Nr. 31.161 Mr Van den Berge Derde Kamer A Conclusie inzake: inkomstenbelasting 1993 de staatssecretaris van Financiën Parket, 24 oktober 1996 tegen: X B.V. Edelhoogachtbaar College, 1. Inleiding 1.1. Art. 40a Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) biedt een tegemoetkoming bij de overname van de aandelen van een mede-aandeelhouder via een daartoe opgerichte (houdster)vennootschap, gevolgd door ruil van de eigen aandelen tegen aandelen in die nieuwe vennootschap. De tegemoetkoming bestaat hier in, dat die ruil niet als een vervreemding van aandelen (art. 39 Wet IB 1964) wordt beschouwd. De heffing wordt opgeschort: de nieuwe aandelen krijgen de verkrijgingsprijs van de ingeruilde aandelen (art. 40a, lid 2 Wet IB 1964). De aanmerkelijk belangwinst die de uitgekochte aandeelhouder maakt, wordt normaal belast. 1.2. De vraag die voorligt is, of die faciliteit ook kan worden gebruikt bij echtscheiding, als het gaat om overname van de onverdeelde helft van de aandelen, die op grond van het huwelijksgoederenrecht toekomt aan de andere echtgenoot door middel van wat wordt aangeduid als de 'familierechtelijke holdingconstructie'. Het in de huwelijksgoederengemeenschap vallende pakket aandelen wordt dan eerst verdeeld (bij voorbeeld ieder de helft). Direct daarna neemt de ene ex-echtgenoot via een houdstervennootschap de aandelen van de andere ex-echtgenoot over en ruilt de eerste ex-echtgenoot de hem toegescheiden aandelen tegen aandelen in de opgerichte vennootschap. 1.3. Art. 8b, lid 3 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (Uitv. reg. IB) geeft de mogelijkheid om de vraag of art. 40a Wet IB 1964 ten aanzien van een voorgenomen ruil kan worden toegepast voor te leggen aan de inspecteur en vervolgens aan de rechter. De vraag moet worden gesteld door de vennootschap wier aandelen zullen worden geruild. 2. Feiten en voorgenomen rechtshandelingen 2.1. Het gaat om aandelen X B.V. Aandeelhouders van deze B.V. waren volgens het aandeelhoudersregister D (nominaal ƒ 24.000,-) en E (nominaal ƒ 1.000,-). D en E zijn in 1993 gescheiden. Zij waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. 2.2. Bij boedelscheiding willen zij aan D ƒ 13.000,- aandelen X B.V. toedelen en aan E ƒ 12.000,-. E zal direct daarna haar aandelen verkopen aan een door D op te richten vennootschap. Daarna zal D de hem toegescheiden aandelen X B.V. ruilen tegen aandelen in die zojuist opgerichte vennootschap. 3. Procesverloop 3.1. De zaak is ingeleid met een verzoek ex art. 8b, lid 3 Uitv. reg. IB van X B.V. (hierna: de belanghebbende) inzake de toepassing van art. 40a Wet IB 1964 op die aandelenruil aan (het hoofd van) de eenheid van de Belastingdienst Ondernemingen P (hierna: de Inspecteur). 3.2. De Inspecteur heeft op dit verzoek afwijzend beschikt. 3.3. De belanghebbende heeft tegen die uitspraak tijdig beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof), dat bij uitspraak van 24 februari 1995, nr. 93/3519-M-2 de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en heeft beslist dat art. 40a Wet IB 1964 ten aanzien van de voorgenomen ruil kan worden toegepast. 3.4. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) tijdig en op juiste wijze beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift bevat - de als 'middel' aangeduide inleiding en de daarop als 'toelichting' aangeduide beschouwing als één geheel nemend, één cassatiemiddel, dat twee klachten bevat. 3.5. De belanghebbende heeft een vertoogschrift in cassatie ingediend. 4. In een huwelijksgoederengemeenschap vallende aandelen 4.1. Ingevolge art. 1:94, lid 3 BW "(vallen) (g)oederen (...) die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, (...) slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet." 4.2. Verknochtheid kent gradaties. Het kan zijn dat het verknochte goed niet in de gemeenschap valt, maar wel zijn waarde. Het kan ook zijn dat het goed ondanks zijn verknochtheid wel in de gemeenschap valt, maar dat degene aan wie het verknocht is bij de scheiding van de gemeenschap aanspraak kan maken op toedeling van dat goed (vgl. art. 1:101 BW) . 