DA/MR Rekestnr.8743 Parket, 28 maart 1996 Mr Asser Conclusie inzake: [de man] tegen: [de vrouw] Edelhoogachtbaar College,
(1991), p.268 e.v .; Asser/De Ruiter/Moltma- ker, nr. 662; Rutgers, Herziening scheidingsprocesrecht, 1993, nr. 41; Kampers/Geuzinge/Post/de Vries, Inleiding tot de burgerlijke stand', 1995, p. 214; zie ook uitgebreider de achtste druk, 1991, p.
- Zie de Memorie van Toelichting bij de Wet van 1 juli 1992, Stb.373, Bijl.Hand.II, 1990-1991, 21 881, nr.3, art.820 Rv, p.7; Rutgers, Herziening scheidingsprocesrecht, nr. 41; vgl. ook Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Personen- en familiezaken (Gijbels), 43.7 in fine en 44.1; losbl. Burg. Rechtsvordering (Rutgers), art.820, aant.
- Voor 1971 gold ingevolge rechtspraak van de Hoge Raad (HR 20 januari 1956, NJ 1957,434-436) dat wanneer geappelleerd was van een beslissing over nevenvorderingen, incidenteel appel tegen de echtschei- ding niet toelaatbaar was. Thans is dus weer tot dat stelsel teruggekeerd op grond van het nieuwe art.820 Rv.