Rolnummer 15.885 Zitting 8 december 1995 Mr. Vranken Conclusie inzake
(1953), ook gepubliceerd in Geschriften van Houwing, 1972, p. 353, de term verzekeringsplicht gehanteerd. Houwing gaf hieraan de voorkeur ter vermijding van verwarring met de nog te noemen derde betekenis van garanties.
- Garantieverbintenissen in de hier bedoelde betekenis worden beschouwd als verbintenissen onder opschortende voorwaarde. Een bekend voorbeeld is het zich sterk maken voor een derde, dat naar oud recht was geregeld in art. 1352 BW. Zie hierover en over de verschijningsvormen van deze rechtsfiguur naar huidig recht Asser-Hartkamp II, 1993, nr. 387-389 met verdere verwijzingen. Een ander voorbeeld is volgens sommigen art. 7:17 BW betreffende de eis dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden (de conformiteitseis). Zie Asser-Schut-Hijma, Koop en ruil, 1994, nr. 328-
- De discussie over de conformiteitseis bij koop heeft ook een tweede betekenis van het begrip garantie opgeleverd. Betoogd wordt dat in geval van non-conformiteit de op de verkoper rustende resultaatsverbintenis is geschonden en dat dit een tekortkoming is met alle daaraan verbonden gevolgen. Met name houdt dit in dat de koper niet slechts is aangewezen op schadevergoeding, maar ook ontbinding kan vorderen, alsmede de in art. 7:21 BW genoemde bijzondere vorderingen kan instellen. Deze opvatting wordt onder meer verdedigd door Asser-Schut-Hijma, 1994, nr. 330, die, omdat de term garantieverbintenis ruimte laat voor verschillende interpretaties, kiest voor de term ‘’kale resultaatsverbintenis’’.
- De meest gebruikelijke, hier als derde te noemen betekenis van garanties is die waarbij een verbinding wordt gelegd met het leerstuk van de overmacht. Partijen kunnen overeenkomen dat de schuldenaar het aan- of afwezig zijn van bepaalde feiten, gebeurtenissen of eigenschappen garandeert. Het gevolg hiervan is dat de garant zich dienaangaande niet meer op overmacht mag beroepen. Wel teken ik aan dat dit ‘’zich niet meer op overmacht kunnen beroepen’’ niet altijd in absolute zin opgevat mag worden, maar afhankelijk is van de wijze waarop de garantie is geformuleerd en van de overige omstandigheden van het geval, zoals de aard en inhoud van de overeenkomst, de positie van partijen en de zwaarwegendheid van de over en weer betrokken belangen. In deze zin ook A-G Hartkamp in zijn genoemde conclusie van 3 november 1995, sub nr. 8 en Asser-Schut-Hijma, 1994, nr. 366 i.f., beiden met dezelfde verdere verwijzingen. Ik voeg hieraan slechts toe mijn conclusie sub nr. 17 vóór HR 19 november 1993, NJ 1994,
- Uit laatstgenoemd arrest zou kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad de term garantie vooral/uitsluitend reserveert voor situaties waarin eigenschappen of hoedanigheden van een zaak aan de orde zijn. In het concrete geval was aan werknemers gegarandeerd dat zij hun functie tot aan hun pensioengerechtigde leeftijd zouden kunnen behouden. De rechtbank had zonder voorbehoud gesproken over garantie. In cassatie was deze kwalificatie niet bestreden. Desondanks sprak de Hoge Raad over ‘’een door een werkgever onder de benaming ‘’garantie’’ zonder enig voorbehoud aan een werknemer gedane toezegging’’. Zie over het arrest ook Menu, De toezegging in het privaatrecht, diss. 1994, p.
- Het arrest wijst op een onderscheid tussen wat in het Engels-Amerikaans recht heer representations (kwaliteitsgaranties) en warranties (zekerheidsgaranties). Zie over dit onderscheid ook Van Dunné, verbintenissenrecht, deel 1, 1993, p. 302-333 en Contractenrecht (Den Tonkelaar), I, nr.
