Nr. 101.91 Zitting 20 februari 1996 mr Fokkens conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar college, 1. Het hof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 6 februari 1995 verzoeker in hoger beroep - met vrijspraak van het hem onder 1 telastegelegde feit - wegens kort gezegd bedreiging, diefstal met geweld en het op de openbare weg voorhanden hebben van een pistool veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer van een pistool met bijbehorende patroonhouder en patronen en met verbeurdverklaring van een visitekaartje. Verzoeker, die de bewuste feiten ontkent, zou zich in het kader van het verwerven van gelden ten behoeve van de Turkse mensenrechten- organisatie [A] aan bedreiging en diefstal met geweld hebben schuldig gemaakt. 2. Namens verzoeker heeft mr E. Prakken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel stelt de vraag aan de orde of door de politie in het opsporingsonderzoek gebruikte fotoboeken als processtukken dienden te worden aangemerkt, zodat ook verzoeker van die fotoboeken kennis had kunnen nemen. 4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe aldaar verzocht de fotoboeken bij de processtukken te voegen om die fotoboeken te kunnen controleren op een evenwichtige samenstelling. Toen de voorzitter de raadsvrouwe voorstelde dat zij ter terechtzitting de aldaar aanwezige fotoboeken zou controleren, weigerde zij van die mogelijkheid gebruik te maken (vanwege het principiële karakter van haar verzoek). Daarop wees het hof het verzoek af overwegende dat: "deze boeken geen processtukken zijn in de zin van de wet, maar dienen te worden aangemerkt als opsporingsmiddel op basis waarvan processtukken - zoals in een proces-verbaal neergelegde verklaringen van getuigen en afschriften van foto's van de verdachte die tot de herkenning hebben geleid - tot stand komen, zodat ( ... ) de verdediging geen recht kan doen gelden op afschriften van dat fotomateriaal. De voorzitter merkt daarbij nog op dat het hof de raadsvrouwe de gelegenheid heeft geboden de samenstelling van de fotoboeken te controleren, doch dat zij zulks geweigerd heeft". 5. Vervolgens betoogde de raadsvrouwe dat het openbaar ministerie nu niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Dit verweer verwierp het hof met een verwijzing naar het vonnis van de rechtbank, waarin de rechtbank ter zake had overwogen: "Verdachte en de raadslieden hebben onder meer belang bij inzage in de fotoboeken, teneinde te kunnen vaststellen of deze boeken evenwichtig zijn samengesteld op een wijze die een betrouwbare herkenning waarborgt. Het Openbaar Ministerie heeft belang bij geheimhouding van de identiteit van de overige personen, wier foto's zich in de fotoboeken bevinden, en van wie blijkens de mededelingen van de officier van justitie aanwijzingen bestaan dat zij betrokken zijn bij de [A] , zulks onder meer met het oog op toekomstige onderzoeken naar afpersingsactiviteiten van deze organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van de verdachte in casu niet op tegen het algemene opsporingsbelang van het Openbaar Ministerie. De rechtbank overweegt daarbij voorts dat de privacy van de overige op de foto's personen afgebeelde zoveel gerespecteerd dient te worden mogelijk De rechtbank heeft zich ter terechtzitting vergewist van de inhoud van de fotoboeken en zij heeft ook de raadsvrouw tijdens de terechtzitting van 17 maart 1994 daartoe in de gelegenheid gesteld. De raadsvrouw heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de verdachte niet in zijn verdediging geschaad en is zij van oordeel dat het onthouden van inzage aan de verdachte niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. 6. Aan deze overwegingen voegde het hof nog toe: "Aan deze overweging laat het hof voorafgaan dat de litigieuze fotoboeken, anders dan de raadsvrouwe stelt, geen processtukken zijn in de zin van de wet. Die boeken dienen te worden aangemerkt als een opsporingsmiddel op basis waarvan processtukken - zoals in een proces-verbaal neergelegde verklaringen van getuigen en afschriften van foto's van de verdachte die tot de herkenning hebben geleid - tot stand komen. Derhalve kan de verdediging geen recht doen gelden op afschriften van dat fotomateriaal. Het hof merkt daarbij nog op dat de raadsvrouwe ter terechtzitting - met het hof - de gelegenheid heeft gehad de samenstelling van de fotoboeken te controleren, doch zulks geweigerd heeft". 7. Het middel bevat diverse klachten. Kern van het middel is de onder (
