J.M. Nr.
(58), p. 178–180) ‘’kan aan de voorzitter van de ECRM worden gevraagd, bij de Nederlandse regering aan te dringen op uitstel van de uitlevering en bij de verzoekende staat op intrekking van het uitleveringsverzoek’’.
- Het bijzondere in deze zaak is dat er een, met feiten ondersteund, beroep wordt gedaan op een regel van ius cogens die geen uitzondering kent. Het recht op vrijwaring van marteling is een aanspraak zonder enig voorbehoud. Het verbod op marteling in art. 3 EVRM onttrekt zich daarom naar mijn mening aan enige afweging. Waar het recht om niet te worden gemarteld in het geding is, valt er voor niemand iets af te wegen of te nuanceren. Een door feiten ondersteund beroep op — in elk geval — deze regel van dwingend recht zal niet door de bestuurlijke overheid, maar door de rechter moeten worden beoordeeld. Het is precies de taak van de rechter de absolute voorrang, die deze regel van ius cogens ‘’van nature’’ heeft, tot zijn recht te laten komen. Politieke overwegingen behoren in een geval als dit geen enkele rol te spelen. Het in het middel verdedigde standpunt zou ik willen onderschrijven, met dien verstande dat met behoud van de regel, die in de rechtspraak is gesteld, deze regel voor een geval als dit wordt genuanceerd, in deze zin dat de uitleveringsrechter, wanneer hij op basis van de hem bekende informatie vaststelt of, zoals kennelijk hier het geval is, aannemelijk acht dat de opgeëiste persoon al is gefolterd (of zal worden gefolterd), de rechtsvraag— over zo een vraag, en niet over een beleidsvraag, gaat het bij deze niet voor een compromis vatbare regel van dwingend recht — van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in negatieve zin behoort te beantwoorden. Heeft de rechter voor zijn oordeel ter aanvulling van het aan hem voorgelegde materiaal behoefte aan nadere gegevens, dan kan hij zijn beslissing aanhouden in afwachting van informatie van de verzoekende staat (vgl. HR NJ 1981, 47), die hem desgevraagd door tussenkomst van de minister van justitie zal worden gegeven.
- Ik houd de rechtsklacht van het middel voor gegrond. Het is naar mijn mening aan de Hoge Raad na vernietiging van de bestreden uitspraak als feitenrechter het op tafel komende materiaal te beoordelen (na eventueel en desgevraagd zich door tussenkomst van de minister van justitie aanvullende gegevens van de Turkse regering te hebben doen voorleggen).
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot oproeping van de opgeëiste persoon voor een feitelijke behandeling van de zaak door de Hoge Raad. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, gesloten te New York op 10 december 1984 (Trb. 1985, 69). Art. 3 lid 1 van het Verdrag luidt, voor zover hier van belang: ‘’Geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag mag een persoon (…) uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering.’’Voor het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (Straatsburg 26 november 1987): zie Trb. 1988,
- Volledigheidshalve vermeld ik dat Turkije op 28 januari 1987 het individuele klachtrecht cfm. art. 25 EVRM en op 22 januari 1990 de jurisdictie van het EHRM heeft aanvaard (art. 46 EVRM); zie bijv. EHRM 25 maart 1996 inz. Mitap en Mütúoglu tegen Turkije, §
- en op p. 46 in voetnoot 1 de opmerking: ‘’In alle eerbied merk ik op dat Mevrouw W.F. van Hattum, DD 1989, p. 939, deze praktische moeilijkheden onderschat.’’ Over praktische problemen van andere aard: A.G. Mok in zijn conclusie voor HR NJ 1996, 382 (onderdeel 3 van de concl.). Turkije heeft het in voetnoot 1 genoemde (U.N.) Verdrag tegen foltering op 2 augustus 1988 geratificeerd. Het Verdrag is sinds 1 september 1988 voor Turkije van kracht (informatie van het Studie- en informatiecentrum mensenrechten (SIM) van de RUU). Turkije heeft ook het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering (enz.) geratificeerd (zie de ‘’status of ratifications’’ in Human Rights Law Journal 1995, Vol. 16, no. 1-3, p. 83).