nr. 16.506 zitting 14 november 1997 Mr. Hartkamp Conclusie inzake [eiser] tegen Fiat Credit Nederland B.V. Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop 1) De door de Kantonrechter te Brielle in zijn tussenvonnis van 4 oktober 1994 weergegeven feiten (r.o. 2) zijn in hoger beroep door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam in het bestreden vonnis van 15 augustus 1996 verkort weergegeven (r.o. 4.1). Voor zover in cassatie nog van belang, gaat het om het volgende.Op 29 maart 1993 heeft eiser in cassatie, [eiser] , een Alfa Romeo (bouwjaar 1991, kenteken [002] , drie maanden BOVAG-garantie) in huurkoop gekocht van Alfa Romeo dealer [A] , h.o.d.n. [A] ”. De koopprijs bedroeg ƒ 22.750,--, welk bedrag werd gefinancierd door verweerster in cassatie, FCN.De schriftelijk tussen [eiser] (“Klient”), FCN en [A] (“Leverancier”) opgemaakte huurkoopovereenkomst (prod. 8 bij de dagvaarding in eerste aanleg) bepaalde onder meer: “Klient verklaart hierbij van Leverancier in huurkoop te hebben gekocht en in ontvangst te hebben genomen:Een personenauto (…) hierna te noemen ‘de zaak’, voor de aan Leverancier verschuldigde kontante prijs zoals vermeld in de kredietberekening.Hiervan voldoet Klient zelf bij ondertekening het bedrag zoals vermeld achter ‘+/-‘. Door FCN wordt het restant zoals vermeld achter ‘kredietbedrag’ in opdracht en ten behoeve van Klient rechtstreeks aan Leverancier voldaan. FCN verstrekt aan Klient ter zake van deze huurkoop een krediet ter grootte van het vermelde kredietbedrag. (…) Leverancier draagt aan FCN over het eigendomsrecht van de zaak. Deze overeenkomst is aangegaan op bijgevoegde Algemene Voorwaarden.” De in de overeenkomst opgenomen kredietberekening luidde: “Kontante prijs f 22.750,00 +/- f 282,22 Kredietbedrag f 22.467,78 Kredietvergoeding f 8.017,72 Restant koopsom f 30.485,50 Aantal termijnen 36 Termijnbedrag, eerste f 478,00 Termijnbedrag, tweede e.v. f 514,50 (…) Tegelijk met de laatste termijn vervalt de slot-termijn ad f 12.000,00.” Artikel 6 van de bij deze overeenkomst behorende algemene voorwaarden luidde: “Klient verklaart de zaak in goede staat te hebben ontvangen; hij ontheft FCN van elke vrijwaring, ook die wegens enig zichtbaar of verborgen gebrek; hij verklaart, dat de garantie terzake van de geleverde zaak tussen hem en Leverancier en/of fabrikant naar genoegen is geregeld en dat FCN nimmer op enigerlei wijze aansprakelijk zal zijn voor welke klacht dan ook betreffende de in huurkoop geleverde zaak. Klient doet afstand van elke aktie tot ontbinding van deze overeenkomst op grond van niet behoorlijke levering, ondeugdelijkheid of gebreken van de zaak; hij verklaart zich op geen grond door kompensatie of anderszins aan zijn betalingsplicht te zullen onttrekken.” Na keuring door de ANWB op 27 oktober 1993 was aan [eiser] gebleken dat de auto aanzienlijke schade had gehad en dat hij als gevolg daarvan total-loss was verklaard (vgl. prod. 5 en 6 bij de dagvaarding in eerste aanleg). Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt. 2) Bij dagvaarding van 3 februari 1994 vorderde [eiser] , zowel jegens [A] als jegens FCN, ontbondenverklaring, althans ontbinding van de huurkoopovereenkomst. Over deze vordering merkt de kantonrechter, in hoger beroep onbestreden, op (r.o. 6.1): “Hoewel [eiser] zulks niet uitdrukkelijk in het petitum van de dagvaarding onder woorden heeft gebracht neemt de kantonrechter, gelet op wat hij ter adstructie van de vordering heeft gesteld, aan dat hij onder 1. van dat petitum bedoeld heeft te vorderen:ontbondenverklaring dan wel ontbinding wegens tekortkoming dan wel vernietiging wegens dwaling c.q. bedrog.” Voorts vorderde hij jegens [A] een schadevergoeding van ƒ 1274,35 en jegens FCN terugbetaling van de betaalde aflossingstermijnen, zijnde in totaal ƒ 3535,--. [eiser] betoogde dat hij, gezien het verleden van de auto en een aantal als gevolg daarvan opgetreden gebreken, geen enkel vertrouwen meer had in de auto, dat hij daarom de huurkoopovereenkomst ongedaan wilde maken en dat hij de auto daartoe zowel aan [A] als aan FCN ter beschikking had