft doorgetrokken naar het personeel van de Firma. 6.22. In het algemeen dunkt mij, dat een belastingambtenaar, met het oog op het algemene belang van een juiste belastingheffing, voor een werkgever geheim moet houden wat hij verneemt van de werknemers, en omgekeerd (een en ander voor zover de wet het niet anders regelt). 6.23. Bij afweging van dit algemene belang tegen het belang van de waarheidsvinding meen ik, dat in dit opzicht de belastingambtenaar een verschoningsrecht wel toekomt. 6.24. Derhalve bevind ik het middel gedeeltelijk gegrond en meen ik, dat uw Raad, na vernietiging van de bestreden beschikking, ten principale recht zal kunnen doen. 7. Conclusie. Het middel ten dele gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden beschikking, tot gegrondverklaring van het beroep op het verschoningsrecht voor zover het betreft contacten met de desbetreffende koopster en voor zover het betreft contacten met het personeel van de Firma, tot ongegrondverklaring van het beroep op het verschoningsrecht voor zover het betreft contacten met de Firma zelf, haar vennoten daaronder begrepen, en tot zodanige beslissing omtrent de kosten, op de voorziening in cassatie gevallen, als uw Raad juist acht. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Cursiveringen van Bosch van Oud-Amelisweerd. Weekblad voor fiscaal recht (WFR) 1964/4715, blz. 681 met noot H.E. Koning; 1966/4828, blz. 1024 met noot A.J. Pol. De eindbeslissing is HR 20 januari 1966 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Van Oosten, NJ 1966, 184. Voorts is in dezelfde constellatie Hof Amsterdam 31 oktober 1969, NJ 1970, 181, gewezen. Cursiveringen van Verburg. FED 1985/133 met noot J.B.H. Röben. Weekblad van het Recht (WvhR) 9484, blz. 3, met noot D. Simons. Cursivering van mevrouw Hazewinkel. Vgl. M.A. Wisselink, Beroepsgeheim, ambtsgeheim en verschoningsrecht, 1988, nr. 3.2.2, blz. 89. De vermelding van de naam van de rechter-commissaris heeft geen ander doel dan beklemtoning van het feit dat mr. Franx zich reeds toen diepgaand met het probleem bezighield. WFR 1972/5103, blz. 845 met noot Pol. Vergelijk Fiscale encyclopedie de Vakstudie, Algemeen deel, art. 67 AWR, aant. 10, blz. 15 (Suppl. 171 (juli 1989)).