- a)geformuleerde klacht: het hof heeft de fotoboeken ten onrechte niet als processtukken aangemerkt. Welke stukken als zodanig moeten worden beschouwd, wordt bepaald door de eisen voor een eerlijk proces: de verdediging moet in staat worden gesteld de proceshandelingen van het openbaar ministerie op haar rechtmatigheid te controleren en het bewijs aan de hand van het in het voorbereidend onderzoek verzamelde materiaal te betwisten. De fotoboeken zijn niet alleen als opsporingsmiddel gebezigd, want herkenningen aan de hand van die boeken liggen ten grondslag aan de aanhouding van verzoeker en spelen een belangrijke rol in de bewijsvoering. Het gaat derhalve om 'material evidence' als bedoeld in EHRM 16 december 1992, Series A 247-B ( Edwards/Verenigd Koninkrijk). En dat betekent - gelet op ECRM 6 april 1995, NJCM-bulletin 1995, p. 830-836 (Mulders/Nederland) - dat er een inbreuk is gemaakt op het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op 'fair trial' nu: (
- i)het openbaar ministerie materiaal heeft gebruikt waartoe de verdediging geen toegang had, en dat direct tot bewijs leidde, (
- ii)de verdediging de bewijsvoering niet kon controleren en (iii) het openbaar ministerie boven de verdediging bevoordeeld is. 8. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de verdediging op grond van art. 6, derde lid, onder b EVRM - dat voorziet in het recht "to have adequate facilities for the preparation of his defence" - toegang tot de fotoboeken moest hebben. 9. In haar rapport in de zaak-Jespers (rapport van 14 december 1984, D&R 27, p. 87-88) oordeelde de ECRM dat hij die van een strafbaar feit is beschuldigd in de gelegenheid moet zijn "to acquaint himself, for the purposes of preparing his defense, with the results of investigations carried out throughout the proceedings" en dat, hoewel dit niet met zoveel woorden door het EVRM wordt gewaarborgd, het recht op toegang tot het dossier uit genoemde verdragsbepaling kan worden afgeleid (r.o. 56). Voorts overwoog de Commissie (r.o. 58) dat die bepaling: "recognises the right of the accused to have at his disposal, for the purposes of exonerating himself or of obtaining a reduction of his sentence, all relevant elements that have been or could be collected by the competent authorities. The Commission considers that, if the element in question is a document, access to that document is a necessary 'facility' ( ... ) if ( ... ) it concerns acts of which the defendant is accused, the credibility of testimony etc. " 10. Het EHRM heeft in zijn arrest inz. Edwards nader bepaald tot welke stukken de verdediging toegang behoort te hebben. Het overwoog (r.o. 36): "The Court considers that it is a requirement of fairness under paragraph 1 of Article 6 ( ... ) that the prosecution authorities disclose to the defence all material evidence for or against the accused and that the failure to do so in the present case gave rise to a defect in the trial proceedings". 11. En in haar rapport in de zaak-Mulders oordeelde de ECRM (1, onder b, vijfde alinea): "The documents submitted by the applicant disclose no appearance of a violation of the principle of equality of arms. It has not been alleged that the prosecution had used material which the applicant was unaware of, nor that the applicant's conviction was based on evidence that he could not challenge. It had furthermore not been argued that during the proceedings the domestic courts placed the prosecution in a more advantageous position than the applicant". 