4.3. Volgens de heersende leer vallen aandelen in de gemeenschap . Zij worden 'gezamenlijke eigendom van man en vrouw' . 4.4. Man en vrouw zijn volgens Van der Grinten 'te zamen aandeelhouder'. Anders ten aanzien van aandelen in een besloten vennootschap Van Mourik , die betoogt dat slechts 'het aandeel als vordering' aan beide echtgenoten toebehoort en dat de andere echtgenoot door de boedelmenging 'niet (...) in een lidmaatschapsverhouding tot de BV komt te staan.' In die zin ook Schwarz met een beroep op art. 1:94 lid 2 BW: "de aandelen (vallen) in de huwelijksgemeenschap (...), doch de zeggenschap is verkleefd aan de persoon van de aandeelhouder, zodat zich in de huwelijksgemeenschap slechts het aandeel als vermogenswaarde bevindt." Instemming vindt men bij Buijn en Westbroek . 4.5. De opvattingen van Van Mourik en Schwarz zijn bestreden door Van der Grinten , Smalbraak en Thielen , die betogen dat de rechten van een aandeelhouder niet in een 'vorderingsrecht' en een 'lidmaatschapsrecht' kunnen worden gesplitst. In die zin ook Luijten en Maeijer . Van der Grinten voert voorts aan dat in de opvatting van Van Mourik een niet te verklaren onderscheid ontstaat tussen aandelen in een N.V. en aandelen in een B.V. Dat bezwaar geldt niet voor het betoog van Schwarz, die slechts doelt op situaties waarin de aandelen in een B.V. op grond van een statutaire blokkeringsregeling (art. 2:195 BW) niet aan de echtgenoot kunnen worden overgedragen . 4.6. Tijdens het huwelijk heeft dit verschil in opvatting voor de praktijk weinig gevolgen, omdat de aandelen in de visie van Van der Grinten c.s. tijdens het huwelijk onder bestuur staan van de echtgenoot die de aandelen heeft aangebracht (art. 1:97, lid 1 BW). 4.7. Na echtscheiding echter, staan de aandelen in de visie van Van der Grinten c.s. zolang de gemeenschap nog niet is gescheiden onder gezamenlijk beheer en bestuur van de ex-echtgenoten (art. 1:191, lid 2 en 3:168 BW). 4.8. Verschil is er ook bij de scheiding van de gemeenschap. De ex-echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap (art. 1:100, lid 1 BW). Bij de verdeling moeten de beginselen van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen (art. 6:2 j? 3:166, lid 3 BW en art. 3:185, lid 1 BW) . Asser-De Ruiter-Moltmaker betogen: "De redelijkheid en billijkheid kan onder bijzondere omstandigheden rechtvaardigen, dat de verdeling anders dan bij helften geschiedt. (...) Art. 181 oud bepaalde dat de verdeling geschiedt 'zonder aanzien der zijde waarvan die goederen zijn voortgekomen'. (...) In beginsel zal ook thans nog hetzelfde gelden, doch in vele gevallen zal op grond van de redelijkheid en billijkheid een uitzondering moeten worden gemaakt. (...)." Zij noemen in dat verband verknochte goederen . Het kan redelijk en billijk zijn, de in de gemeenschap vallende aandelen toe te delen aan de echtgenoot die deze heeft aangebracht en die daarbij het meeste belang heeft , dwingend is dat echter niet. Voorop staat de regel van art. 3:183, lid 1 BW aanhef: "De verdeling kan geschieden op de wijze en in de vorm die partijen goeddunkt (...)". Toedeling aan de andere echtgenoot is dus mogelijk, al kan die echtgenoot vervolgens wel stuiten op een statutaire overdrachtsverplichting . 4.9. Het maakt daarbij geen verschil of men met Van der Grinten c.s. aanneemt dat de aandelen volledig in de gemeenschap vallen of dat men met Van Mourik en Schwarz aanneemt dat slechts 'het aandeel als vorderingsrecht' (door hen ook wel aangeduid als 'de vermogenswaarde van het aandeel') tot de gemeenschap behoort. De laatsten benadrukken weliswaar dat de (ex)echtgenoot die de aandelen heeft aangebracht (en die in hun opvatting aandeelhouder is gebleven) op grond van de redelijkheid en billijkheid aanspraak kan maken op toedeling van de in de gemeenschap vallende aandelen ('als vorderingsrechten') , maar dat sluit, zoals Schwarz ook aangeeft , toedeling aan de andere (ex)echtgenoot niet uit. 4.10. In het onderhavige geval heeft het Hof vastgesteld dat de vrouw zelf één aandeel had. Dat maakt het onaannemelijk - het is ook niet gesteld of gebleken - dat in dit geval van enige relevante statutaire blokkeringsregeling sprake was. In een dergelijk geval acht ik de bezwaren van Van der Grinten c.s. tegen de opvatting van Van Mourik overtuigend. 