Rekest nr. 8637 Parket, 5 februari 1996 Mr De Vries Lentsch-Kostense Conclusie inzake [de vrouw] tegen [de man] Edelhoogachtbaar College, Inleiding
(1981), p. 517 e.v.) Door, zoals in casu, in zijn uitspraak uitdrukkelijk te verwijzen naar het beding van niet-wijziging of in zijn beslissing ‘’te verstaan’’ dat de alimentatie niet op grond van gewijzigde omstandigheden kan worden gewijzigd, legt de rechter vast dat van een dergelijke verdergaande strekking geen sprake is. Door in zijn uitspraak aan dat beding te refereren kan de rechter — die zelf niet kan bepalen dat zijn uitspraak betreffende levensonderhoud niet voor wijziging vatbaar is — naar mijn oordeel echter geen rechtsgeldigheid verschaffen aan een ter zitting mondeling overeengekomen beding van niet-wijziging dat rechtsgeldigheid ontbeert omdat het niet schriftelijk is aangegaan. De aan het litigieuze vormvoorschrift ten grondslag liggende ratio staat daaraan in de weg. De schriftelijke vorm is immers niet voorgeschreven met het oog op te verwachten bewijsproblemen of in verband met vereisten van publiciteit; het dient, zoals hiervoor bleek, ter bescherming van partijen zelf. De rechterlijke uitspraak kan naar mijn oordeel dan ook niet in de plaats komen van een door partijen zelf ondertekend stuk. Partijen worden niet tegen overijling beschermd ingeval de rechter in zijn uitspraak aan het beding refereert. Ook het feit dat het beding ter zitting — in het bijzijn van rechter en raadsman — mondeling is overeengekomen behoeft op zichzelf niet steeds een garantie tegen een zekere mate van overijling te zijn.
- Aan het vereiste van de schriftelijke vorm zou wel zijn voldaan — ik merk dat volledigheidshalve op — ingeval het van de zitting opgemaakte proces-verbaal mede door of namens partijen zou zijn ondertekend. Dat is in casu echter niet geschied. Rechtbank en Hof hebben in hun beschikkingen dan ook niet naar het proces-verbaal verwezen. De steller van het middel heeft in dit verband — terecht — nog erop gewezen dat wordt aangenomen dat naar oud recht ook geen sprake kon zijn van een rechtsgeldig overeengekomen dading (waarvoor een geschrift bestaansvoorwaarde was) in geval partijen tijdens een comparitie een schikking bereikten en het van die comparitie opgemaakte proces-verbaal niet door of namens partijen zelf doch slechts door de rechter en de griffier was ondertekend; zie Asser-Kamphuisen, 1960, p. 808–809, met verdere verwijzingen.
- Ik kom tot de conclusie dat 's Hofs beschikking niet in stand kan blijven voor zover daarbij is geoordeeld dat het beding van niet-wijziging rechtsgeldig is gemaakt. Na verwijzing zal alsnog moeten worden beslist op het verzoek van de vrouw tot wijziging van de alimentatie op de voet van art. 1:401 BW. Conclusie Het middel gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,