Nr. 27.711 Derde Kamer B Meststoffenheffing 1987 Parket, 18 december 1991 Mr. Moltmaker Conclusie inzake [X] tegen De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Edelhoogachtbaar College, 1 Feiten en geschil 1.1 Op 11 januari 1988 deed belanghebbende aangifte van de door hem op grond van de Meststoffenwet (Wet van 27 november 1986, Stb. 1986, 598) verschuldigde overschotheffing betreffende het jaar 1987 ten bedrage van f 785,70, welk bedrag door hem op 14 januari 1988 werd voldaan. 1.2 Belanghebbende is van mening, dat art. 13 Meststoffenwet een te ver gaande delegatie bevat betreffende de essentialia van de heffing en dat daarom het artikel, alsmede de daarop gebaseerde lagere regelingen in strijd zijn met art. 104 van de Grondwet c.q. met een daarmee overeenkomend algemeen rechtsbeginsel en derhalve onverbindend. 1.3 Na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het hof. Het hof overweegt: ‘’3.
(1986), blz. 140, merkt op: ‘’... zou de regel voor Nederland aldus kunnen luiden dat al hetgeen de wezenlijke structuur van de desbetreffende belasting raakt in de wet in formele zin moet worden opgenomen, doch dat de regeling van in het bijzonder technische details aan Kroon of Minister kan worden gedelegeerd. Wat, als zijnde hoofdzaken, door regering en parlement tezamen moet worden vastgesteld, kan van geval tot geval in het parlementaire overleg worden bepaald. De vaststelling van het tarief van een belasting behoort in elk geval tot de hoofdzaken die in beginsel niet voor delegatie in aanmerking komen.'' 3.4 In het Nader Rapport, Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19 752, A (inzake de Wet van 30 maart 1988, Stb. 113 tot uitbreiding van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne met regels met betrekking tot de financiering van het beleid op het gebied van de milieuhygiëne), wordt gezegd: ‘’Het antwoord op de vraag of de in het voorstel van wet voorziene heffingen als belastingen moeten worden aangemerkt, is met name van belang met het oog op artikel 104 van de Grondwet. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van dat artikel blijkt dat de ruimte voor delegatie ten aanzien van belastingen beperkter is dan ten aanzien van andere heffingen. Bij een belasting dienen de essentialia van de heffing, zoals het belastbare feit, de aanduiding van de belastingplichtige, de grondslag van de heffing en het tarief, nauwkeurig in de wet zelf te zijn verwoord teneinde de rechtszekerheid van de betrokken belastingplichtigen te waarborgen.'' 3.
- In de parlementaire geschiedenis van de Meststoffenwet is de delegatie van wetgeving herhaaldelijk aan de orde geweest. Zie bijv. VV Tweede Kamer, vergaderjaar 1983-1984, 18 271, nr. 4, blz. 5/6, MvA Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18 271, nr. 5, blz. 8-11, Eindverslag, stuk nr. 7, blz. 12/13, Nota n.a.v. het Eindverslag, vergaderjaar 1985-1986, 18 271, nr. 10, blz. 21/
- Naar aanleiding van vragen uit de V.V.D.-fractie, waarom het tarief van de overschotheffing in de wet wordt vastgesteld en niet in een algemene maatregel van bestuur, wordt in de MvA Eerste Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 18 271, nr. 46, blz. 18, opgemerkt (als vervolg op de in punt 6.5.3 hierna vermelde discussie in de Tweede Kamer): ‘’Zoals bij de behandeling van het ontwerp-Meststoffenwet in de Tweede Kamer onzerzijds is opgemerkt, wordt de regelgeving van belastingen c.q. heffingen met een belastingkarakter beheerst door artikel 104 van de Grondwet. Op grond van dat artikel dienen de essentialia van een belasting nauwkeurig in de wet te zijn verwoord. Met delegatie van regelgeving op het terrein van de belastingen dient grote terughoudendheid te worden betracht. Indien, zoals in het onderhavige geval, delegatie plaatsvindt, dienen in de wet zelve in ieder geval de grenzen te worden aangegeven. Delegatie ter zake van één of meer essentialia zonder enige beperking is daarmee in strijd.'' 