nr. 16438 zitting 26 september 1997 Mr. Hartkamp Conclusie inzake N.V. Interpolis Schade tegen Nuts Ziektekosten N.V. Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop 1) In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. Op 17 juni 1991, rond 16.40 uur, vond in de [a-straat] te [plaats] een aanrijding plaats tussen [betrokkene 2] - destijds 6 jaar oud - en een door [betrokkene 1] bestuurde Mazda bestelauto. [betrokkene 1] reed niet harder dan 35 kilometer per uur. De [a-straat] ligt in een woonwijk, naast de rijbaan bevindt zich een bakstenen goot. [betrokkene 2] bevond zich op haar fietsje op de oprit van een aldaar gelegen woning in afwachting van haar tante, [betrokkene 3], die op dat moment een ander kind in een kinderstoeltje zette. Door een haag had [betrokkene 1] nauwelijks zicht op deze oprit. Zonder aanleiding is [betrokkene 2] vervolgens van de flauw hellende oprit af de rijbaan opgereden. Haar fietsje is niet verder dan de goot gekomen; aannemelijk is dat zij - door met haar voet te remmen, of door het maken van een te abrupte stuurbeweging, of alleen al door de goot in te rijden - met haar bovenlichaam over het stuur van haar fietsje is geslagen. In ieder geval is zij toen in aanraking gekomen met de bestelauto en ernstig gewond geraakt. De verweerster in cassatie, Nuts, heeft de ten behoeve van [betrokkene 2] gemaakte ziektekosten ten bedrage van f 59.399,93 vergoed. 2) Bij dagvaarding van 11 januari 1993 heeft Nuts de onderhavige procedure ingeleid en van Interpolis, de WAM-verzekeraar van [betrokkene 1] (eiseres tot cassatie), betaling gevorderd van voornoemd bedrag. Gelijktijdig heeft Nuts ook van mevrouw [betrokkene 3] betaling van dit bedrag gevorderd; de vordering tegen haar werd echter afgewezen en speelt in cassatie geen rol meer. Volgens Nuts was Interpolis als WAM-verzekeraar aansprakelijk voor de als gevolg van het ongeval door [betrokkene 2] geleden schade en was Nuts als ziektekostenverzekeraar van [betrokkene 2] gesubrogeerd in deze rechten voor zover zij de medische kosten van [betrokkene 2] had voldaan. Interpolis verweerde zich tegen deze vordering en betoogde daartoe primair dat haar een beroep toekwam op overmacht aan de zijde van [betrokkene 1], nu hem rechtens geen verwijt kon worden gemaakt van het ongeval, en subsidiair dat het ongeval te wijten was aan eigen schuld aan de zijde van [betrokkene 2], nu vóór alles haar feitelijk foutieve weggedrag tot de aanrijding had geleid. Volgens Interpolis kon zij zich in de onderhavige procedure op overmacht en eigen schuld beroepen, nu het niet het kind zelf was dat de vordering had ingesteld, maar de in de rechten van het kind gesubrogeerde verzekeraar, aan wie immers geen beroep toekomt op de specifiek in het belang van het slachtoffer opgestelde zgn. 100%-regel. 3) De Arrondissementsrechtbank te Roermond wees de vordering tegen Interpolis in haar geheel toe. Uitgangspunt voor de rechtbank was haar oordeel dat de gesubrogeerde ziektekostenverzekeraar van een kind alle rechten toekomen die het kind zelf zou hebben (waaronder dus een beroep op de 100%-regel), en voorts dat de aansprakelijkheid van de automobilist in dergelijke zaken neerkomt op een risico-aansprakelijkheid. Volgens de rechtbank kon Interpolis zich daarom niet beroepen op overmacht aan de zijde van [betrokkene 1]. Tegen dit vonnis stelde Interpolis hoger beroep in. Zij stelde zich op het standpunt dat de rechtbank met haar hiervoor weergegeven oordeel de jurisprudentie met betrekking tot geschillen als het onderhavige had miskend, waartoe zij mede verwees naar een drietal na het vonnis door de Hoge Raad gewezen arresten van 2 juni 1995, RvdW 1995, 118-120. Blijkens haar memorie van antwoord (nr. 3) was ook Nuts van oordeel dat het vonnis van de rechtbank in strijd was met de uit voornoemde arresten blijkende opvatting van de Hoge Raad. Men zie over deze materie uitvoeriger mijn conclusie van heden in de zaak Terminus/ZAO, rolnr. 