5. Aandeelhouder ex art. 39 Wet IB 1964 5.1. Houder van een aanmerkelijk belang is degene die voor een bepaald deel van het nominaal gestorte kapitaal onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is geweest (art. 39, lid 3 Wet IB 1964). In HR 20 juni 1963, BNB 1963/313 m.nt. J. van Soest, werd overwogen dat de tussen echtgenoten heersende gemeenschap van goederen tot gevolg had dat de aandelen "gezamenlijke eigendom van man en vrouw worden en dat het aan de aandelen verbonden aanmerkelijk belang voortaan zowel de vrouw als den man aangaat;" In dezelfde zin HR 5 november 1958, BNB 1958/345 m.nt. J. Hollander; HR 25 november 1992, BNB 1993/103 na concl. A-G Verburg en m.nt. N.H. de Vries en ook HR 10 september 1980, BNB 1980/294. Beide echtgenoten zijn derhalve voor de toepassing van art. 39 Wet IB 1964 'aandeelhouder'. Anders dan Blokland en Van Dijck acht ik dat niet zo zeer gegrond op het economische belang van de andere echtgenoot bij de aandelen, alswel op de mede-eigendom van de aandelen (al houdt die mede-eigendom dat economische belang in). 5.2. Komt de gemeenschap van goederen tot een eind, dan nemen (HR 10 september 1980, BNB 1980/294) "de bij de (...) scheiding verkregen aandelen (...) in het vermogen van degeen aan wie ze (worden) toegescheiden de plaats in (...) van het onverdeelde aandeel in elk van die aandelen dat de betrokkene vóór die scheiding had." 6. Art. 40a Wet IB 1964 6.1. Art. 40a is in de Wet IB 1964 opgenomen bij Wet van 7 maart 1991, Stb. 94, als resultaat van een amendement van het Kamerlid Vreugdenhil . Art. 40a was gebaseerd op de regeling, neergelegd in een resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 7 februari 1989, nr. DB 87-5249, BNB 1989/84 . Die resolutie was gebaseerd op art. 63 AWR en men wilde de regeling een (betere) wettelijke basis geven. Art. 40a Wet IB 1964 geeft zoals gezegd (zie par. 1.1.) een faciliteit ten aanzien van de ruil van aandelen in het kader van de overneming van aandelen van een mede-aandeelhouder via een daartoe opgerichte vennootschap. De redenen voor het treffen van die faciliteit zijn uiteengezet in par. 1 van die resolutie en in de toelichting op art. 8b Uitv. reg. IB (de uitwerking van art. 40a Wet IB 1964) . 6.2. De resolutie van 7 februari 1989 had (in de in de BNB gepubliceerde tekst) als opschrift: "Vervreemding van aandelen in een werkmaatschappij aan een houdstermaatschappij in het kader van een zgn. gefacilieerde aandelenruil". Par. 1, eerste zin, van de resolutie luidde: "Indien een aandeelhouder zijn gehele belang in een vennootschap die een onderneming drijft ("werkmaatschappij") wenst over te dragen kan de verkrijger (....) voor de verkrijging van het belang in de werkmaatschappij gebruik maken van een daartoe opgerichte houdstermaatschappij." Par. 2 van de resolutie gaf als definitie van het begrip 'opvolgingsoverdracht': "een vervreemding van een (...) substantieel belang in een werkmaatschappij aan een houdstermaatschappij (...)". In par. 3 van de resolutie werd een 'substantieel belang' nader omschreven als "aandelen (...) [die] te zamen ten minste een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal in de werkmaatschappij vertegenwoordigen." 6.3. In 1991 werd in Vakstudie Nieuws (blz. 1490, pt. 19) een syllabus afgedrukt, die ten behoeve van de voorlichting van de inspecteurs ten departemente was opgesteld. Daarin werd betoogd (blz. 1494, sub k.): "Voor de toepassing van de faciliteit is de overdracht van een substantieel belang vereist. (...) Er staat niet dat de verkoper(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.