Nr. 31.143 Mr Van Soest Derde Kamer A Conclusie inzake: Vennootschapsbelasting 1988 de staatssecretaris van Financiën Parket, oktober 1995 tegen X N.V. Edelhoogachtbaar College, 1 . Korte beschrijving van de zaak. 1.1 . Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen het Hof) van 28 februari 1995, nr. P 94/1691, FED 1995/280 . Het is ingesteld door de staatssecretaris van Financiën. Van het beroep in cassatie is melding gemaakt in Infobulletin 1995, blz. 419, punt 95/456 . 1.2 . De Vereniging A (hierna te noemen A) heeft in mei 1988 een renteloze premie-obligatielening, nominaal groot ƒ 275.000.000,-, uitgegeven in stukken van ƒ 1.000,- tegen een koers van 100 % met een looptijd van 10 jaar. Gedurende de looptijd, te beginnen in juni 1988, zou maandelijks één obligatie uitgeloot worden waarop een bedrag van ƒ 1.000.000,- zou worden uitbetaald. De obligaties werden ter beurze van Amsterdam genoteerd. 1.3 . De uitgifte van de lening werd gegarandeerd door een aantal banken, waaronder de belanghebbende, thans genaamd X N.V. Het aandeel van de belanghebbende in de emissie was 18.198 obligaties à ƒ 1.000,-, waarvan zij er aanvankelijk 15.102 heeft overgehouden. 1.4 . Op 31 december 1988 behoorden de belanghebbende nog 14.130 obligaties toe. De beurskoers was toen 93,5 %. 1.5 . Het pakket is vervolgens geleidelijk in gedeelten ter beurze verkocht, het laatste gedeelte begin 1993. 1.6 . Het Hof heeft overwogen (FED, blz. 933): "(...) 5.1.2. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de obligaties in eerste instantie voor de particuliere belegger bestemd waren, voor belanghebbende als bezitting niet interessant waren en dat zij er daarom naar streefde de obligaties van de hand te doen, mits tegen een redelijke prijs. (...) 5.2.2. (...) Obligaties als deze onderscheiden zich (...) van de renteloze vordering doordat zij de voor ieder individueel stuk - in handen van welke bezitter dan ook - gelijke kans bieden op een aanzienlijk uitlotingsbedrag. (...) Goed koopmansgebruik laat naar het oordeel van het hof niet toe de zich in de beurskoers weerspiegelende, niet geringe waarde van die kans te verwaarlozen. (...) 5.3.3. Het hof is echter van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden goed koopmansgebruik uit een oogpunt van voorzichtigheid toelaat de obligaties enigszins beneden de beurskoers te waarderen nu uit het verschil tussen de theoretische koers en de beurskoers volgt dat het rendement op de onderwerpelijke obligaties relatief laag is en onmiddellijke verkoop van het gehele pakket (...) een aanmerkelijk koersdrukkend effect zou hebben. 5.3.4. Het hof stelt de correctie op de beurskoers per 31 december 1988 (...) in goede justitie op 5%. Aannemelijk is dat particulieren per de balansdatum in voldoende mate obligaties met een zodanige korting op de beurskoers zouden willen verwerven. (...)" 1.7 . Het beroep in cassatie is in overeenstemming met de voorschriften ingesteld. Het steunt op een middel van cassatie. 1.8 . De belanghebbende heeft bij vertoogschrift in cassatie het middel bestreden. 1.9 . Een verwante problematiek is aan de orde in de bij Uw Raad aanhangige zaken nrs. 30.798, 30.801 en 30.802. In de zaak nr. 30.801 neem ik heden eveneens conclusie. 2 . Goed koopmansgebruik ten aanzien van de waardering van obligaties. Gegevens over de waardering van obligaties naar goed koopmansgebruik zijn vervat in de bijlage bij deze conclusie. 3 . Het middel. Het middel houdt in: "(blz. 1) (...) Het Hof grondt [zijn] oordeel op een tweetal omstandigheden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.