Rolnummer 15.309 Zitting 3 december 1993 Mr. Vranken Conclusie inzake [eiser] tegen Uitgeverij Spaarnestad B.V. Edelhoogachtbaar College, Inzet van het geschil in cassatie
(1985), met name p. 410/412 en 425/434; Biesheuvel, Burgerlijk recht en grondrechten, preadvies Vereniging Burgerlijk Recht, 1986, p. 49/59; Burkens, 1989, p. 184/192 en Akkermans/Koekkoek, 1992, p. 25 (nt. 76) wijzen eveneens op dit verschijnsel. Overigens blijkt daaruit ook dat soms een mogelijke botsing wordt vermeden doordat bij wege van interpretatie bepaalde gevallen buiten de werkingssfeer van het grondrecht worden gehouden. Een recent voorbeeld vormt HR 12 februari 1993, NJ 1993, 599 inzake art. 84d (oud) ABW.
- De erkenning van de horizontale werking van grondrechten heeft een toename van het aantal grondrechtscollisies veroorzaakt (Koekkoek, 1985, p. 8; Burkens, 1989, p. 140/1; Akkermans/Koekkoek, 1992, p. 20/1). Toch heeft dit niet .geleid tot een scherper "collisie"recht. Steeds opnieuw wordt in de literatuur de casuïstische, weinig dogmatische benaderingswijze van de rechter met behulp van een afweging van belangen vermeld. Vergeleken met vóór 1983 is in dit opzicht de jurisprudentie niet gewijzigd, aldus o.m. Kortmann, Grondrechten in de Grondwet: vijf jaren toepassing in wetgeving en rechtspraak, in: Begrensde vrijheid (D. Scheltens-bundel), 1989, p. 235/
- Hij lijkt er niet erg onder gebukt te gaan. Zie ook zijn Constitutioneel recht, 1990, p. 345/348 (346/7). Voor andere auteurs geldt hetzelfde. Ik illustreer dit met enkele citaten: Akkermans/Koekkoek, 1992, p. 25 (slot paragraaf over de horizontale werking): "In een dergelijk geval (botsende grondrechten in horizontale verhoudingen-JBMV) zal het vaak niet mogelijk zijn om alle in het geding zijnde grondrechten in volle omvang te respecteren. De vraag is dan hoe de rechter de verschillende grondrechten tegen elkaar zal afwegen. Over de wijze waarop deze afweging zal plaatsvinden zijn geen algemene regels te geven. Het meest voor de hand liggend is dat de rechter zijn oordeel zal laten afhangen van de relevante omstandigheden van het concrete geval. Deze benadering lijkt op dit moment het meest geschikt om dit probleem tegemoet te treden, omdat een algemene theorie op dit punt ontbreekt. " Burkens, 1989, p. 192 (conclusie van het hoofdstuk over horizontale werking van grondrechten): "De jurisprudentie gaat zoekend en tastend haar weg. De voornaamste conclusie die vooralsnog uit de jurisprudentie kan worden getrokken is wellicht deze, dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken. Duidelijke lijnen laten zich nog niet onderkennen. Aarzeling valt te bespeuren; in sommige uitspraken is de aarzeling echter kennelijk overwonnen. Vermoedelijk valt het wel toe te juichen, dat zich op het onderhavige terrein ius in causa positum ontwikkelt; dat stemt ook overeen met hetgeen de grondwetgever voor ogen stond. " Verheij, 1992, p. 188 (slot van deel A over de horizontale werking in het algemeen): "Het is niet gemakkelijk om uit de jurisprudentie algemene conclusies te trekken. De rechter is sterk geneigd zijn oordeel te laten afhangen van de feitelijke omstandigheden van het concrete geval. Deze benadering past goed binnen de ontwikkeling van het privaatrecht in algemene zin. In het privaatrecht zijn de op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde open normen gaandeweg een centrale positie gaan innemen. Wat redelijk en billijk is wordt per concreet geval door de rechter bepaald. " Tenslotte Biesheuvel, preadvies 1986, p. 58/9 (conclusie), die zegt geen behoefte te hebben aan nadere theorievorming over grondrechtscollisies en daarvoor de navolgende reden geeft: "De afwegingsproblematiek die met horizontale werking gepaard gaat, blijkt namelijk, althans vanuit het perspectief van de rechter gezien, niet veel meer dan een door de geleerden buiten proporties opgeblazen schijnprobleem. De vraag naar een rangorde onder de grondrechten is in ieder geval voor de rechter een academische kwestie, wanneer daaronder ten minste een abstrakte rangorde wordt verstaan die los van plaats, tijd en omstandigheden gelding zou hebben. De rechter beschikt evenmin over een spoorboekje waarin de rij- en vertrektijden van grondrechten op voorhand en overzichtelijk zijn geregistreerd. Zal hij de onderlinge verhouding tussen botsende rechten dus altijd van geval tot geval moeten vaststellen ......"
