← Nederland

ECLI:NL:PHR:1992:53

Nr. 2731 Besch. Parket, 8 Jan. 1992 Mr. Meijers Conclusie inzake: [klager] en [A] B.V. Wegens forse overschrijdingen van de maximaal toegestane snelheid op weggedeelten waar telkens een limiet van 50 km/u gold is tegen de bestuurder van een personenauto, [klager], proces-verbaal opgemaakt. De door hem bestuurde auto, Volkswagen Golf GTI, [kenteken], is in beslag genomen. De kantonrechter te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 27 juni 1991 verzoeker tot een aantal geldboeten en een gedeeltelijk onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid veroordeeld en de teruggave van de in beslag genomen auto gelast. De verkeersschout te 's-Gravenhage is in hoger beroep gekomen. Omdat tengevolge van het ingestelde hoger beroep het beslag voortduurde, hebben [klager] en [A] B.V., aan welke onderneming de auto toebehoorde, de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht het beslag op te heffen en de auto aan [klager] of aan [A] B.V. terug te geven. Blijkens het proces- verbaal van het onderzoek in raadkamer van de rechtbank van 22 juli 1991 heeft de officier van justitie aldaar geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [klager] en [A] B.V. en, wat het klaagschrift van [A] B.V. betreft: subsidiair, tot ongegrondverklaring van de klaagschriften. Bij beschikking van 30 juli 1991 heeft de rechtbank klagers ontvankelijk verklaard in hun beklag, het beklag gegrond verklaard en de teruggave van de inbeslaggenomen personenauto gelast. De officier van justitie heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en bij de processtukken een schriftuur, houdende twee middelen, gevoegd (artt. 552 d lid 2 en 447 lid 1 Sv). Mr. A.J.N. van Stigt, advocaat te Rotterdam, heeft een verweerschrift ingediend dat de datum 21 oktober 1991 draagt en op die dag bij de Hoge Raad is ingekomen. In het eerste middel vecht de officier van justitie de beslissing van de rechtbank tot ontvankelijkverklaring van de klagers aan. Met een beroep op HR NJ 1985, 17 met noot ThWVV en HR DD 89.243 stelt de officier van justitie dat nu in de hoofdzaak (tegen [klager]) nog niet onherroepelijk is beslist, de rechtbank niet, daarop vooruitlopend, een beslissing omtrent de inbeslagneming mocht nemen. Dat het middel, voor zover het de beslissing met betrekking tot [A] B.V. bestrijdt, niet slaagt is evident. [A] B.V. was geen partij in de strafzaak tegen [klager]. Zij is belanghebbende in de zin van art. 552a Sv (vgl. Melai, aant. 3 bij art. 552a). In die hoedanigheid kan zij een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv indienen. Ook voor zover het middel zich richt tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid van [klager], gaat het naar mijn mening niet op. In de beide gevallen waarop de officier van justitie doelt ging het om - nog niet onherroepelijk geworden beslissingen waarbij onder meer de bijkomende straf van verbeurdverklaring was uitgesproken. In zo'n geval kan, aldus de Hoge Raad, daartegen door middel van een gewoon rechtsmiddel bezwaar worden gemaakt. De beklagmogelijkheden zijn niet voor zo een situatie gegeven. Hier is geen verbeurdverklaring uitgesproken, maar teruggave gelast (art. 353 jo art. 398 Sv). Daartegen is - naar ik begrijp: alleen- de verkeersschout in beroep gekomen. Tengevolge daarvan is de last tot teruggave niet onherroepelijk geworden. De last tot teruggave, die bij einduitspraak wordt gegeven, komt in wezen neer op de opheffing van het dwangmiddel inbeslagneming. Anders dan het bevel tot opheffing van de voorlopige hechtenis (art. 73 Sv), is de last tot teruggave, bij einduitspraak gegeven, niet dadelijk uitvoerbaar (art. 557 Sv; Melai, aant. 21 op art. 552a). De weg van art. 552a Sv is dan ook voor [klager] de enige strafprocesrechtelijke weg om te bereiken dat de last tot teruggave wordt tenuitvoergelegd. (Over de weg van art.

  1. BW naast de beklagprocedure: Melai aant. 6 op art. 552a Sv). Aan [klager] mag naar mijn mening niet worden belet op de in art. 552a Sv voorziene weg in beklag te gaan. De rechtbank heeft naar mijn mening terecht overwogen dat er voor [klager] niet een uit het wettelijk systeem voortvloeiende belemmering bestaat om zich op grond van art. 552a Sv bij de rechtbank te beklagen. Het standpunt van mevr. Vellinga-Schootstra: "Wanneer de rechter zich al heeft uitgesproken over het lot van de voorwerpen kan de weg van art. 552a Sv uiteraard niet meer worden bewandeld" (Inbeslagneming en huiszoeking, p. 239) lijkt me te absoluut. Hierbij kan nog worden bedacht dat ook na een geslaagd beklag (dus: na opheffing van de inbeslagneming) verbeurdverklaring niet is uitgesloten (art. 34 Sv). Het middel houd ik voor ongegrond. Het tweede middel behelst in de eerste plaats de klacht dat de rechtbank ten onrechte, dan wel op onvoldoende grond, heeft vastgesteld dat [A] B.V. "niet wist en ook niet redelijkerwijze kon vermoeden dat [klager] met de aan hem ter beschikking gestelde auto forse snelheidsovertredingen zou begaan". Op de gronden, aangegeven in mijn conclusie in de rekestzaak 2707, houd ik deze klacht, voorzover zij schending van het recht aanvoert, voor ongegrond. Een kopie van die conclusie voeg ik bij. De rechtbank heeft, in mijn opvatting terecht, overwogen dat [A] zich eerst dan rekenschap moet geven van de gevolgen van het ter beschikking (blijven) stellen van een auto, indien uit feiten en omstandigheden blijkt dat ermee rekening moet worden gehouden dat degene aan wie een auto ter beschikking wordt of is gesteld zich niet aan de verkeersregels zal houden. Voorzover over onvoldoende motivering wordt geklaagd, faalt de klacht eveneens. Het, feitelijk, oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat aan [A] B.V. feiten of omstandigheden bekend waren die erop zouden wijzen dat [klager] zich niet aan de verkeersregels zou houden is niet onbegrijpelijk. Het middel klaagt nog dat de rechtbank in haar oordeel niet heeft betrokken het standpunt van de officier van justitie dat op [A] B.V. de plicht rustte te informeren naar vroeger verkeersgedrag van [klager]. De rechtbank behoefde niet expressis verbis op enig door de officier van justitie ingenomen standpunt in te gaan. Het gaat bovendien mijns inziens uit een oogpunt van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de burger die een auto wil huren te ver de eis te stellen dat een lease-maatschappij eigener beweging naar de verkeersantecedenten van een aspirant-lessee informeert. Vgl. Mr. P. Wiewel in Krant op zondag, 5 mei
  2. Wel mag m.i. van een lease-bedrijf worden verwacht dat het gebleken problemen met een klant bijhoudt. In deze zin: Stafbureau O.M., geciteerd in AD 3 mei 1991, en G. Hofstee in Het Binnenhof 21 mei
  3. Beide middelen komen mij ongegrond voor. Het beroep van de officier van justitie ware te verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.