4 Strijd met art. 104 Grondwet, c.q. algemene rechtsbeginselen 4.1 Zoals het hof terecht heeft beslist, heeft de rechter blijkens art. 120 van de Grondwet niet de bevoegdheid om wetten in formele zin aan de Grondwet te toetsen. Dit geldt evenzeer voor de in een wet in formele zin opgenomen delegatiebepaling. De vraag, of de wetgever in formele zin bepaalde essentialia van een belasting in strijd met art. 104 Grondwet aan een lagere wetgever heeft gedelegeerd, staat dus niet ter beoordeling aan de rechter. 4.2 Volgens belanghebbende is de onderhavige regeling niet alleen in strijd met art. 104 Grondwet, maar ook aan het aan dat artikel ten grondslag liggende algemene rechtsbeginsel, dat de essentialia van de belastingheffing in de wet in formele zin worden opgenomen en niet mogen worden gedelegeerd. 4.3 Zoals door de Hoge Raad werd beslist bij het Harmonisatiearrest van 14 april 1989, NJ 1989, 469 m.nt. MS, is de rechter niet bevoegd een wet in formele zin te toetsen aan fundamentele rechtsbeginselen van de Nederlandse rechtsorde die nog geen uitdrukking hebben gevonden in enige, een ieder verbindende verdragsbepaling. Zie ook HR 21 maart 1990, BNB 1990/179 m.nt. A.L.C. Simons, overwegende, dat beginselen van behoorlijke wetgeving geen uitdrukking hebben gevonden in een ieder verbindende verdragsbepalingen, zodat het de rechter niet vrijstaat de wet in formele zin aan die beginselen te toetsen. 4.4 Uit het vorenstaande vloeit voort, dat de rechter evenmin de op de in de formele wet opgenomen delegatiebepaling steunende lagere regeling mag toetsen, mits die regeling binnen het kader van die delegatiebepaling blijft. Zie bijv. I.C. van der Vlies, Het wetsbegrip en beginselen van behoorlijke regelgeving
(1989), blz. 528-530, waar als voorbeeld wordt genoemd het fluorideringsarrest (HR 22 juni 1973, 386, m.nt. A.R. Bloembergen). Zoals Uw Raad bij herhaling heeft beslist, is een lagere regeling in strijd met de door de hogere regeling toegestane delegatie, indien de lagere regeling leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, welke de hogere regeling bij het verlenen van de gedelegeerde bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. Op grond van deze formulering lijkt mij toetsing van de inhoud van de lagere regeling aan fundamentele rechtsbeginselen mogelijk, tenzij de wet in formele zin dit met zoveel woorden verbiedt, vgl. bijv. HR 16 mei 1986, NJ 1987, 251 m.nt. MS (landbouwvliegers). Dat in het onderhavige geval zich een dergelijke situatie voordoet (bijv. dat de lagere regelingen zelf niet de essentialia voor de heffing bevatten en dus in strijd zijn met art. 104 Grondwet, vgl. het reeds genoemde arrest BNB 1985/259) is door belanghebbende niet gesteld. 6.1.4 De in het vorige punt bedoelde rechterlijke toetsing geeft een algemene waarborg tegen het gebruik van de gedelegeerde bevoegdheid in strijd met doel en strekking van de hogere regeling. Zijn dat doel en die strekking duidelijk en/of is de delegatie beperkt, dan is de toetsing dienovereenkomstig beperkt. Naarmate doel en strekking minder duidelijk zijn en/of de omvang van de delegatie groter is, wordt de ruimte voor de rechter groter om naar eigen inzicht te beslissen of de lagere regeling al dan niet tot een redelijke heffing leidt (zoals de hogere regelgever wordt geacht deze te hebben gewild). 6.1.5 Belanghebbende heeft in deze procedure de omvang van de in art. 13 Meststoffenwet opgenomen delegatie op verschillende punten ter discussie gesteld, t.w.: a. de kring van belastingplichtigen; b. het object van de heffing; c. de maatstaf van heffing; d. het tarief 6.2 De kring van belastingplichtigen 6.2.1 Art. 13 lid 2 wijst als belastingplichtigen aan ‘’degenen op wier bedrijf dierlijke meststoffen worden geproduceerd''. De kring van belastingplichtigen wordt derhalve bepaald door de wettelijke definitie van het begrip ‘’dierlijke meststoffen''. Als nu in de definitie van dat begrip in art. 1, lid 1 (vermeld in punt 2.3) wordt gesproken van ‘’uitwerpselen van door Onze Minister aangewezen soorten van vee en pluimvee, alsmede van andere door Onze Minister aangewezen diersoorten'', dan is duidelijk, dat de kring van belastingplichtigen door ‘’Onze Minister'' kan worden bepaald. Hij kan diersoorten toevoegen of schrappen. 