16432. 4) Het Gerechtshof te Den Bosch vernietigde dan ook in zijn arrest van 10 juni 1996 het rechtbankvonnis en veroordeelde Interpolis tot betaling van de helft van het van haar gevorderde bedrag, zijnde f 29.699,97. Het hof nam tot uitgangspunt dat de rechtspositie van de regres nemende verzekeraar in een geval als het onderhavige niet gelijk is aan die van het slachtoffer. Vervolgens overwoog het hof: "4.5. Opzet of roekeloosheid is in dit geval niet aan de orde. Ingevolge de arresten van 2 juni 1995 moet eerst worden onderzocht in welke mate enerzijds het weggedrag van het kind en anderzijds de wijze van rijden van het motorrijtuig gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven heeft geroepen. Het hof stelt vast dat het eigen gedrag van [betrokkene 2] - los van de vraag of dat haar, gezien haar leeftijd, kan worden verweten - heeft bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding. [betrokkene 2] reed immers vanaf de oprit de rijbaan op, zonder voorrang te verlenen aan de Mazda. Anderzijds heeft de bestuurder van de Mazda nagelaten om rekening te houden met mogelijk verkeer vanuit de oprit. Weliswaar is aannemelijk dat door de haag [betrokkene 2] zelf voor [betrokkene 1] niet zichtbaar was toen zij zich nog op de oprit bevond, maar in een rustige woonstraat zijn op en rond de rijbaan spelende kinderen geen ongebruikelijk verschijnsel; mede gezien de overgelegde foto's van de plaatselijke situatie, moet [betrokkene 1] bovendien kenbaar geweest zijn dat wederzijds zichtcontact tussen kruisend verkeer vanaf de oprit (zelfs bijvoorbeeld een van de oprit afrijdende automobilist) en hemzelf pas op het allerlaatste moment zou plaatsvinden, met alle gevolgen van dien voor de noodzakelijke remweg. Van [betrokkene 1] mocht anticiperend rijgedrag verwacht worden, bijvoorbeeld door langzamer rijden, claxonneren en/of door iets naar links uit te wijken. Een en ander in verband beschouwd, is - in de onderlinge verhouding - het ontstaan van de aanrijding voor iets meer dan de helft veroorzaakt door het weggedrag van [betrokkene 2] en voor iets minder dan de helft door het onvoldoende anticiperend rijgedrag van [betrokkene 1]. Het beroep op overmacht in de zin van art. 31 lid 1 WVW-oud is hiermee verworpen. In het kader van het zesde lid van dat artikel komt het hof, om onderstaande reden, uit op een verdeling bij helfte. 4.6. De arresten van 2 juni 1995 laten de mogelijkheid bestaan dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt (of juist in stand blijft) indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. De ernst van de wederzijds gemaakte fouten geeft in casu geen aanleiding tot zo'n correctie. De omstandigheden van het geval geven het hof in casu aanleiding de schade voor 50% toe te rekenen aan [betrokkene 1] (Interpolis) en voor 50% ten laste te laten van Nuts: naast het beperkte inzicht dat een kind van de leeftijd van [betrokkene 2] heeft in het aan zijn gedragingen verbonden gevaar en het beperkte vermogen zich naar dat inzicht te gedragen, is aannemelijk dat [betrokkene 2] op deze flauwe helling ook fysiek onvoldoende in staat is geweest haar fietsje op tijd tot stilstand te brengen. Ook in de rechtsverhouding tussen een regres nemende verzekeraar en de (W.A.M. - assuradeur van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.