Nrs. 32.104 en 32.105 Mr Van Soest Derde Kamer A Conclusie inzake: Vennootschapsbel. 1990/1992 X B.V. Parket, 16 april 1997 tegen de staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College, I. . Korte beschrijving van de zaken. A. . Tegen de schriftelijke uitspraken van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen het Hof) van 13 februari 1996, nrs. 95/0747 en 95/0748, Fiscaal up to date 18 april 1996, blz. 28, punt 96-917, is door de belanghebbende, X B.V., beroep in cassatie ingesteld. Van het instellen van beroep in cassatie is melding gemaakt in Fiscaal up to date 15 mei 1996, blz. 34, punt 96-1156 . B. . De aandelen in de belanghebbende worden gehouden door A, B en C, ieder voor 33 1/6 %, en de heer D voor 0,5 %. C. . De belanghebbende fungeerde tot 1988 als service-vennootschap voor E B.V., welke vennootschap een reclamebureau exploiteerde. Deze vennootschap, waarin de aandelen waren gecertificeerd, had ten behoeve van haar werknemers een stock-option plan opgezet. Werknemers die door uitoefening van de opties verkregen certificaten wilden verzilveren, konden dit uitsluitend doen door ze aan de belanghebbende te verkopen. D. . De belanghebbende heeft slechts één keer, in 1989, certificaten gekocht, en wel van één werknemer 823 stuks. Deze 823 certificaten vertegenwoordigden 2,01 % van het geplaatste kapitaal van E B.V. E. . Sinds medio 1986 zijn gesprekken gevoerd met verschillende geïnteresseerden, waaronder F PLC, met betrekking tot verkoop van de (certificaten van) aandelen in E B.V. Met F PLC zijn de gesprekken in 1988 afgebroken en in oktober 1989 opnieuw op gang gekomen. F. . De gemachtigde van de belanghebbende heeft op 26 maart 1990 aan het Hoofd van de Belastingdienst/Grote ondernemingen te P (hierna te noemen de Inspecteur) verzocht te verklaren dat het aanhouden van de deelneming in de lijn van de normale uitoefening van haar onderneming ligt in de zin van art. 13, lid 8, Wet op de vennootschapsbelasting 1969, oorspronkelijke - dat is de toen nog geldende - tekst. G. . De Inspecteur heeft op het verzoek een akkoordverklaring afgegeven. H. . De besprekingen met F PLC hebben op 21 mei 1990 tot een overeenkomst geleid. Uit dezen hoofde heeft de belanghebbende in 1990 een winst van ƒ 510.319,- en in 1992 een winst van ƒ 567.409,- gerealiseerd. I. . In geschil is of voor de heffing van de vennootschapsbelasting 1990 en de vennootschapsbelasting 1992 de 823 certificaten E B.V. in handen van de belanghebbende als een deelneming aangemerkt behoren te worden, in welk geval de gerealiseerde winst vrijgesteld is. J. . Het Hof heeft het geschil in het nadeel van de belanghebbende beslecht. K. . Het beroep in cassatie is in beide zaken zonder motivering en voor het overige in overeenstemming met de voorschriften ingesteld. Van de daartoe door de griffier van Uw Raad gegeven gelegenheid is tijdig gebruik gemaakt door inzending van motiveringen. Na deze aanvulling steunt het beroep in cassatie in beide zaken op twee, met Romeinse cijfers genummerde, middelen van cassatie. L. . De staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschriften in cassatie de middelen bestreden. M. . De zaken zijn voor de belanghebbende pro forma bepleit door mr J. J. M. Hertoghs, advocaat te Breda. N. . Min of meer vergelijkbare zaken zijn aanhangig onder de nrs. 32.136 en 32.137 . II. . Middel I, de oneigenlijke deelneming. A. . De bijlage bij deze conclusie bevat gegevens over het houden van aandelenpakketten door vennootschapsbelastingplichtigen. B. . Het beroepschrift inzake 1990 