- Grof gezegd – het onderscheid is, voorzover ik heb kunnen achterhalen, in de praktijk niet altijd vol te houden – betreffen de representations verklaringen omtrent het object. Ze zeggen iets over de situatie op het moment van de koop, overdracht of fusie, bijvoorbeeld dat de jaarcijfers juist en volledig zijn. De meeste garanties bij bedrijfs- of aandelenovername behoren tot deze soort. Warranties zijn meer toekomstgericht en behoren zelf tot het object. Een voorbeeld is dat garantie dat gedurende twee jaar een bepaalde omzet of winst wordt behaald. Zie voor een rechtsvergelijkend overzicht van deze materie, toespits op bedrijfsovername, Baker en Jillson (eds), Due diligence, disclosures and warranties,
- Garanties komen in nog meer betekenissen voor, bijvoorbeeld als garantiebewijs, als synoniem voor een resultaatsverbintenis dan wel als een bevestiging van de wettelijke schadevergoedingsplicht in geval van tekortschieten (onder meer HR 25 januari 1991, NJ 1992, 97 m.b.t. onderdeel 1). Met A-G Hartkamp in zijn genoemde conclusie van 3 november 1995, sub nr. 8 ben ik het echter eens dat hierbij veelal sprake is van een oneigenlijk, verwarrend, onduidelijk of anderszins niet wenselijk gebruik van de term.
- Uit het voorgaande volgt dat de betekenis van het begrip garantie niet op voorhand vaststaat, maar in het concrete geval door uitleg moet worden vastgesteld. In casu heeft het hof de door partijen overeengekomen garanties niet uitgelegd als garantieverbintenissen in de hierboven sub nr. 23 en 24 aangegeven betekenis, zoals [eisers] bepleiten, maar als verbintenissen waarvan de niet-nakoming een tekortkoming oplevert die in beginsel niet alleen op schadevergoeding recht geeft, maar ook op ontbinding. In het midden kan blijven of het hof met dit onderdeel het oog heeft gehad op de hiervoor onderscheiden tweede (nr. 25) of derde (nr. 26) betekenis van garanties: in beide betekenissen zijn de gevolgen immers dezelfde.
- De door het hof gegeven uitleg moet in cassatie als grotendeels feitelijk worden beschouwd. Zij kan slechts met succes bestreden worden indien zij berust op een verkeerde rechtsopvatting dan wel niet voldoende begrijpelijk is.
- [eisers] beroepen zich voor hun opvatting in feite alleen op de tekst van de garanties sub f en g in verbinding met de opzet van de overeenkomst van 26 juni 1992, waarin de garantiebepalingen volgens hen een duidelijk te onderscheiden en af te scheiden onderdeel zijn, waarvan de bepalingen f en g het sluitstuk vormen. Ik acht hun interpretatie niet onmogelijk, maar zeker niet dwingend en ook niet dwingender dan die van het hof. Ik begrijp het hof aldus dat in de opvatting van [eisers] sprake is van een beperking van de normale gevolgen bij het niet-nakomen van (garantie)verplichtingen. Dat is niet vanzelfsprekend. Men mag daarom verlangen dat voor een dergelijke beperking duidelijke aanknopingspunten te vinden zijn. Welnu, aldus het hof, die zijn er niet. Noch uit de tekst van de overeenkomst noch uit enige ten processe gebleken omstandigheid volgt dat partijen bedoeld hebben het recht op ontbinding uit te sluiten. Ook de omstandigheden dat [verweerster] een zwaar verliesgevend bedrijf heeft overgenomen en een ontbinding ernstige gevolgen heeft, leidt hiertoe niet op voorhand of in beginsel.
- Ik vind dit oordeel onjuist noch onbegrijpelijk. De bepalingen sub f en g zijn in de interpretatie van het hof niet exclusief wat betreft de in te stellen vorderingen bij schending van de garanties en verklaringen in de overeenkomst, maar zij vormen de uitdrukking van de bedoeling van partijen dat het ‘’niet-nakomen van enige verplichting of verklaring van de zijde van de verkopers ingevolge deze overeenkomst’’ (garantie sub g) zonder meer leidt tot aansprakelijkheid. Anders gezegd: de bepalingen sub f en g vormen een bevestiging c.q. een verduidelijking van het (in zoverre) absolute karakter van de garanties dat niet-nakoming ervan tot aansprakelijkheid leidt.
- Hiermee faalt niet alleen de rechtsklacht van onderdeel 1, maar ook de motiveringsklachten van onderdeel 2 en
- De onderdelen 4 en 5 missen feitelijke grondslag. Onderdelen 6-10
- De onderdelen 6-10 bestrijden de beslissing van het hof in r.o. 11 dat de tekortkoming van [eisers] niet van zodanig bijzondere aard of geringe betekenis is dat ontbinding niet gerechtvaardigd is, terwijl ook de omstandigheden dat [verweerster] een zwaar verliesgevend bedrijf heeft overgenomen en een ontbinding ernstige gevolgen heeft, de ontbinding niet uitsluiten. De onderdelen beroepen zich op een als heersend aangemerkte rechtsovertuiging volgens welke de ontbindingsmogelijkheden aan banden moet worden gelegd, in het bijzonder wanneer minder vergaande en met het oog op de wederzijds belangen van partijen passender vormen van redres ter beschikking staan.