- Het voorgaande, dit wil zeggen zowel de wijze waarop grondrechten in horizontale verhoudingen doorwerken als de toename van het aantal botsingen van grondrechten door de erkenning van deze horizontale werking, alsook de "Güterabwägung" als enige reële mogelijkheid om deze botsingen tot een oplossing te brengen, vindt voorzover ik bij een klein uitstapje heb kunnen vaststellen bevestiging in het Duitse recht. Ik verwijs naar H. Schneider, Die Güterabwägung des Bundesverfassungsgerichts bei Grundrechtskonflikten, 1979, o.m. p. 113/124, die 366 uitspraken van het B.Verf.Ger. hierop heeft geanalyseerd; de bijdrage van Borchardt aan Grabitz (red), Grundrechte in Europa und USA, Bd. I, 1986, p. 160/1 en 172/3 en ook Löffler, Presserecht, 1983, p. 166, 320/2 en 338/
- Voor uiteenzettingen in meer algemene zin over de opkomst en verspreiding van het verschijnsel afwegingsjurisdictie in Nederland verwijs ik naar de recente dissertaties van R. de Lange, Publiekrechtelijke rechtsvinding, 1991, o.m. p. 32/37 en 76/80, en naar die van J.M. Barendrecht, Recht als model van rechtvaardigheid, 1992, passim. De laatste is zeer kritisch over het verschijnsel. Daarover op zijn beurt kritisch W. Snijders in een bespreking van het proefschrift, NJB 1993, p. 1149/1151, sub nr.
- Ik keer terug naar het onderhavige geval. Vergeleken met het geschetste gebruikelijke patroon bij botsende grondrechten in horizontale verhoudingen, leidt de uitleg van art. 21 Aw die E. in deze cassatie verdedigt tot een diametraal tegenovergestelde benaderingswijze. Daarvoor moeten, dunkt mij, sterke argumenten aanwezig zijn, zeker nu art. 21 Aw al van 1912 dateert, de internationale verankering van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet eerder dan in het EVRM van 1950 gestalte heeft gekregen, maar het desondanks tot begin jaren tachtig heeft geduurd voordat het recht daadwerkelijk (in de rechtspraak) betekenis is gaan krijgen, en het pas in 1983 in de Nederlandse Grondwet is opgenomen.
- Die sterke argumenten zijn er niet. De wetsgeschiedenis is uiterst beknopt. Art. 21 Aw is bij amendement Drucker zonder discussie in de wet opgenomen. De toelichting bestond uit twee zinnen: "Ook bij portretten, die niet in opdracht van den geportretteerde zijn vervaardigd, kan openbaarmaking, ook door den maker, in hooge mate onbehoorlijk zijn. Een algemeene regel is in dezen niet te stellen; alles hangt af van de bijzondere omstandigheden van het elk geval" (geciteerd uit conclusie À-G Remmelink voor HR 21 oktober 1969, NJ 1971, 124, p. 343 r.k., en uit conclusie A-G Franx voor HR 19 januari 1979, NJ 1979, 383, p. 1221 r.k., waarin ook de vindplaats in de wetsgeschiedenis)
- Men is het er in het algemeen over eens dat de wetgever 1912 naar alle waarschijnlijkheid bij het "redelijk belang" van art. 21 Aw uitsluitend gedacht heeft aan niet-financiële belangen van behoorlijkheidsbescherming (zedelijkheid, intimiteit, smaad, laster, eer en goede naam c.q. diskwalificerende contekst), maar in HR 19 januari 1979, NJ 1979, 383 ('t Schaep) zijn met een beroep op de ontwikkelingen in de maatschappelijke opvattingen dienaangaande ook commmercieel-financiële belangen beschermenswaardig bevonden. Zie het arrest en de conclusie van A-G Franx bij onderdeel 3 van het cassatiemiddel. Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer als een van de rechtsgronden van art. 21 Aw is de laatste tijd steeds nadrukkelijker in beeld gekomen. Zie o.m. voor lagere rechtspraak Spoor-Verkade, 1993, p. 279/
- Uiteindelijk is zij met zoveel woorden door de Hoge Raad erkend in het Naturiste-arrest. Ik zal niet beweren dat "privacy" niet veel van de genoemde niet-financiële belangen, die de wetgever in 1912 vermoedelijk ook al voor ogen stonden, overlapt, maar het nieuwe zie ik toch vooral hierin dat door deze erkenning de zwaarte van het privacy-belang in voorkomend geval zal kunnen profiteren van de grondrechtelijke status die nationaal en internationaal aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is toegekend.