hield in (ik geef nadere vindplaatsen tussen haakjes aan): "(blz. 3) (...) Voorzover van belang in het kader van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling heeft belanghebbende sedert haar oprichting wel degelijk in materiële zin een onderneming uitgeoefend (...) als "vehikel" in het kader van de uitvoering van het personeels- stockoption-plan. (blz. 4) (...) qua importantie was de taak van X B.V. op dit gebied bijzonder groot. (...) het aanhouden van het bezit van aandelen (...) ligt ontegenzeggelijk in de lijn van de normale bedrijfsuitoefening van X B.V. (...)" C. . De Inspecteur betoogde in zijn vertoogschrift inzake 1990 (blz. 3): "(...) 1. (...) In de jaren 1987, 1988 en 1989 dreef belanghebbende geen onderneming. (...) Er werden kleine bedragen aan rente-inkomsten genoten. Het totaal aan kosten overschreed nooit de f 300 per jaar. (...) 2. (...) Er kan onder de omstandigheid dat belanghebbende geen onderneming dreef niet sprake zijn van het aanhouden van aandelen in de lijn van de normale uitoefening van de door belastingplichtige gedreven onderneming. (...) Of het aanhouden van de (in dit geval certificaten van) aandelen in de lijn ligt van een door een (andere) concernvennootschap gedreven onderneming is niet van belang. (...) De rol die belanghebbende speelde in het kader van de aandelenoptieregeling was een passieve: het eventueel tijdelijk overnemen ("stallen") van pakketten certificaten, van werknemers die wensten te verkopen. Van enige materiële inbreng was geen sprake. Het feit dat het certificaten van aandelen betrof zonder stemrecht versterkt deze conclusie. (...)" D. . Het Hof heeft inzake 1990 overwogen: "(blz. 6) (...) 5.3. De activiteiten van belanghebbende bestonden (...) aanvankelijk uit het huren en doorverhuren aan E B.V. van het kantoorpand en enkele auto's (...) Daarnaast hield belanghebbende zich later beschikbaar voor het van werknemers kopen van aandelen. (...) 5.4. (...) belanghebbende [heeft] haar (...) dienstverlenende activiteiten ten behoeve van E B.V. in 1988 beëindigd. Daarna had belanghebbende uitsluitend nog een functie in het kader van de uitvoering van het door E B.V. [ten] behoeve van haar werknemers in het leven geroepen stock-option plan. In dit kader is het (...) pakket eerst in 1989 verkregen. 5.5. Naar het oordeel van het Hof kan het vervullen van deze functie in casu niet als het uitoefenen van een bedrijf worden aangemerkt. Van het daartoe bestaan van een organisatie van kapitaal en arbeid blijkt niet uit belanghebbendes jaarstukken. (...) belanghebbende [genoot] in 1989 en 1990 geen inkomsten. De statutaire directeuren waren onbezoldigd. Er was geen personeel in dienst (...) De facto heeft belanghebbende (...) slechts éénmaal een aankooptransactie verricht. Alsdan kan van een uit het bezit van 823 certificaten (...) voortvloeiende betrekking tussen een bedrijfsuitoefening van belanghebbende en de bedrijfsactiviteit van E B.V. geen sprake zijn. Afgezien daarvan ontbeert een bezit aan certificaten bovendien het stemrecht dat belanghebbende nodig zou hebben om op het bedrijfsbeleid van E B.V. in beginsel invloed te kunnen uitoefenen. (...) Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbendes bezit van 823 certificaten E B.V. niet met een deelne- (blz. 6) ming kan worden gelijkgesteld. (...)" E. . Middel I inzake 1990 houdt in (ik vermeld de vindplaatsen in de aanvulling van het desbetreffende beroepschrift in cassatie): "(blz. 1) (...) verzuim van vormen, nu 's-Hofs oordeel, dat geen sprake is van een (materiële) onderneming in het kader waarvan aandelen E B.V. worden aangehouden, (...) niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, althans onbegrijpelijk is. (...) (blz. 2) Buiten geschil is, dat de Inspecteur - mede blijkens zijn interne aantekeningen - onvoorwaardelijk het standpunt heeft ingenomen dat in casu sprake is van een (materiële) onderneming. De aanwezigheid van een onderneming (...) rechtvaardigt op zich reeds de toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling (...)" F. . De geëerde pleiter voor de belanghebbende betoogt inzake 1990 (Pleitaantekeningen mr Hertoghs): "(blz. 2) (...) 1.3 (...) Belanghebbende verstaat [de] memorie van toelichting aldus dat er twee mogelijkheden zijn: a. een lichaam houdt aandelen aan "ter wille van de daaruit voortvloeiende betrekking tussen de eigen bedrijfsuitoefening en de bedrijfsactiviteit van het andere lichaam"; of b. een lichaam houdt aandelen "zuiver als belegging in waardepapieren". Een lichaam wier aandelenbezit voldoet aan het gestelde sub a. komt in aanmerking voor de deelnemingsvrijstelling (...) 1.4 Blijkens r.o. 5.3, 5.4 en 5.5 onderzoekt het Hof echter niet in welke van beide categorieën het aandelenbezit van belanghebbende thuishoort. Het Hof gaat daarentegen onderzoeken of belanghebbende een "bedrijf" uitoefent en daartoe beschikt over "een organisatie van kapitaal en arbeid". Daaruit zou afgeleid kunnen worden dat het Hof binnen voornoemde categorie a. verdere onderscheiding gerechtvaardigd respectievelijk mogelijk zou achten, zulks ten onrechte. (blz. 3) (...) 1.6 Uitsluitend indien het houden van de aandelen als een belegging van vermogen zou moeten worden aangemerkt, zou voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op een belang van minder dan 5 % geen goede grond bestaan. (...) (blz. 4) 1.7 Aangezien het Hof verzuimt na te gaan of de activiteiten van belanghebbende zijn aan te merken als vermogensbeheer in de hiervoor bedoelde zin, verstaat belanghebbende 's-Hofs uitspraak aldus dat (...) een onjuiste juridische maatstaf is aangelegd. (...) 1.8 Gelet op het voorgaande zou 's-Hofs oordeel dat belanghebbendes activiteiten als belegging van vermogen zouden moeten worden aangemerkt onbegrijpelijk zijn, althans niet naar de eisen der wet met redenen zijn omkleed. 1.9 Indien en voorzover Uw Raad mocht oordelen dat een belastingplichtige die aan voornoemd criterium a. voldoet niet per se in aanmerking komt voor de deelnemingsvrijstelling (...), is de motivering van 's Hofs oordeel dat de functie in het kader van de uitvoering van het optieplan onvoldoende is om voor artikel 13, lid 3 Vpb. te kwalificeren, onbegrijpelijk (...) (blz. 5) (...) De conclusie moet (...) zijn dat er een zeer nauwe relatie bestaat tussen E B.V. enerzijds en belanghebbende anderzijds. (...) 1.10 Gelet op deze gezamenlijke opzet is onbegrijpelijk dat het Hof concludeert dat uit het bezit van de certificaten van aandelen geen betrekking tussen belanghebbende en de bedrijfsactiviteit van E voortvloeit. (...) Door (...) betekenis toe te kennen aan de invloed op de bedrijfsuitoefening hanteert het Hof een onjuiste maatstaf. (...)" G. . Naar het mij voorkomt, kunnen de stellingen van de belanghebbende bezwaarlijk anders verstaan worden dan in deze zin dat haar activiteiten, gericht op de aankoop van eventueel door werknemers van E B.V. aangeboden certificaten van aandelen in die vennootschap, een onderneming vormden. H. . De verwerping van die stellingen door het Hof, hoezeer uitvoerig gemotiveerd, houdt, naar het mij voorkomt, onvoldoende rekening