6.2.2 De Toelichting op de Regeling aanwijzing diersoorten en hun mestproduktie (Stcrt. 19 dec. 1986 nr. 246) zegt het volgende: ‘’Bij de onderhavige regeling worden in het kader van de implementatie van de mestregelgeving op grond van de Meststoffenwet en de Wet bodembescherming (Stb. 1986, 374) de diersoorten en hun ... mestproduktie vastgesteld. Het betreft runderen, varkens, kippen en kalkoenen, derhalve die diersoorten, die verreweg het grootste deel van de totale dierlijke mestproduktie in Nederland voor hun rekening nemen en ten aanzien waarvan regelgeving, gelet op de ernst van de mestoverschottenproblematiek, in eerste instantie geboden is. De onderhavige vaststelling sluit toekomstige aanwijzing van andere diersoorten niet uit. Daarbij kan gedacht worden aan onder meer schapen, geiten, eenden, konijnen en pelsdieren. Tot een dergelijke aanwijzing wordt vooralsnog echter niet overgegaan op grond van een aantal overwegingen. Allereerst is het van belang om het geheel van de mestregelgeving zo spoedig als mogelijk in werking te laten treden en wel voor die sectoren die de grootste bijdrage leveren aan het mestprobleem. Een al te uitgebreid begin met de werkingssfeer van de regelingen zou bovendien een ongestoorde inwerkingtreding in de weg kunnen staan. Daarnaast speelt een gebrek aan noodzakelijke gegevens met betrekking tot de andere diersoorten een rol. Hiernaar wordt dan ook thans onderzoek verricht, zodat, indien de aanwijzing wenselijk is, deze ook kan geschieden.'' 6.2.3 In de Meststoffenwet zelf is geen enkele beperking te vinden met betrekking tot de bevoegdheid van de minister om via deze aanwijzing de houders van bepaalde soorten vee of andere dieren in de heffing te betrekken dan wel daarvan uit te sluiten. De wet voldoet in dit opzicht dus niet aan de eisen die art. 104 Grondwet aan een belastingwet stelt; zie punt 3 hiervóór. 6.2.4 Door de Staat is weliswaar betoogd, dat art. 13 lid 2 juncto art. 1 lid 1 het kader aangeeft van de belastingplichtigen (t.w. de algemene begrenzing, dat het gaat om degenen die op hun bedrijf dierlijke meststoffen produceren) en dat de Regeling aanwijzing diersoorten en hun mestproduktie niet meer geeft dan een uitwerking wie binnen de in de wet zelf vastgelegde kring van belastingplichtigen ook werkelijk in de heffing wordt betrokken. Dat laatste punt vormt naar mijn mening nu juist een ontoelaatbaar ruime delegatie die in strijd is met art. 104 Grondwet. Immers de vraag wie belastingplichtig is, is wel een van de meest essentiële elementen van een belastingheffing. 6.2.5 Een algemene grens is voorts nog te vinden in art. 13, lid 1, Meststoffenwet, t.w. de omvang van de daar bedoelde kosten. In het Verslag van een mondeling overleg (Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 18 272, nr. 18, blz. 6) zegt de minister, dat naar zijn mening het niet de bedoeling is om de algemene heffing te gaan gebruiken om willekeurig grote bedragen te gaan innen. De doelstellingen van de financiering zijn goed geregeld, aldus de minister. Een dergelijke algemene grens geeft een individuele belastingplichtige evenwel weinig houvast (rechtszekerheid). 6.3 Het object van de heffing Het aanknopingspunt van de heffing is blijkens art. 13 lid 1 Meststoffenwet het produceren van dierlijke meststoffen. Terecht meent belanghebbende, dat uit de definitie van het begrip ‘’dierlijke meststoffen'' in art. 1 Meststoffenwet volgt, dat de minister, dank zij het feit, dat hij bepaalt voor welke diersoorten deze wet toepassing vindt, in feite tevens bepaalt, wat onder dierlijke meststoffen moet worden verstaan. Het gestelde in punt 6.2 is hierop m.m. van overeenkomstige toepassing. 6.4 De maatstaf van heffing 6.4.1 De maatstaf van heffing wordt in art. 13 lid 3 omschreven als ‘’de belastbare hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, per tijdseenheid''. Voor wat betreft de bevoegdheid van de minister tot het bepalen van hetgeen ‘’dierlijke meststoffen'' zijn, verwijs ik naar het gestelde in de punten 6.2 en 6.