12. De verdachte heeft, ter voorbereiding van de verdediging, dus het recht kennis te nemen van de resultaten van het onderzoek in zijn zaak. Wanneer een document betrekking heeft op de feiten waarvan hij wordt beschuldigd of de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen raakt, moet de verdachte over dat document kunnen beschikken. Het is nl. te beschouwen als 'material evidence' en het verzuim van de vervolgende instanties hem met het bestaan ervan bekend te maken levert schending van art. 6 EVRM op. 13. Dat betekent dat in de zaak van verzoeker het recht op informatie zich niet beperkte tot het kennis nemen van de processen-verbaal waarin (de resultaten van) het gebruik van de fotoboeken is gerelateerd. Ook de fotoboeken - 'material evidence' ter zake van de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde herkenningen van verzoeker - mochten de verdediging, nu zij de betrouwbaarheid van de herkenning wenste te onderzoeken, niet in enige vorm worden onthouden. 14. In de laatste zin heb ik met opzet geschreven niet onthouden aan de "verdediging" in plaats van niet onthouden aan de "verzoeker". Het is immers de vraag of het boven omschreven recht op kennisneming van het belastend materiaal betekent dat de verdachte onder alle omstandigheden het recht heeft persoonlijk van dat materiaal, in casu de fotoboeken, kennis te nemen. Die vraag moet, zo meen ik, ontkennend worden beantwoord. Zoals het recht tot ondervraging ook door de raadsman/raadsvrouwe buiten aanwezigheid van de verdachte kan worden uitgeoefend, zo kan ook de kennisneming van bepaalde stukken door de raadsman/raadsvrouwe voldoende zijn om aan de vereisten van een eerlijk proces te voldoen. 15. Ik wil de raadsvrouwe onmiddellijk toegeven dat een dergelijke beperking van het recht op kennisneming onder omstandigheden een handicap voor de verdediging kan opleveren. Of die beperking aanvaardbaar is, hangt af van de mate waarin de verdediging wordt gehandicapt bezien in samenhang met de redenen waarom die beperking wordt toegepast. 16. Hier is het hof met de rechtbank van mening dat het belang van verzoeker bij inzage van de fotoboeken moet worden afgewogen tegen
- a)het belang van de politie dat niet bij verzoeker en vervolgens anderen bekend wordt wie de politie als mogelijk bij [A] betrokken personen heeft geregistreerd en
- b)het belang van de privacy van de andere geportretteerden. 17. s' Hofs oordeel dat de belangen die zich verzetten tegen kennisname van de fotoboeken door verzoeker zwaarder wegen, acht ik niet onbegrijpelijk. De verdediging heeft ook niet duidelijk gemaakt, waarom het in dit geval voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenning belangrijk zou zijn dat ook verzoeker dat fotoboek kon zien. 18. In dit verband noem ik van de rechtspraak van de Hoge Raad over afweging van de belangen van de verdediging tegen andere belangen: NJ 1993, 209 (beletten van vraag naar observatiemethode), NJ 1994, 745 (beletten van vraag naar herkomst van observatiepost) en HR 5-12-1995, nr. 100.055 (ten aanzien van de vorm waarin waarnemingen door observanten op de voet van art. 152 Sv worden vastgelegd mag in redelijkheid rekening worden gehouden met het algemene belang dat ten dienste van de opsporing van ernstige misdrijven inlichtingenbronnen blijven bestaan door hun anonimiteit te waarborgen en de kans op wraakacties te vermijden en met het belang dat de effectiviteit van de opsporing niet wordt bedreigd) . 19. Ik acht de onder
- a)geformuleerde klacht niet gegrond, nu - achtereenvolgens op de drie punten ingaand - (
- i)de verdediging toegang had tot het materiaal, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, (
- ii)de verdediging aldus ook in zoverre de bewijsvoering kon controleren en (iii) er van bevoordeling van het openbaar ministerie boven de verdediging dus geen sprake is geweest. 20. De onder (
- b)verwoorde klacht - het hof had het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten verklaren nu de vervolging in hoge mate steunde op herkenningen uit de fotoboeken, die het weigerde aan het dossier toe te voegen - faalt om dezelfde reden. Van schending van het recht op een eerlijk proces door deze handelwijze van het openbaar ministerie is geen sprake. 21. Klacht (
