Nr. 15362 Zitting 22 april 1994 Mr. Hartkamp Conclusie inzake [eiseres] tegen Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek T.N.O. Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop 1) Eiseres tot cassatie, verder te noemen [eiseres], heeft aan verweerster in cassatie, verder: TNO, mondeling een onderzoek opgedragen van een twaalftal monsters stroopwafels en die opdracht bij brief van 22 december 1986 schriftelijk bevestigd. Per monster zou het percentage vetten, koolhydraten (totaal), suikers en eiwitten en daarmee de energetische (= calorische) waarde onderzocht worden. De monsters waren aangeduid met de letters A t/m M. De monsters A t/m L waren stroopwafels van de concurrentie, het monster M was een stroopwafel van [eiseres]. TNO heeft wat betreft de bepaling van het zetmeelaandeel in de koolhydraten gekozen voor de zogenaamde Ewers-methode. Bij brief van 9 februari 1987 heeft TNO het definitieve resultaat van de uitgevoerde analyses aan [eiseres] toegezonden. Daaruit bleek dat monster M een beduidend lagere energetische waarde had dan de andere monsters. De op dit onderzoek betrekking hebbende nota bedroeg ƒ 4597,
(1993), nr. 352. Het niet-protesteren tegen de verwijzing naar c.q. toepasselijkverklaring van algemene voorwaarden op een of meer facturen betreffende eerdere transacties, kan tot gebondenheid aan die voorwaarden bij latere overeenkomsten leiden: HR 5 juni 1992, NJ 1992, 565 (Lloyd/AEG); HR 1 juli 1993, NJ 1993, 688 ([…]/Cavo); Contractenrecht VII ([…]), nr. 85. Dit behoeft echter niet het geval te zijn: HR 15 maart 1991, NJ 1991, 416 ([…] & […]/[…]). De beslissing terzake is in belangrijke mate van feitelijke aard, zodat zij zich slechts in beperkte mate voor controle in cassatie leent. De rechtspraak pleegt het aanvaarden van de toepasselijkheid van algemene voorwaarden door verwijzing op eerdere facturen te verbinden aan de verzending van méér facturen en dus aan een handelsrelatie van enige duur (zie de conclusie, onder 3, voor HR 15 maart 1991, NJ 1991, 416 ([…] & […]/[…]) en Contractenrecht VII ([…]), nr. 85). 8) Tegen deze achtergrond moet de onderhavige casus worden beoordeeld, die op een niet onbelangrijk punt van de vorige gevallen verschilt. De opdrachten van [eiseres] aan TNO waarop de algemene voorwaarden van TNO van toepassing waren, hebben plaatsgevonden in de periode 1981 en 1982, dus gedurende maximaal twee jaar. Daarna hebben partijen tot het sluiten van de onderhavige opdracht van 22 december 1986 gedurende vier jaar geen zaken meer met elkaar gedaan. Deze laatste periode is aanzienlijk langer dan in de vorige zaken aan de orde was; zo ging het in de zaak […]/[…] om vijf andere opdrachten in ruim een jaar en in de zaak […]/AEG om zes facturen uit 1978 terwijl de ten processe relevante overeenkomst in februari 1979 gesloten was. In de niet gepubliceerde zaak Prevoo/ZGH (zie de conclusie nr. 5 in de zaak […]/Cavo) was het tijdsverloop kennelijk langer, maar daar ging het om een groter aantal facturen. Niettemin zou ik het onderdeel niet willen volgen in de stelling dat het tijdsverschil in de onderhavige zaak zodanig is, dat de verwijzingen op de facturen in de periode 1981/1982 niet meer van belang kunnen zijn voor de vraag wat moet gelden voor de litigieuze overeenkomst. Ook bij een aanzienlijk tijdsverschil blijft het naar mijn mening gaan om een vraag van feitelijke aard, waarvan de beoordeling in beginsel aan de feitenrechter is voorbehouden. De Hoge Raad zou m.i. ook moeilijk bij wege van rechtsoordeel kunnen beslissen wanneer de tussenliggende periode zo lang is, dat van een verband als door het hof aangenomen geen sprake meer zou kunnen zijn. En wat de motiveringsklacht betreft: daargelaten of bij een tijdsverloop als in de onderhavige zaak het enkele feit van de eerdere verwijzingen de toepasselijkheid van algemene voorwaarden zou kunnen rechtvaardigen, het hof heeft zijn beslissing mede op andere omstandigheden gebaseerd, terwijl niet gezegd kan worden dat de beslissing aan een gebrekkige motivering leidt in het licht van de in het onderdeel sub (