- 6.4.2 Art. 13 lid 3 bevat bovendien de bepaling, dat de minister de hoeveelheid dierlijke meststoffen per diersoort forfaitair kan vaststellen. Ook van deze bepaling kan men zich afvragen of zij zich verdraagt met art. 104 Grondwet. Door het forfait te verhogen of te verlagen kan de minister de hoogte van de heffing rechtstreeks beïnvloeden. 6.4.3 Bij de Regeling aanwijzing diersoorten en hun mestproduktie (Besluit van de minister van Landbouw en visserij van 17 december 1986, Stcrt. 19 dec. 1986, nr. 246) is de omvang van de mestproduktie per diersoort forfaitair vastgesteld (in kg P₂O₅ per dier per jaar). De Toelichting vermeldt, dat deze vaststeling is geschied op basis van het verrichte onderzoek. Bij de Wijziging Regeling aanwijzing diersoorten en hun mestproduktie (Besluit van de minister van Landbouw en Visserij van 16 april 1987, Stcrt. 28 april 1987, nr. 81) zijn voor enkele diersoorten verlaagde normen vastgesteld, indien de veehouder veevoeder met een verlaagd fosfaatgehalte gebruikt. Zie ook de wijziging van de Regeling bij Besluit van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 22 december 1989, Stcrt. 29 december 1989, nr.
- 6.4.4 Tijdens de parlementaire behandeling werd aangedrongen op de mogelijkheid de normen te verlagen bij gebruik van veevoeder met een verlaagd fosfaatgehalte. In de MvA Eerste Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 18 271, nr. 46, blz. 13 zeggen de bewindslieden: ‘’Het ligt vooralsnog niet in ons voornemen om het fosforgehalte in het veevoer op grond van regels als bedoeld in artikel 2 tweede lid, van het voorstel te verlagen. Er zijn andere instrumenten die een dergelijke verlaging zullen stimuleren, zoals de werking van de overschotheffing en de mestgebruikregels. Thans vindt er nog nader onderzoek plaats naar de mogelijkheden van verschillende fosforgehaltes en het stikstofgehalte in het voer. Verlaagde fosforgehaltes in het voer leiden (automatisch) tot een lager fosforgehalte in de mest. De fosfaatproduktie per dier zal forfaitair worden vastgesteld. Dit brengt met zich dat bij een verlaging van het fosforgehalte in het veevoer andere omrekeningsfactoren per dier kunnen worden vastgesteld hetgeen tot een rechtstreekse verlaging van de overschotheffing leidt.'' 6.4.5 Er kunnen goede redenen zijn om de vaststelling van bepaalde forfaitaire maatstaven te delegeren aan een lagere wetgever, bijv. uit een oogpunt van flexibiliteit. Dit is in de belastingwetgeving geen onbekend verschijnsel, zie bijv. art. 2 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964, art. 8 Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, art. 2 Uitvoeringsbesluit vermogensbelasting 1964, art. 5 t/m 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956, art. 2 Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer en art. 5 lid 5 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting
- 6.4.6 Bepalingen als hiervoor vermeld betreffen slechts een minder belangrijk onderdeel van de maatstaf van heffing en niet de maatstaf van heffing van de belasting als geheel, zoals i.c. Bovendien worden deze forfaits vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur en niet, zoals in het onderhavige geval, bij ministeriele regeling. Een delegatiebevoegdheid, krachtens welke de minister de hoogte van de heffing over de gehele linie zelfstandig kan bepalen, zonder bijv. een nadere goedkeuring bij wet (zie punt 6.5 hierna), is m.i. in strijd met art. 104 Grondwet. 6.5 Het tarief 6.5.1 Het in art. 13 lid 4 vastgestelde tarief kan door de minister ingevolge het vijfde lid worden verlaagd, op nihil worden gesteld of met maximaal 100% worden verhoogd. Een dergelijke maatregel moet ingevolge datzelfde vijfde lid zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee maanden als voorstel van wet ter goedkeuring aan het Parlement worden voorgelegd. De vraag is ook hier of deze delegatie niet te ruim is en zo ja, of het vereiste van goedkeuring achteraf door het Parlement daaraan in voldoende mate tegemoet komt. 6.5.2 K.L.H. van Mens, inaug. rede Utrecht 1988, blz. 14/15, noot 42, acht een dergelijke vorm van delegatie bij uitzondering