gesteld.Zowel [A] als FCN voerden verweer tegen deze vordering. Voor zover in cassatie nog van belang betoogde FCN daarbij dat [eiser] ’ eis tegen haar het wezen van de tussen partijen gesloten overeenkomst miskende. Tussen haar en [eiser] bestond uit hoofde van deze overeenkomst slechts de verplichting van FCN om aan [A] de koopprijs te voldoen tegenover de verplichting van [eiser] om aan FCN de overeengekomen termijnen terug te betalen. Nu FCN haar deel van de overeenkomst was nagekomen was ook [eiser] jegens haar gehouden zijn verplichtingen na te komen. Van enige tekortkoming, dwaling of bedrog was in dit verband geen sprake, zodat [eiser] zich daarop ook niet kon beroepen jegens FCN. Voorts beriep FCN zich op het geciteerde art. 6 van de bij de huurkoopovereenkomst behorende voorwaarden. Ook deze bepaling zou het [eiser] niet mogelijk maken om FCN de problemen met betrekking tot de auto tegen te werpen. Nu [eiser] zijn aflossing aan FCN had gestaakt, vorderde FCN in reconventie betaling van de resterende termijnen ad in totaal ƒ 22.691,38, vermeerderd met rente en kosten. 3) De kantonrechter achtte, gelet op prijs en bouwjaar van de auto, aannemelijk dat de overeenkomst ten aanzien van [A] in ieder geval vernietigbaar zou zijn op grond van dwaling. Ten aanzien van de gevorderde ontbinding met schadevergoeding overwoog hij dat op [eiser] de bewijslast zou rusten het causale verband tussen de gebreken en de eerdere aanrijding te bewijzen (r.o. 6.5 en 6.6). Wat FCN aangaat overwoog de kantonrechter (r.o. 6.7): “Hoewel het kennelijk de bedoeling van partijen is geweest dat FCN in ieder geval geen risico zou lopen is het denkbaar dat de consequentie van de eventuele aanvaarding van het beroep op dwaling (te weten: vernietiging) ook ten aanzien van FCN geldt en wel om twee redenen:in de eerste plaats omdat het voor de hand ligt dat [eiser] , indien hij vanwege de voorgeschiedenis van de auto deze niet in huurkoop van [A] zou hebben willen verwerven, terzake ook geen financieringsovereenkomst met FCN zou hebben gesloten en FCN had (gelet op de hoogte van de koopprijs en de leeftijd van de auto) in ieder geval moeten begrijpen dat [eiser] van het sluiten van de overeenkomst zou zijn afgehouden indien hij had geweten dat de auto eerder total-loss was geweest en ook FCN moet derhalve worden geacht van dezelfde onjuiste veronderstelling als [eiser] ten aanzien van de voorgeschiedenis van de auto te zijn uitgegaan;in de tweede plaats omdat de belangen tussen partijen- door de wijze waarop zij de financiering juridisch in het vat hebben gegoten – zo verweven zijn, dat niet aanstonds duidelijk is hoe de overeenkomst voor wat betreft de relatie tussen enerzijds [eiser] en [A] wordt vernietigd c.q. ontbonden maar anderzijds tussen [eiser] en FCN en [A] en FCN in stand zou kunnen worden gelaten." Volgens de kantonrechter stond ook art. 6 van de algemene voorwaarden niet aan dit oordeel in de weg (r.o. 6.8). Alvorens de zaak verder te beslissen bepaalde de kantonrechter vervolgens een inlichtingen- en schikkingscomparitie. 4)Tegen dit vonnis stelde FCN hoger beroep in, waarbij zij drie grieven naar voren bracht. De eerste grief richtte zich tegen de hiervoor geciteerde r.o. 6.7 waar de kantonrechter overwoog dat [eiser] mogelijk ook terzake de financieringsovereenkomst met FCN had gedwaald (“in de eerste plaats …”). De tweede grief richtte zich tegen het vervolg van deze overweging, waar de kantonrechter oordeelde dat ook op grond van de verwevenheid van de relaties tussen de bij de overeenkomst betrokken partijen mogelijk de vernietiging of ontbinding jegens [A] ook gevolgen had voor de relatie tussen [eiser] en FCN (“in de tweede plaats….”). De derde grief tenslotte richtte zich tegen het oordeel van de kantonrechter over art. 6 van de algemene voorwaarden. 