Rolnummer 15 512 Zitting 23 september 1994 Mr De Vries Lentsch - Kostense Conclusie inzake
(1992), p. 704, H.T. van Staveren, De spanning tussen sportregel en rechtsregel, IUST 1994/3, p. 72, en Op de grens van sportregel en rechtsregel, oratie, 1992, C.J.M. Klaassen, Civielrechtelijke aansprakelijkheid voor letselschade bij sport en spel, in: Sport en recht, Publikatie van de Rechtskundige afdeling van het Thijm- genootschap, 1992, p.
- Middelonderdeel 2.1 betoogt als ik het goed begrijp dat het Hof in het bijzonder niet duidelijk heeft gemaakt waarom de fout van [eiser] ernstig is en een onrechtmatige daad oplevert terwijl het Hof er met de Rechtbank van is uitgegaan dat de gedragingen van [eiser] niet, althans niet zonder meer, onrechtmatig zijn wanneer komt vast te staan dat geen stopcommando is gegeven dan wel dat eerst een stopcommando is gegeven op een moment waarop de oefening niet meer kon worden afgebroken.
- Dat het Hof aandacht heeft geschonken aan de vraag wat geldt indien [eisers] erin slagen te bewijzen dat het stopcommando niet (tijdig) is gegeven, hangt samen met het feit dat Hof zijn oordeel omtrent de onrechtmatigheid van de gedraging van [eiser] heeft gegeven behoudens het door [eisers] te leveren bewijs dat geen (tijdig) stop- commando is gegeven. Dat kan naar mijn mening bepaald niet afdoen aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld in geval blijkt dat er inderdaad van moet worden uitgegaan dat tijdig een stopcommando is gegeven.
- Middelonderdeel 3.1 richt zich met motiveringsklachten tegen het tweede gedeelte van rechtsoverweging 4.
- Het Hof overweegt daar dat het feit dat [eiser] het stopcommando van de instructeur niet heeft gehoord, [eiser] niet disculpeert nu geen relevante feiten of omstandigheden zijn gesteld die dit niet-horen rechtvaardigen.
- Het middel klaagt er in de eerste plaats over dat zonder nadere motivering niet duidelijk is waarom het Hof heeft aangenomen dat het niet-reageren op het stopcommando onrechtmatig was jegens [verweerder] en als ernstige fout is te beschouwen indien het Hof ervan is uitgegaan dat het stopcommando niet tot het bewustzijn van [eiser] is doorgedrongen. Deze klacht faalt. Zoals gezegd, heeft het Hof geoordeeld dat het bij het beoefenen van de judosport geen gevolg geven aan alsmede het niet acht slaan op aanwijzingen van scheidsrechters en instructeurs als onrechtmatig is te beschouwen. Daarbij is het Hof er - ook dat kwam reeds ter sprake - op grond van de omstandigheden van het geval van uitgegaan dat [eiser] het stopcommando heeft kunnen horen. Het was naar het oordeel van het Hof dan ook aan [eisers] om feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen die dat niet-horen zouden kunnen rechtvaardigen; aan die stelplicht heeft [eiser] naar het oordeel van het Hof niet voldaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
- Betoogd wordt voorts dat evenzeer onduidelijk is waarom het Hof heeft aangenomen dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en een ernstige fout heeft gemaakt indien het Hof ervan is uitgegaan dat het stopcommando wel tot het bewustzijn van [eiser] moet zijn doorgedrongen, dit mede gelet op de omstandigheid dat het Hof niet heeft vastgesteld dat [eiser] opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft gehandeld door niet te reageren op het stopcommando. In de schriftelijke toelichting wordt nog betoogd dat de omstandigheid dat [eiser] niet op het stopcommando heeft gereageerd, kan zijn ingegeven door puur enthousiasme of de hitte van de strijd. Deze klacht mist naar het mij voorkomt feitelijke grondslag. [eisers] hebben in de feitelijke instanties aangevoerd dat [eiser] het stopcommando (zo al gegeven) niet heeft gehoord, en niet dat [eiser] het stopcommando wel heeft gehoord doch niet heeft opgevolgd door de hitte van de strijd of om enige andere reden. Op de vraag wat in het laatste geval zou gelden is het Hof naar mijn oordeel dan ook - terecht - niet ingegaan.
- Als ik het goed begrijp betoogt middelonderdeel 4.1 dat het Hof heeft miskend dat de vraag of [verweerder] er rekening mee diende te houden dat [eiser] het stopcommando zou opvolgen, niet van belang is voor het antwoord op de vraag of van mede-schuld sprake is doch slechts voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de gedraging, waarbij het college ambtshalve bedoelde vraag had dienen te betrekken. Dit onderdeel lijkt mij belang te missen aangezien het Hof nu juist heeft geoordeeld dat [verweerder] er geen rekening mee behoefde te houden dat [eiser] het stopcommando niet zou opvolgen en dat oordeel door het middel naar mijn oordeel tevergeefs wordt bestreden. Conclusie Het middel in al zijn onderdelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden