nr. 14344 zitting 14 juni 1991 Mr. Hartkamp Conclusie inzake [eiser] tegen 1) De v.o.f. [verweerster 1] 2) [verweerder 2] 3) [verweerder 3] Edelhoogachtbaar College, De inzet van het geding 1) Partijen, hierna te noemen [eiser] en [verweerders], zijn eigenaren van aangrenzende erven. Ten behoeve van het erf van [eiser] (omvattende onder meer een loods en een schuur) en ten laste van dat van [verweerders] bestaat een erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan naar de [a-straat]. [verweerders] heeft een klein gedeelte van zijn erf, gelegen vóór maar niet grenzend aan de loods/schuur van [eiser], als parkeerterrein in gebruik genomen en afgesloten met een hek. Dit gedeelte, hierna te noemen het parkeerterrein, is in 1967 door de rechtsvoorgangster van [eiser] overgedragen aan de rechtsvoorgangster van [verweerders]. Tot 1983 heeft [eiser] (alsmede vóór hem zijn rechtsvoorgangster) ook van dit stukje grond gebruik mogen maken om zijn erfdienstbaarheid uit te oefenen. [eiser] vordert in deze procedure voortzetting van dit gebruik (en dus ook verwijdering van het hek), stellende dat hij dat nodig heeft om bij zijn loods en schuur te kunnen laden en lossen. Hij voerde als gronden aan inbreuk op zijn erfdienstbaarheid, de art. 747 en 748 BW en misbruik van eigendomsrecht. 2) Rechtbank en hof hebben de vordering afgewezen. Het hof heeft (in cassatie onbestreden) vastgesteld dat in 1967 geen erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van het parkeerterrein en dat het enkele feit dat het parkeerterrein werd verkregen door de eigenaar van het dienend erf en tezamen met het dienend erf later één kadastraal nummer kreeg, voor het aannemen van zo'n erfdienstbaarheid niet voldoende is. Tegen de verwerping van de overige gronden komt [eiser] met een uit zeven onderdelen bestaand cassatiemiddel (tijdig) in cassatie op. Bespreking van het cassatiemiddel 3) De onderdelen 1-3 betogen dat het hof heeft miskend dat in geval een gedeelte van het heersend erf wordt verkregen door de eigenaar van het dienend erf, de beide eigenaars tot elkaar komen te staan in een rechtsbetrekking die beheerst wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid, welke eisen kunnen meebrengen dat de eigenaar van het lijdend erf gehouden is het door hem verkregen gedeelte van het heersend erf mede te doen strekken tot een goede uitoefening van de bestaande erfdienstbaarheid; dat hieraan niet afdoet dat ten laste van dat verkregen gedeelte geen erfdienstbaarheid is gevestigd; dat zulks ook zo is indien de eigenaar van het heersend erf nog een (beperkte) mogelijkheid heeft tot uitoefening van zijn erfdienstbaarheid; en dat zulks in elk geval zo is in de omstandigheden van het onderhavige geval, waarin er een verkregen recht bestond waarvan de uitoefening wordt belemmerd. Blijkens de toelichting op het middel refereert het aan HR 4 november 1988, NJ 1989, 260 m.o. W.M.K. ([…]/[…]) en richten de onderdelen zich tegen 's hofs r.o. 2.2-2.4. Naar mijn mening worden de onderdelen tevergeefs voorgesteld. In de voormelde rechtsoverwegingen heeft het hof beslist op de eerste grief, waarin [eiser] opkwam tegen de beslissing van de rechtbank dat op [verweerders] geen verplichting rust uit hoofde van erfdienstbaarheid te dulden dat [eiser] over het parkeerterrein de [a-straat] kan bereiken. Het hof heeft in die grief of in de toelichting daarop kennelijk en begrijpelijk geen klacht gelezen van de door de onderdelen voorgestane strekking, die neerkomt op de stelling dat [verweerders], ook indien op hem terzake van dat parkeerterrein geen verplichting krachtens erfdienstbaarheid rustte om het door [eiser] bepleite gebruik van het parkeerterrein te dulden, hij dit toch moest dulden op grond van het tussen hen geldende ongeschreven recht, waarnaar de eisen van redelijkheid en billijkheid verwijzen. De onderdelen missen voorts feitelijke grondslag, waar zij ervan uitgaan dat de omheining van het parkeerterrein [eiser] beperkte in de uitoefening van zijn erfdienstbaarheid. Deze wordt in r.o. 2.3 immers omschreven als "een erfdienstbaarheid gevestigd om de [a-straat] te bereiken", terwijl het hof in r.o. 2.6 overweegt dat [eiser] loods en de schuur "ook zonder gebruikmaking van het parkeerterrein met benutting van de erfdienstbaarheid van 1939 op het resterende gedeelte van perceel [001] bereikbaar zijn" en dat "de omstandigheid dat [eiser] zonder gebruikmaking van het parkeerterrein niet op de door hem voorgestane wijze kan laden of lossen. .. daaraan niet af(doet)". Het hof heeft, op basis van zijn beoordeling van de omstandigheden van het geval, kennelijk geoordeeld dat van een beperking van [eiser] erfdienstbaarheid geen sprake was. Deze beslissing is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt; zij is niet onbegrijpelijk; voor verdere toetsing in cassatie leent zij zich niet. Hier ligt uiteraard een essentieel verschil met de casus die tot het arrest van 1988 leidde. Aldus kan in het midden blijven of de maatstaf van dat arrest ook in ons geval geldt en waartoe zulks zou moeten leiden. Zie over de goede trouw tussen buren recent de genuanceerde beschouwing van Van Acht, Burenrecht
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.