- i)- (iii) gememoreerde omstandigheden. Met name zou ik niet willen aannemen dat ‘s hofs beslissing alleen gerechtvaardigd zou zijn geweest, indien het had vastgesteld dat partijen waren overeengekomen dat op al hun toekomstige overeenkomsten, ook indien gedurende een zekere (lange) tijd tussen hen geen overeenkomsten zouden worden gesloten, de algemene voorwaarden van TNO van toepassing zouden zijn. De aanvaarding van algemene voorwaarden bij een latere overeenkomst, of de schijn van aanvaarding waarop de wederpartij mag vertrouwen, kan immers ook op andere omstandigheden berusten. 9) Subonderdeel 2b richt een motiveringsklacht tegen ‘s hofs vaststelling (zie hierboven nr. 4 sub
- b)dat [betrokkene], die de schriftelijke opdrachtbevestiging van 22 december 1986 tekende, ook reeds bij een aantal van de opdrachten uit 1981 en 1982 betrokken was. Deze vaststelling is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, nu uit de processtukken slechts blijkt dat hij bij één van die opdrachten betrokken is geweest. Dit laatste is in zoverre juist, dat slechts uit de brief van 2 december 1982 (prod. 10 bij conclusie van dupliek) concreet van betrokkenheid van [betrokkene] bij een bepaalde opdracht blijkt. Maar ik meen dat het onderdeel niettemin faalt: het hof heeft de betrokkenheid van [betrokkene] kennelijk en m.i. niet onbegrijpelijk mede afgeleid uit hetgeen ten processe is gebleken omtrent diens positie in de vennootschap(pen) van [eiseres]. Zie de memorie van antwoord nrs. 4.3 - 4.7 en 4.9, alwaar o.m. wordt vermeld dat [betrokkene] sinds 30 maart 1984 directeur is van (de rechtsvoorgangster van) eiseres; dat hij zich reeds in de periode 1981-1982 bezig hield met het productieproces van stroopwafels en met de overeenkomsten met TNO; en dat hij zonder meer op de hoogte was van de toepasselijkheid daarop van de algemene voorwaarden van TNO. 10) De onderdelen 3 en 4 zijn gericht tegen de hierboven nr. 4 onder c en d vermelde schakels van ‘s hofs redenering. Ik meen dat ook deze klachten falen: het stond het hof vrij deze latere omstandigheden te laten meewegen bij de vorming van zijn oordeel omtrent de inhoud van de litigieuze overeenkomst. Daarbij is te bedenken dat ‘s hofs oordeel (evenals dat van de rechtbank) aldus is te verstaan, dat het college uit de in r.o. 12 vermelde omstandigheden heeft afgeleid dat de algemene voorwaarden vanaf het sluiten van de overeenkomst daarvan deel uitmaakten. Aldus is er een onderscheid met de gevallen berecht door HR 15 maart 1991, NJ 1991, 416 ([…] & […]/[…]) en 6 november 1992, NJ 1993, 27 ([…]/[…], waarin bevestigende beantwoording van de vraag inzake toepasselijkheid van algemene voorwaarden een wijziging van de oorspronkelijke rechtsverhouding zou hebben betekend. Voor dat geval heb ik in de conclusie bij het laatstgenoemde arrest opgemerkt dat m.i. voorzichtigheid moet worden betracht met het aannemen van een wijziging in het overeengekomene door het nadien alsnog van toepassing verklaren van algemene voorwaarden dan wel door het nadien van toepassing verklaren van andere voorwaarden, zeker indien die ongunstiger voor de wederpartij zijn dan de voorwaarden die eerder van toepassing zijn verklaard. Daarentegen is in gevallen als het onderhavige van een wijziging van de oorspronkelijke rechtsverhouding geen sprake. Hoogstens - in het geval namelijk dat de toepasselijkheid niet berust op wilsovereenstemming, maar op de vertrouwensleer zoals neergelegd in art. 3:35 - is sprake van een onplezierige verrassing voor de partij voor wie de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden nadelig is; maar zulks moet uiteraard worden afgewogen tegen de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen van de wederpartij. 11) Onderdeel 5 bevat een motiveringsklacht die blijkens de schriftelijke toelichting uitgaat van de gegrondheid van onderdeel 2a, en die daarom in mijn zienswijze faalt. Bovendien mist de klacht feitelijke grondslag waar zij betoogt dat het hof heeft nagelaten in te gaan op de stelling van [eiseres], dat de overeenkomst op 22 december 1986 louter conform de inhoud van haar bevestigingsbrief tot stand is gekomen (zodat de algemene voorwaarden daarvan geen deel uitmaakten). Het hof heeft die stelling immers verworpen. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,