← Nederland

ECLI:NL:PHR:1996:64

Nr. 103.822 Zitting 26 november 1996 Mr. Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College, 1. Bij arrest van 23 mei 1995 is verzoeker door het hof te 's-Gravenhage ter zake van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. 2. Namens hem heeft mr. A.A. Franken, advocaat te 's- Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel voert aan dat het hof ten onrechte bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met een van de acht ad informandum gevoegde feiten, nu verzoeker dit feit (valsheid in geschrift c.q. oplichting van [A] ) in eerste aanleg (in tegenstelling tot de zeven andere ad informandum gevoegde feiten) niet heeft erkend en bovendien in het vooronderzoek heeft ontkend. 4. Met betrekking tot de ad informandum gevoegde feiten heeft het hof overwogen: Bij het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden, dat de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan andere, niet telastegelegde feiten, vermeld in de processen-verbaal 10.328/1994 en 10 - 328-I/1994, te weten valsheid in geschrift (aanvraag [creditcard] en aanvraag rijbewijs) en valsheid in geschrift c.q. oplichting ( [B] Hotel, [A] , fotostudio [C] , [D] , [E] , [F] kantoorbenodigdheden) . Die feiten zijn door het openbaar ministerie bij deze strafzaak gevoegd met het oog op de aan de verdachte op te leggen straf. Gebleken is dat het openbaar ministerie bij het uitbrengen van de inleidende dagvaarding aan de verdachte heeft medegedeeld dat deze feiten met dat doel ter terechtzitting ter sprake zullen worden gebracht. Het hof heeft op deze feiten acht geslagen bij de beslissing over de straf, waarbij het ervan is uitgegaan dat de verdachte ter zake van die feiten niet afzonderlijk zal worden vervolgd. 5. Formeel heeft het hof hiermee voldaan aan de criteria welke in de jurisprudentie worden gesteld voor het bij de strafoplegging in aanmerking mogen nemen van ad informandum gevoegde feiten bij verstekbehandeling: (

  1. a)bij het uitbrengen van de dagvaarding althans tijdig voor aanvang van de zitting moet aan de verdachte mededeling worden gedaan van de voeging ad informandum, (
  2. b)aannemelijk moet zijn dat de verdachte het ad informandum gevoegde feit heeft begaan en (
  3. c)de rechter mag ervan uitgaan dat de openbaar ministerie terzake geen vervolging zal instellen, vgl. HR NJ 94.016 en HR DD 92.092. 6. Naar mijn oordeel zal het bij (
  4. b)bedoelde aannemelijkheidsoordeel echter mede dienen te berusten op de bekennende verklaring van een verdachte. Steun voor deze opvatting vind ik in HR DD 91.125 en bij Corstens, Het Nederlands strafproces, 1993, blz. 660, waaraan ik het volgende citaat ontleen: De HR eist bij verstekzaken dus niet dat de verdachte een bekentenis heeft afgelegd. Voldoende is de aannemelijkheid van de feiten. In de praktijk pleegt overigens die voorwaarde wel te worden gesteld. Anders zou het kunnen gebeuren dat ondanks tegenspraak in het voorbereidend onderzoek of in eerdere aanleg de verdachte wordt bestraft voor een feit dat niet volgens de gewone bewijsregels is bewezen. Indien men al aanvaardt dat bij ad informandum gevoegde zaken geen bewijsconstructie nodig is, dan moet toch in elk geval worden geëist dat mede op grond van een bekentenis aannemelijk is geworden dat de verdachte deze feiten heeft begaan. 7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg noch uit het onderliggende proces-verbaal nr. 10.328-I/1994 (blz. 6 en 7) kan volgen dat verzoeker het in cassatie aan de orde gestelde feit erkent, terwijl de verklaring van de betrokken autoverhuurder (blz. 14 en 15 van laatstbedoeld proces-verbaal) het aannemelijkheidsoordeel van het hof niet steunt maar eerder ondergraaft. 8. Gelet op het voorgaande treft het middel doel. 9. Nu ik geen gronden heb aangetroffen waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te vernietigen, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft de strafoplegging en de motivering daarvan en verwijzing van de zaak in zoverre naar een aangrenzend hof - tenzij De Hoge Raad evenals in HR NJ 93.086 om proceseconomische redenen zelf de opgelegde straf zou verlagen - met verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.