5) De rechtbank kwam tot een ander oordeel dan de kantonrechter. In r.o. 4.2 overwoog zij dat [eiser] had betoogd dat hij: “.. niet langer is gehouden tot terugbetaling van bedoeld krediet omdat hij de huurkoopovereenkomst inclusief de financieringsovereenkomst per 13 oktober 1993 op grond van dwaling dan wel bedrog buitengerechtelijk heeft ontbonden.” Vervolgens overwoog zij (r.o. 5.1): “De eerste grief treft doel. De rechtbank is met FCN van oordeel dat aan het ten processe bedoelde contract twee overeenkomsten ten grondslag liggen: de koopovereenkomst waarbij de auto aan [eiser] werd geleverd en de financieringsovereenkomst waarbij door FCN krediet aan [eiser] werd verstrekt. Aldus is sprake van een onderscheid tussen de koopovereenkomst en de financieringsovereenkomst. [eiser] heeft zich, teneinde de door hem bij [A] uitgezochte auto te financieren, gewend tot FCN, die het verschuldigde bedrag heeft betaald aan [A] . Ook indien de tussen [eiser] en [A] gesloten koopovereenkomst is/wordt ontbonden blijft de financieringsovereenkomst, die daarmee niet onlosmakelijk is verbonden, in stand; [eiser] is derhalve ook in dat geval niet ontslagen van zijn betalingsverplichting voortvloeiende uit de door hem met FCN gesloten overeenkomst van geldlening.” Volgens de rechtbank stond ook het opschortingsrecht van art. 45 van de op deze huurkoopovereenkomst toepasselijke Wet op het consumentenkrediet niet aan dit oordeel in de weg. Daarvoor zou vereist zijn dat [eiser] het krediet heeft verkregen op grond van een voordien tussen FCN en [A] gesloten overeenkomst terzake exclusieve financiering van afnemers van [A] . Dat van een dergelijke overeenkomst tussen FCN en [A] sprake was, was echter noch gesteld, noch gebleken.Op grond van deze overwegingen vernietigde de rechtbank het vonnis van de kantonrechter voor zover tussen [eiser] en FCN gewezen en wees zij in conventie de vordering van [eiser] tegen FCN af. 6) Tegen dit vonnis heeft [eiser] – tijdig – beroep in cassatie ingesteld, waartoe hij een middel formuleerde dat bestaat uit vier onderdelen. Partijen hebben vervolgens hun stellingen schriftelijk toegelicht en voor re- en dupliek geconcludeerd, waarna zij arrest hebben gevraagd. Bespreking van het cassatiemiddel 7) Voorafgaand aan de behandeling van het middel maak ik enkele algemene opmerkingen over een huurkoopovereenkomst als de onderhavige waarin naast de verkoper en de koper een derde partij optreedt als financier van de koop. Dat de tussen partijen gesloten overeenkomst er een van huurkoop is, is niet in geschil. Partijen hebben hun overeenkomst zelf de naam huurkoopovereenkomst gegeven en gaan ook blijkens het feit dat zij in eerste aanleg voor de kantonrechter hebben geprocedeerd, uit van zijn bevoegdheid terzake van huurkoop (vgl. art. 39 onder 3° RO). Een andere opvatting zou ook niet wel mogelijk zijn. De wettelijke regeling van art. 7A:1576h e.v. BW geldt ook in die gevallen waarin een derde optreedt als financier: hetzij rechtstreeks, hetzij op grond van de bepalingen van art. 7A:1576h lid 2 of 3 BW.Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Wettelijke regeling van de overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling (Stb. 1936, 202) – waarvan de huurkoop een bijzondere vorm is die zich kenmerkt door de uitgestelde eigendomsoverdracht – onderscheidde reeds de wetgever meerdere vormen waarin bij financiering door een derde de drie betrokken partijen hun huurkoopovereenkomst vorm konden geven (zie Bijl. Hand. Tweede Kamer, zitting 1935-1936, nr. 70, Verslag, p. 7). In de eerste plaats is er de vorm waarin de handelaar de huurkoopovereenkomst rechtstreeks met de koper sluit en vervolgens zijn rechten daaruit, alsmede de eigendom van de zaak, overdraagt aan de financieringsmaatschappij. In de tweede plaats kan de handelaar de zaak eerst tegen contante betaling aan de financieringsmaatschappij verkopen, waarna de financieringsmaatschappij een huurkoopovereenkomst sluit met de koper. Een derde variant is die waarin de handelaar de zaak tegen contante betaling verkoopt aan de koper die haar betaalt met van de financier geleend geld, waarna de koper de zaak weer overdraagt aan de financieringsmaatschappij en haar tenslotte terugontvangt in huurkoop. Zie voor deze constructies (en verdere onderscheidingen): Stoffels, Huurkoopfinanciering, WPNR 1964
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.