- c)luidt: ten onrechte heeft het hof het belang van de verdediging bij voeging van de fotoboeken in het dossier afgewogen tegen het algemene opsporingsbelang dat zich daartegen zou verzetten. Die afweging moest door de politie worden gemaakt op het moment dat zij besloot de fotoboeken aan getuigen en aangevers te laten zien. Toen zij dat deed konden de fotoboeken niet meer als "opsporingsmiddel voor toekomstige verdachten" verborgen gehouden worden. Bovendien is 's hofs argument dat ook de privacy van personen wier foto's in de fotoboeken zijn opgenomen zich tegen het verlenen van inzage daarin aan de verdachte verzet, niet overtuigend. 22. Onderdeel (
- c)faalt omdat het aan de rechter is om te beoordelen of eventuele beperkingen van de rechten van de verdediging zodanig zijn dat de verdachte geen eerlijk proces meer heeft. Ik heb hierboven al uiteengezet dat hier van een onaanvaardbare beperking van de rechten van de verdediging geen sprake is geweest en dat de uitkomst van de belangenafweging niet onbegrijpelijk is. 23. De klacht onder (
- d)- ten onrechte heeft het hof geoordeeld dat het belang van verzoeker bij inzage in de fotoboeken er (alleen) in bestond 'te kunnen vaststellen of deze boeken evenwichtig zijn samengesteld op een wijze die een betrouwbare herkenning waarborgt' en dat door weigering van inzage door de raadsvrouwe ter zitting verzoeker niet langer in zijn belangen was geschaad - faalt, omdat niet valt in te zien dat de raadsvrouwe na kennisneming van de fotoboeken niet in staat zou zijn geweest op grond daarvan de kwaliteit van het geselecteerde materiaal aan te vechten, voor zover daartoe aanleiding was. 24. Voor zover klacht (
- e)niet samenvalt met middel 2, volgt uit het voorafgaande dat ook dit onderdeel van het eerste middel niet kan slagen. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 25. Het tweede middel houdt de klacht in dat tot het bewijs van het onder 3 telastegelegde feit ten onrechte het ambtsedig proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerd proces-verbaal, p. 32) is gebezigd, dat de verklaring van [slachtoffer 1] inhoudt dat hij verzoeker bij een spiegelconfrontatie herkent. 26. Bij de beoordeling van het middel moet allereerst de daarin onder (
- c)vervatte klacht worden beschouwd. Die houdt in dat de verklaring van [slachtoffer 1] het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van verzoeker bij het onder 3 telastegelegde feit kan blijken, althans dat het bewijs daarvan 'mainly' op die verklaring berust, en de verdediging - hoewel daarom bij de RC en in hoger beroep is verzocht - niet in de gelegenheid is geweest [slachtoffer 1] te ondervragen, terwijl het door deze geleverde bewijs ook niet indirect op de proef kon worden gesteld. 27. Het bewijs van het onder 3 telastegelegde berust op de volgende bewijsmiddelen: (
- a)De verklaring van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep dat 'het kan zijn' dat hij ten tijde van zijn aanhouding een visitekaartje van [betrokkene 1] van [B] BV in zijn bezit had (bewijsmiddel 7). (
- b)De door [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, voor zover inhoudende dat hij op 9 september 1993 samen met [slachtoffer 1] ' [betrokkene 2] ' (d.i. [betrokkene 2] ; vgl. bewijsmiddel 9.1, JWF) was tegengekomen en dat, toen deze was weggegaan, [slachtoffer 1] en hij door een aantal mannen zijn benaderd. Die mannen zeiden dat zij hun handen omhoog moesten doen en toen zij naar een portiek waren gelopen werd van [slachtoffer 2] een mapje met zijn rijbewijs en andere papieren afgepakt (bewijsmiddel 8). (
- c)Het ambtsedige proces-verbaal van de [verbalisant 1] en een andere bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerd p. 76 e.v.) voor zover inhoudende: (
- i)als verklaring van [slachtoffer 1] dat hij op 9 september 1993 op verzoek van [betrokkene 2] naar een café [C] te [plaats] is gegaan en dat hij samen met [slachtoffer 2] buiten heeft gewacht. Toen [betrokkene 2] was weggegaan kwamen in totaal zes personen met getrokken pistool op hen toegelopen. Drie van hen duwden hem in de richting van een portiek, de andere drie bedreigden [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] werd onder andere bedreigd door een man met een bril, die zei dat zij van [A] waren en die hem een rijbewijs, een post-identiteitsbewijs, een HTM-abonnement en een aantal papiertjes met adressen afnam. Ook [slachtoffer 2] werd gefouilleerd. De man met de bril bedreigde [slachtoffer 1] met de door als hij naar de politie zou gaan (bewijsmiddel 9.1). (