- Uit het voorgaande volgt dan ook dat in de huidige tijd het privacy-belang hoog genoteerd staat. Ik geloof dat daarover weinig twijfel is en meen - verdedig dat in ieder geval - dat bij de interpretatie van de term "redelijk belang" van art. 21 Aw dit gegeven dient te worden meegewogen. Maar: is de speciale regel van art. 21 Aw wel zo speciaal, met name in vergelijking met de op de voet van art. 6:162 BW te beoordelen andersoortige (vooral geschreven) perspublicaties, die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van mensen? Over deze laatste categorie zijn literatuur en jurisprudentie vrij duidelijk. Richtinggevend is het arrest van HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801 (gemeenteraadslid), kort daarna herhaald in twee uitspraken van HR 27 januari 1984, NJ 1984, 802 (Telegraaf) en NJ 1984, 803 (Vara). Zie ook HR 8 maart 1985, NJ 1986, 437 (Herrenberg) en voor meer gegevens Onrechtmatige daad IX (Michiels van Kessenich-Hoogendam), nr. 51, 52 sub 6 en 62 e. v.
- Voorzover hier relevant heeft de Hoge Raad in deze rechtspraak de beide in het geding zijnde grondrechten aangemerkt als hoogwaardige, maatschappelijke belangen en geoordeeld dat het antwoord op de vraag welke van deze twee in een concreet geval de doorslag behoort te geven afhangt van de vaststelling en waardering van de omstandigheden van het geval. Met andere woorden: precies de benaderingswijze die ik hiervoor (nr. 19 en 20) als de algemeen gangbare bij de botsing van grondrechten in horizontale verhoudingen heb aangemerkt. Waarom, zo vraag ik mij af, zou dit bij foto's anders moeten zijn? Uiteraard kunnen foto's indringender zijn. Een beschrijving van iemands intimiteit bijvoorbeeld zal in het algemeen minder zeggenskracht hebben dan een foto. Maar het omgekeerde komt ook voor. Onthullingsjournalistiek bijvoorbeeld kan niet alleen met fotoreportage's worden bedreven. Daar hoort een verhaal bij.
- Voor de in deze cassatie te beslissen kwestie acht ik geen wezenlijk verschil aanwezig tussen de publicatie van foto's en de publicatie van andersoortig materiaal. Zeker is het verschil niet zodanig dat op die grond moet worden gezegd dat bij publicaties van foto's de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zonder meer voorrang zou moeten hebben boven de vrijheid van meningsuiting van een persorgaan. Een dergelijke voorrangspositie is in het Duitse recht uitdrukkelijk afgewezen. Ik citeer Löffler, 1983, p. 166 (met weglating van verwijzingen en onder aantekening dat de bescherming van het privé-leven in Duitsland uit de Persönlichkeitssschutz wordt afgeleid en als Teilpersönlichkeitsrecht door het leven gaat: Löffler, t.a.p., p. 340/1 met verdere gegevens): "Im Medienbereich ergibt sich eine spezifische Grundrechte-Kollision zwischen den gleichrangigen Verfassungsgütern der Kommunikationsfreiheit (art. 5 GG) und des durch Art. 2 in Verbindung mit Art. 1 GG gewährleisteten Persönlichkeitsschutzes ... Nur eine die besonderen Umstände des Einzelfalls berücksichtigende Abwägung zwischen den kollidierenden Grundrechten kann hier zu einer angemessenen Lösung führen ... Die Meinung, das Persönlichkeitsrecht habe grundsätzlich Vorrang vor dem Grundrecht auf Kommunikationsfreiheit, ist verfehlt und wird vom Bundesverfassungsgericht mit Recht abgelehnt."