met het klaarblijkelijke belang dat E B.V. eraan hechtte dat de kleine pakketten certificaten niet in andere handen terecht zouden komen dan in die van haar werknemers en van de belanghebbende. I. . Zo opgevat, was de activiteit van de belanghebbende een beschermingsfunctie, die het zou rechtvaardigen het geheel van haar financiële betrekkingen en haar contractuele relaties met E B.V. en eventueel de werknemers van die vennootschap als een organisatie van kapitaal en arbeid en dus als een onderneming te kwalificeren. J. . Daarvan zou dan weer de consequentie zijn dat van de uit dezen hoofde daadwerkelijk verworven certificaten het aanhouden in de lijn ligt van de normale uitoefening van die onderneming. K. . Naar het mij voorkomt, zou het in dat geval ook in overeenstemming zijn met de strekking van de naar huidig recht geldende deelnemingsvrijstelling haar toe te passen op de voordelen als door de belanghebbende behaald ingevolge het stock-option plan. De door de belanghebbende verworven certificaten hadden immers, uitgaande van de stellingen van de belanghebbende, voor haar niet de functie van min of meer willekeurig gekozen opbrengstgevende vermogensbestanddelen, maar die van de vastlegging van binnen het concern uitgegeven vermogenstitels die niet in handen van buitenstaanders mochten komen. Mij dunkt dat de uit de wetsgeschiedenis blijkende strekking van de regeling het rechtvaardigt daarvoor de voorkoming van dubbele heffing toe te passen. L. . Ik meen dan ook dat de beslissingen dat de belanghebbende in 1990 geen onderneming dreef en dat het aanhouden van de certificaten in 1990 niet in de lijn lag van de normale uitoefening daarvan, niet naar de eis van de wet met redenen zijn omkleed. M. . Voorzover de belanghebbende betoogt dat niet in geschil was dat de belanghebbende een materiële onderneming dreef, kan ik haar niet volgen. Uit de gedingstukken blijkt onomstotelijk dat de Inspecteur dit ontkende. N. . Uit het vorenstaande volgt dat middel I inzake 1990 opgaat. O. . Inzake 1992 geldt m. m. hetzelfde. III. . Middel II, het vertrouwensbeginsel. A. . HR 6 april 1977, nr. 18.286, BNB 1977/123 met noot J. P. Scheltens, overwoog (blz. 559, tot en met regel 4), "dat (...) nu (...) belanghebbende moet hebben geweten dat zijn methode van aangifte op het stuk van de loonbelasting onjuist was, (...) vertrouwen, al aangenomen dat het inderdaad zou zijn gewekt, rechtens geen bescherming verdient (...)" B. . HR 4 april 1979, nr. 19.230, BNB 1979/154 met noot Scheltens, overwoog (blz. 777, regels 15-32), "dat het Hof heeft geoordeeld: dat niet aannemelijk is dat belanghebbende niet heeft geweten dat in de wijze waarop door hem aan de Inspecteur inlichtingen zijn verstrekt, niet die gegevens waren vervat die voor een juiste vaststelling van de waarde van de aandelen van betekenis waren; (...) dat het vertrouwen dat de Inspecteur zich bij de berekening van het schenkingsrecht ook zou verenigen met een bepaalde waarde van de onderhavige incourante aandelen, al aangenomen dat dit vertrouwen door de brief van 30 oktober 1975 inderdaad zou zijn gewekt, rechtens geen bescherming verdient, omdat belanghebbende reeds bij het schrijven van de brief van 28 oktober 1975 moet hebben begrepen dat de waarde van de aandelen aanzienlijk hoger was dan de in die brief uitgedrukte som; dat het Hof daarmede niet enige rechtsregel heeft geschonden (...)" C. . HR 26 september 1979, nr. 19.250, BNB 1979/311 met noot Scheltens, overwoog, "(blz. 1523, van regel 52
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.