- ii)als verklaring van [slachtoffer 2] (doorgenummerd p. 82 e.v. ) dat zes personen met een pistool in de hand uit café [C] kwamen en op [slachtoffer 1] en hem toeliepen (bewijsmiddel 9.2). (
- d)Het ambtsedige proces-verbaal van de [verbalisant 3] en andere bevoegde opsporingsambtenaren voor zover inhoudende: (
- i)als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerd p. 32) dat [slachtoffer 1] door middel van een confrontatiespiegel met verzoeker is geconfronteerd en toen heeft verklaard dat verzoeker de man met de bril is die hem heeft bedreigd (bewijsmiddel 10.1). (
- ii)als relaas van de [verbalisant 3] (doorgenummerd, p. 19) dat hij onder verzoeker een visitekaartje van [betrokkene 1] van [B] BV in beslag heeft genomen en dat die [betrokkene 1] de compagnon van [betrokkene 2] is (bewijsmiddel 10.2). 28. Alleen [slachtoffer 1] spreekt van zes mannen, van wie er een - degene die hem met een pistool bedreigde - een bril droeg en die hij vervolgens als verzoeker herkent. Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 2] blijkt niet hoeveel mannen hem en [slachtoffer 1] hebben bedreigd en evenmin spreekt [slachtoffer 2] van een man met een bril. En ook uit de omstandigheid dat onder verzoeker een visitekaartje ten name van de compagnon van [betrokkene 2] in beslag is genomen kan niet rechtstreeks van verzoekers betrokkenheid bij het onder 3 telastegelegde feit blijken: weliswaar hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaard dat zij kort voor zij door een aantal mannen werden bedreigd [betrokkene 2] hebben getroffen, heeft verzoeker niet weersproken dat hij ten tijde van zijn aanhouding - drie maanden na het feit - het visitekaartje van diens compagnon in zijn bezit had en heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hem door de man met de bril papiertjes met adressen zijn afgenomen, daaruit volgt niet dat verzoeker [slachtoffer 1] het visitekaartje heeft afgenomen. Het aantreffen van het visitekaartje is in de bewijsvoering niet meer dan een aanwijzing dat verzoeker ter plaatse is geweest ten tijde van het feit. Bewijsmiddel 10.1 is dus het enige waaruit verzoekers betrokkenheid bij het onder 3 telastegelegde feit rechtstreeks volgt. 29. In het dossier liggen twee brieven van de rechter-commissaris aan de raadsvrouwe van verzoeker. In de eerste brief, die is gedateerd 7 januari 1994, deelt de rechter- commissaris de raadsvrouwe mede [slachtoffer 1] op 19 januari te willen horen, in de tweede brief, gedateerd 20 januari 1994, deelt zij de raadsvrouwe mede [slachtoffer 1] op 27 januari te willen horen. Niet blijkt dat [slachtoffer 1] bij een van die gelegenheden door de rechter- commissaris is gehoord. 30. Voorts bevindt zich een brief van de raadsvrouwe aan de procureur-generaal van 13 januari 1995 in het dossier, waarin zij verzoekt [slachtoffer 1] op te roepen ten einde ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gehoord. Bij brief van 18 januari 1995 heeft de procureur-generaal geantwoord dat hij naar aanleiding van het verzoek van de raadsvrouwe heeft geïnformeerd bij de politie en dat daarbij gebleken is dat [slachtoffer 1] niet bij de vreemdelingenpolitie stond ingeschreven en zijn woon- of verblijfplaats ook anderszins niet te achterhalen bleek. Niettemin heeft de procureur-generaal [slachtoffer 1] voor de terechtzitting in hoger beroep laten oproepen, maar hij is niet verschenen. 