toelaatbaar, mits aan stringente criteria is voldaan: - er dienen bij het tot stand komen van de formele wet overtuigende redenen van doelmatigheid te worden gegeven om de goedkeuring achteraf te billijken; - de formele wet dient het kader van de delegatiebevoegdheid aan te geven. Het kader dient zo beperkt mogelijk te zijn teneinde de legaliteit en de daaruit voortvloeiende rechtszekerheid niet onnodig in het geding te brengen; - de termijn van goedkeuring dient zo kort mogelijk te zijn; - de gevolgen van het onthouden van de goedkeuring achteraf dienen op voorhand in redelijke mate omlijnd en aanvaardbaar te zijn. 6.5.3 In de Tweede Kamer (64ste vergadering Vaste Commissie van Landbouw, Meststoffenwet, 28 april 1986, blz. 64-2 t/m 64-6) is nog uitvoerig van gedachten gewisseld met de toenmalige staatssecretaris van Financiën, de heer Koning, over art. 13 Meststoffenwet in verband met art. 104 Grondwet, zulks naar aanleiding van het amendement-Tazelaar (stuk nr. 35). Bij dat amendement werd voorgesteld het tarief bij algemene maatregel van bestuur te regelen. De staatssecretaris achtte dit in strijd met art. 104 Grondwet. Dit was naar zijn oordeel evenwel niet het geval met de regeling van het tarief in art. 13, zoals deze thans luidt, omdat enerzijds de marges zijn aangegeven waarbinnen de minister van het wettelijke tarief mag afwijken en anderzijds is voorgeschreven, dat de afwijkingen bij wet moeten worden goedgekeurd. De staatssecretaris verwees in dat verband naar de regeling van de WIR. 6.5.4 De bedoelingen van de in art. 13, lid 5, Meststoffenwet mogelijk gemaakte tariefsdifferentiatie worden uiteengezet in de Brief van de Minister van Landbouw en Visserij, Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 18 271, nr.
- Zie het hierna volgende citaat. De eerste tariefdifferentiatie kwam tot stand bij de Regeling differentiatie overschotheffing (Stcrt. 28 april 1987, nr. 81). De Toelichting vermeldde: ‘’In drie gevallen wordt een afwijkend tarief vastgesteld, namelijk voor de volgens afzetovereenkomst afgezette hoeveelheden, voor afgezette droge pluimveemest en voor mest die geëxporteerd is. Het afwijkende tarief betreft - ter stimulering van de betrokken afzet of als vorm van erkenning van een geringer probleem bij de afzet - een verlaging van 50% van de hoogste tariefschijf van de overschotheffing (f 0,50 per kg fosfaat).'' 6.5.5 Bij de Wijziging Regeling differentiatie overschotheffing (Stcrt. 14 oktober 1987, nr. 198) werd, ter uitvoering van een door de Tweede Kamer aanvaarde motie, voor de in bovenstaand citaat bedoelde gevallen het tarief verlaagd tot f 0,15 per kg fosfaat. Dit is ook het thans geldende tarief, zie de Regeling differentiatie overschotheffing II (Stcrt. 16 november 1988, nr. 223), goedgekeurd bij Wet van 6 april 1989, Stb. 1989,
- Zie hierover E.P.J. Wasch e.a., Hoofdzaken milieuheffingen (Boele/Harmsma), 1990, blz. 167 e.v. 6.5.6 Van het in punt 6.5.3 vermelde, door de staatssecretaris gebruikte argument, dat de wet de marges aangeeft, waarbinnen de minister zijn bevoegdheid mag uitoefenen, ben ik niet erg onder de indruk, gelet op de ruimte van die marges, t.w. een nul-tarief (dus neerkomend op een volledige vrijstelling) tot een verhoging van het tarief met 100%. In verband met de in art. 13 lid 5 Meststoffenwet voorgeschreven parlementaire goedkeuring op korte termijn, kan men niettemin naar het mij voorkomt met deze op zichzelf ver gaande delegatie vrede hebben, mede gelet op de aard van de problematiek die de Meststoffenwet beoogt te regelen. 6.6 Samenvatting Met name ook in verband met het feit, dat deze kwestie in de onderhavige procedure zo nadrukkelijk door belanghebbende aan de orde is gesteld en ook van de zijde van de minister op de problematiek uitvoerig is ingegaan, lijkt er mij alle aanleiding tot een obiter dictum, in die zin, dat de onderhavige wettelijke regeling niet aan de in art. 104 Grondwet gestelde eisen voldoet voor wat betreft de kring van belastingplichtigen (punt 6.2), het object van de heffing (punt 6.3) en de maatstaf van heffing (punt 6.4). 7 Conclusie De cassatiemiddelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,