- Ook het Recht am eigenen Bilde wordt als een Teil- persönlichkeitsrecht beschouwd (Löffler, 1983, p. 341 jo p. 322/326) . Daarin verschilt het van de bevoegdheid van art. 21 Aw. Hierbij komt nog dat het Recht am eigenen Bilde afzonderlijk wettelijk geregeld is in het Gesetz betreffend das Urheberrecht an Werken der bildenden Kunste und der Photographie van 1907, kortweg Kunsturhebergezetz (KUG). In deze wet zijn de in aanmerking komende belangen door de wetgever al afgewogen. Art. 22 KUG eist in het algemeen toestemming voor publicatie van een foto. Daarop maakt art. 23 lid 1 KUG enkele uitzonderingen, welke uitzonderingen evenwel ingevolge lid 2 niet gelden indien een "berechtigtes Interesse" van de geportretteerde of zijn nazaten zich tegen publicatie verzet. Zie over deze materie o.m. J. Helle, Besondere Persönlichkeitsrechte im Privatrecht,
- Het "berechtigtes Interesse" behandelt hij op p. 171/
- De casuïstiek neemt de meeste plaats in (vanaf p. 176). Ik citeer slechts p. 179, waaruit blijkt dat de hierboven onder 10 geschetste tegenstelling bij de uitleg van het begrip "redelijk belang" ook bestaat ten aanzien van art. 23 lid 2 KUG: "Allein Eberhard Schmidt vertritt die Ansicht, bei Par. 23 Abs. 2 KUG sei, dem Wortlaut entsprechend, nur das der Bildnispublikation entgegenstehende Interesse des Betroffenen zu prüfen, eine Abwägung dieses Interesse mit den Belangen der Allgemeinheit dürfe nicht stattfinden. Demgegenüber ist es ganz h.M., dasz Par. 23 Abs. 2 KUG einen solche Abwägung erfordere. "
- Ik kom tot een afronding. Kort en goed komt mijn standpunt er op neer dat art. 21 Aw niets meer, maar zeker ook niets minder is dan een bijzondere regel voor de te betrachten zorgvuldigheid bij het publiceren van foto's. Aubel, Persoon en pers, 1968, nr. 28 en nr. 175 e.v. heeft dit al eerder zo gezegd. Inhoudelijk wijkt de regel in niets af van wat naar algemeen recht voor perspublicaties geldt, met name niet wat betreft het principe van de belangenafweging. Alleen zal het zo zijn dat het medium foto kan leiden tot een daarop toegespitste catalogus van omstandigheden die bij de belangenafweging in aanmerking moeten worden genomen, maar ook dat is een normaal verschijnsel. Zoals Helle zegt (1991, p. 176/7) zijn het meestal de begeleidende omstandigheden die de publicatie ontoelaatbaar, want in strijd met het redelijk belang van de betrokkene, maken. Slechts een enkele keer is de foto op zichzelf al voldoende voor een verbod tot publicatie, zoals ongewenste naaktfoto's of een foto die de betrokkene belachelijk maakt. Het Naturiste-arrest en Vondelparkfoto-arrest zouden Nederlandse voorbeelden kunnen zijn van reeds op zichzelf verboden foto's. Dat betekent evenwel dat zij niet maatgevend zijn voor gevallen waarin het aankomt op de begeleidende omstandigheden, zoals in het arrest Kinderen Prinses Irene en in het onderhavige geval. Wellicht dat hierin het verschil in interpretatie van de arresten zijn grondslag vindt. Wat hiervan zij: in het onderhavige geval heeft het hof terecht niet de foto's op zichzelf, maar in het licht van de begeleidende omstandigheden beoordeeld.
- De hier verdedigde benaderingswijze levert ook uit een oogpunt van grondrechtelijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting en van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in GW en EVRM, geen problemen op. Art. 21 Aw is een met voldoende precisie omschreven wettelijke beperking op zowel het ene als het andere recht en beantwoordt ook overigens aan hetgeen in GW en EVRM wordt geëist. Ik volsta met enkele, min of meer rapsodische verwijzingen: HR 13 februari 1987, NJ 1987, 899 (Reclame Tandprotheticus); HR 9 januari 1987, NJ 1987, 928 (Edamse Bijstandsmoeder); HR 5 juni 1987, NJ 1988, 702 en HR 2 februari 1990, NJ 1991, 289 jo 290/1 (Goeree-zaken); HR 22 november 1991, NJ 1992, 508 (collectieve acties gezondheidszorg) en, recent, HR 18 juni 1993, RvdW 1993, 136 (Aids-verkrachter). Zie voorts J. de Boer, Artikel 8 EVRM, preadvies NJV 1990; Bellekom, Het Hof voor de rechten van de mens en de beperkingsclausules van het EVRM, in: 40 jaar Europees Verdrag voor de rechten van de Mens, Bijzonder Nummer NJCM-bulletin 1990, p. 59/74; Verheij in hetzelfde Bijzondere Nummer van het NJCM-bulletin, De horizontale werking van het EVRM, p. 19/39 (met name p. 30 e.v, 38/9). Onderdelen 3.3 - 3.5
- De ongegrondheid van de onderdelen 3.1 en 3.2 brengt ook de ongegrondheid mee van onderdeel 3.