31. Ter zitting heeft de raadsvrouwe gepersisteerd bij haar verzoek, waarop het hof het verzoek heeft afgewezen. Nu uit de brief van de procureur-generaal bleek dat [slachtoffer 1] geen bekende woon- of verblijfplaats had en niet over een verblijfsvergunning beschikte achtte het hof het onaannemelijk dat [slachtoffer 1] binnen een aanvaardbare termijn wel zou verschijnen, waardoor hernieuwde oproeping zinloos was. 32. In zijn arrest van 1 februari 1994, NJ 1994, 427 besliste de Hoge Raad dat het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar is met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder 3 EVRM. Van zodanige onverenigbaarheid is in elk geval geen sprake als de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij ter terechtzitting (in eerste aanleg en/of in hoger beroep; vgl. HR NJ 1994, 159), hetzij daarvoor - de gelegenheid heeft gehad een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Daartoe mag van de verdediging in de regel het nodige initiatief worden verwacht. Vgl. (COM voor) HR NJ 1992, 481. Voorts oordeelde de Hoge Raad dat het niet ongeoorloofd is een verklaring als hiervoor bedoeld tot het bewijs te bezigen indien de gelegenheid die verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten weliswaar heeft ontbroken maar die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. 33. In de zaak van verzoeker heeft de verdediging geen enkele gelegenheid gehad de door [slachtoffer 1] bij de politie afgelegde verklaring dat hij verzoeker herkent, op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door [slachtoffer 1] als getuige te (doen) ondervragen: noch bij de rechter-commissaris noch ter terechtzitting in hoger beroep is hij verschenen. De verdediging beschikte ook niet over een andere, toereikende mogelijkheid om de verklaring van [slachtoffer 1] te bestrijden; vgl. mijn conclusie voor HR NJ 1992, 481. Met name het verhoor van [slachtoffer 2] kan niet als zodanig gelden nu deze, toen hem het ook aan [slachtoffer 1] getoonde fotoboek werd voorgehouden, verzoeker niet herkende. En nu - naar uit hetgeen ik onder 28 schreef volgt - de verklaring van [slachtoffer 1] niet in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, kan niet onder verwijzing naar HR NJ 1994, 427 worden gesproken van een geval waarin van schending van het recht op een 'fair trial' zeker geen sprake is. 34. Dat wil nog niet zeggen dat er geen eerlijk proces is geweest. In de rechtspraak van het EHRM wordt schending van dit recht door het niet kunnen horen van getuigen vooral aangenomen, indien het recht op ondervraging door de verdediging niet kon worden uitgeoefend door toedoen van de justitiële autoriteiten (al waren daarvoor begrijpelijke gronden, zie bijv. EHRM NJ 1993, 707 nt. EAA (Windish) en 1994, 358 nt. Kn (Saïdi)). In zaken, waarin de vervolgende instantie daar buiten stond, bijv. Unterpertinger (NJ 1988, 745), Asch (NJ 1993, 710 en Arntner (Human Rights Law Journal 1992, p. 461-463) was het Hof veel terughoudender met het aannemen van schending van art. 6. Zo heeft m.i. in de zaak Unterpertinger de doorslag gegeven dat de verdediging ook de mogelijkheid was onthouden de betrouwbaarheid van de (niet gehoorde) getuigen te betwisten door daarover andere getuigen te doen horen. 35. Dat neemt niet weg dat uit de zaken Asch en Arntner kan worden opgemaakt dat substantieel steunbewijs nodig is - hier te meer nu de zaak "hangt" op een herkenning van verzoeker als de dader - en dat moet worden vastgesteld dat dit in deze zaak ontbreekt. Het aantreffen van het "visitekaartje", zoals dat door het hof voor het bewijs is gebruikt, is daarvoor niet voldoende. Ik acht het tweede middel gegrond. 36. Nu de het tweede middel doel treft, kan het bestreden arrest niet in stand blijven en behoeven de middelen voor het overige slechts een zeer summiere bespreking. 37. Middel 3 is gegrond: de motivering van de verbeurdverklaring van het visitekaartje is onbegrijpelijk. Middel 4 faalt: geen rechtsregel verplichtte het hof de jaren eerder mogelijk ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis thans in mindering te brengen, zodat het hof kon volstaan met de gegeven motivering. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof ten einde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan en verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Vgl. De Duitse rechtspraak die dezelfde eis stelt. Zie Beck'sche Kurz-Kommentare, Stafprozessordnung, 42e Auflage, par. 250; Roxin, Strafverfahrensrecht, 24e Auflage, p. 69-71.