- Bij de beoordeling van deze klacht moet de fase waarin de procedure zich bevindt, voor ogen worden gehouden. Het hof heeft de ernst en de aard van de tekortkoming vooropgesteld en deze afgewogen tegen de hiervoor genoemde twee omstandigheden over de verliesgevendheid en de ernst van de gevolgen van een ontbinding. Vooralsnog is het hof daarbij tot het oordeel gekomen dat de ontbinding gerechtvaardigd c.q. niet uitgesloten is. Evenwel kunnen er omstandigheden zijn – het hof somt deze op in r.o. 13 – die kunnen nopen tot een ander oordeel, maar [eisers] zullen deze eerst aannemelijk moeten maken.
- In het licht hiervan kan de klacht van de onderdelen 6-10 alleen dan slagen indien ook zonder dat de door [eisers] te bewijzen omstandigheden vaststaan, het hof reeds nu had moeten oordelen dat in casu een ontbinding niet gerechtvaardigd c.q. uitgesloten was. Ik meen dat deze stelling in haar algemeenheid te ver gaat. In de eerste plaats omdat de ernst en aard van de wanprestatie belangrijke factoren zijn bij de vraag of ontbonden moet worden. De ernst van de wanprestatie wordt in hoge mate bepaald door wat voor partijen de kern van de overeenkomst vormde. Een afwijking van het overeengekomene ten aanzien van een onderdeel waarin de koper bij de totstandkoming in het geheel niet was geïnteresseerd, weegt minder zwaar dan wanneer het een onderdeel betreft waar het de koper juist om te doen was. In casu heeft de bewijslevering juist hierop betrekking. Zowel de interesse van [verweerster] – desinteresse volgens [eisers] – in de waterhuishouding van het bedrijf als in de rentabiliteit komen daarin aan de orde. Daarnaast is de bewijslevering gericht op het tot helderheid brengen van de volgens [eisers] werkelijke beweegredenen van [verweerster] bij de overname van het bedrijf. Ook dat kan gegevens opleveren die bij de afweging om al of niet te ontbinden, van belang zijn. Daarop kan niet een voor [eisers] gunstig voorschot worden genomen.
- In de tweede plaats gaat de stelling van [eisers] in de onderdelen 6-10 in haar algemeenheid te ver, omdat het hof zich ook nog niet definitief heeft uitgesproken over de factor ‘’de ernst van de gevolgen van de ontbinding’’. [eisers] hebben betoogd dat de gevolgen van een ontbinding zeer ernstig zijn omdat [verweerster] de bedrijfsvoering heeft geschaad. Anders dan [eisers] in onderdeel 8 stellen, heeft het hof dit betoog niet verworpen, maar vooralsnog niet sterk genoeg geacht om reeds op die grond de mogelijkheid van een ontbinding af te wijzen. Het hof heeft dit oordeel gemotiveerd door er op te wijzen dat [verweerster] de bedoelde stelling van [eisers] heeft betwist en voorts dat de situatie in appel een andere was geworden dan ten tijde van het vonnis van de rechtbank omdat Provamo inmiddels was gefailleerd. Kortom, de juistheid en de (relatieve) zwaarte van de factor ‘’de ernst van de gevolgen bij ontbinding’’ heeft het hof nog niet definitief vastgesteld. In de gegeven stand van de procedure behoefde het hof dat ook nog niet te doen. Daarmee faalt ook de klacht in onderdeel 8 van het middel dat het hof de juistheid van de stelling van [eisers] volgens de regels van het bewijsrecht al in zijn tussenarrest had moeten bepalen.
- Ik meen dat de onderdelen 6-10 alle op het voorgaande stuklopen en geen verdere bespreking behoeven. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, In de weergave van de beslissing van het hof in de cassatiedagvaarding is dit ‘’voorshands’’ niet genoemd. Ook het hierna in de tekst vermelde voorbehoud van r.o. 12 is daarin niet opgenomen. Wel gebeurt een en ander in de s.t., nr. 2-
- Hetgeen de vraag oproept of zo’n onderscheid wel zinvol is. Ik betwijfel dat, maar ga er in deze conclusie niet verder op in.