- Ik vermeld alleen nog het Naturiste-arrest van HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 277, waarin in afwijking van hetgeen het onderdeel stelt, maar passend bij wat ik hiervoor heb geschreven, met zoveel woorden is overwogen dat de omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn voor het oordeel of sprake is van een redelijk belang als bedoeld in art. 21 Aw.
- Onderdeel 3.4 bouwt voort op de voorafgaande onderdelen en faalt mitsdien om dezelfde redenen. Onderdeel 3.5 faalt eveneens. De aangevallen r.o. moet worden gelezen in verband met de afweging van belangen pro en contra publicatie van de foto's. Een van de relevante factoren is de gevangenschap van E., die hem niet minder aanspraak geeft op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, aldus het hof in r.o. 4.7, maar anderzijds niet afdoet aan het feit dat de gevangenschap de straf is op het plegen van een delict dat sterk de aandacht had getrokken, welke aandacht kennelijk ten tijde van het publiceren van de foto's nog niet was verdwenen, want het hof stelt - onbestreden in cassatie - vast dat de foto's nog nieuws- en informatiewaarde hadden. Dan echter is niet onjuist noch onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd dat het hof het feit dat de publicaties plaatsvonden nadat E. reeds onherroepelijk was veroordeeld, niet zo zwaar heeft laten wegen dat reeds daarom (na afweging) sprake was van een redelijk belang als bedoeld in art. 21 Aw. Voor het overige onttrekt de afweging die het hof hierbij gemaakt heeft - ik benadruk: samen met andere, ten dele niet in onderdeel 3.5 genoemde factoren en vervolgens toegespitst op de twee foto's afzonderlijk - zich aan toetsing in cassatie. Het voorwaardelijk incidentele middel
- Aangezien het principale middel niet slaagt, behoeft het voorwaardelijk incidenteel middel geen bespreking meer. Het zou naar mijn mening ook feitelijke grondslag missen, omdat het hof niet miskend heeft dat iemand die als gevolg van een sterk de aandacht trekkend misdrijf, publicaties van foto's als waarvan in het onderhavige geval sprake is, zal moeten dulden zolang deze nog nieuws- en informatiewaarde vertegenwoordigen. Het "moeten dulden" is evenwel niet onbeperkt: het hof heeft in aanmerking genomen dat de foto's een neutraal karakter hebben, dat ten aanzien van E. louter feitelijke mededelingen zijn gedaan en dat er geen onnodig grieven- de uitlatingen in voorkomen, terwijl voor de foto die de Zilveren Camera heeft gewonnen dàt het feit is met nieuws- en informatiewaarde.
- Ik ben het met deze terughoudende opstelling van het hof eens, veel meer dan met wat Spaarnestad over de positie van "public figures" of "Personen der Zeitgeschichte" verdedigt. Wel besef ik dat een preciese grens niet altijd gemakkelijk te trekken zal zijn. Bijvoorbeeld ten aanzien van de herkenbaarheid van de betrokkene. Uit de stukken in de eerste aanleg lijkt te volgen dat het E. vooral daarom te doen was: hij wilde voor zichzelf en voor zijn gezins- en familieleden niet onafgebalkt in de publiciteit. In cassatie speelt deze kwestie evenwel niet (meer). Een antwoord zou ook niet eenvoudig zijn. De conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Art. 21 Aw houdt in dat openbaarmaking van niet in opdracht vervaardigde portretten niet geoorloofd is, voor zover een redelijk belang van de geportretteerde of van zijn nabestaanden zich daartegen verzet. Cruciaal zijn de woorden "redelijk belang". Zij het dat de inwerkingtreding pas op 17 februari 1988 heeft plaatsgevonden: Verheij, 1992, p. 204, nt. 61 en Akkermans/Koekkoek, 1992, p.
- In deze zin ook Van Dijk-Van Hoof; De Europese conventie in theorie en praktijk, 1990, o.m. p. 432, 435/6 en 472/
- Zie ook EHRM 22 mei 1990, NJ 1992, 454 (Weber) met verdere gegevens in de noot van EJD.