Nr. 275-93-V CJIB 2806994 Parket, 1 december 1993 Mr. Meijers Conclusie inzake: [betrokkene] Edelhoogachtbaar College, De officier van justitie te Dordrecht voert in het door hem voorgestelde middel aan dat de kantonrechter het recht heeft geschonden door te oordelen dat de beschikking van de officier van justitie moet worden vernietigd, ‘’nu de initiële beschikking aan betrokkene niet binnen drie maanden na het plegen van de gedraging is toegezonden’’. De officier van justitie geeft niet met zoveel woorden aan, welke rechtsregel hij voor geschonden houdt, maar uit de schriftuur blijkt dat de kantonrechter wordt verweten, in zijn beschikking blijk te hebben gegeven van een verkeerde uitleg van art. 4 lid 2 WAHV, voor zover dit artikellid inhoudt dat de beschikking binnen drie maanden na de, op kenteken geconstateerde, gedraging wordt toegezonden aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. De officier van justitie klaagt niet uitdrukkelijk over enig vormverzuim (bij voorbeeld schending van de motiveringsregel van art. 13 lid 2 WAHV). Uit de laatste twee zinnen van de tweede alinea van de schriftuur kan evenwel worden afgeleid dat de officier van justitie aan de kantonrechter tevens verwijt, zijn beslissing niet voldoende te hebben gemotiveerd. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het in art. 4 lid 2 WAHV om een waarborgnorm voor de betrokkene. In deze zin ook ktg. Amersfoort NJ 1992, 704. Met verwijzing naar De Haan/Drupsteen/Fernhout betoogt Rogier (Artikelsgewijs commentaar, p. 39) dat de termijn weliswaar is bedoeld als een termijn van orde en een instructienorm voor de uitvoerende instanties, doch dat het ook een waarborgnorm voor de betrokkene is. ‘’Bij een grove overschrijding van die termijn zou de betrokkene een beroep kunnen doen op 'undue delay' in de zin van artikel 6 EVRM’’. Rogier voegt hieraan toe dat de praktische betekenis gering is, omdat eerst de toezending (dat moet zijn: de ontvangst; zie HR NJ 1993, 181, M.) van de beschikking de betalingsverplichting doet ontstaan. Aan betrokkene is een sanctie van ƒ 50,-- opgelegd vanwege het neerzetten van een auto buiten de rijbaan (R 315 B). De gedraging is geconstateerd op 30 oktober 1992. De initiële beschikking draagt de dagtekening 12 februari 1993. De rechtsklacht van de officier van justitie is naar mijn mening niet gegrond. Uit de beslissing blijkt niet dat de kantonrechter van een verkeerde uitleg van het gestelde in art. 4 lid 2 WAHV is uitgegaan. Met de kantonrechter zou ik in de tijdsbepaling van art. 4 lid 2 WAHV een waarborgnorm voor de betrokkene willen zien en wel op de volgende gronden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.