Rolnummer 16.510 Zitting 23 januari 1998 Mr. Bakels Conclusie inzake [eiser] tegen [verweerder] (niet verschenen) Edelhoogachtbaar college, 1. Feiten en procesverloop 1.1 Het gaat in deze zaak om de hoogte van de in appèl uitgesproken proceskostenveroordeling. 1.2 In cassatie speelt de inhoud van de zaak geen rol meer, zodat ik afzie van de gebruikelijke opsomming van de vaststaande feiten en een weergave van de overwegingen van rechtbank en hof. Ik beperk mij tot een korte achtergrondschets. 1.3 Eiser tot cassatie, [eiser], heeft verweerder in cassatie, [verweerder], gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht. [eiser] heeft zakelijk weergegeven gevorderd scheiding en deling der activa van de veehandels-combinatie, zoals deze van 1972 tot 3 mei 1983 tussen partijen heeft bestaan, benoeming van een notaris en een onzijdig persoon, rekening en verantwoording en voorts betaling van het blijkens de gedane rekening en verantwoording aan hem toekomende bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag van dagvaarding tot aan die van de algehele voldoening. 1.4 [verweerder] heeft aangevoerd niets met [eiser] in gemeenschappelijk verband te hebben ondernomen, laat staan dat hij met [eiser] een beroep of bedrijf zou hebben uitgeoefend voor gemeenschappelijke rekening. 1.5 De rechtbank heeft de vordering afgewezen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, tot aan het vonnis in totaal begroot op ƒ 3.090,-. De rechtbank heeft daartoe zakelijk overwogen dat noch door het op verzoek van [eiser] gehouden voorlopige getuigenverhoor, noch door de overgelegde producties, ook niet in onderling verband en samenhang beschouwd, is komen vast te staan dat de door [eiser] gestelde samenwerking tussen partijen heeft bestaan. 1.6 Tegen dit vonnis is [eiser] in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het petitum is ongewijzigd gebleven. [verweerder] heeft geen incidenteel appèl ingesteld, ook niet tegen de berekening van de proceskosten. Na memoriewisseling en getuigenverhoren heeft het hof bij arrest van 21 augustus 1996 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, ‘’aan de zijde van geïntimeerde tot heden begroot op ƒ 350,- aan vastrecht, en ƒ 28.400,- voor salaris procureur.’’ 1.7 [eiser] heeft vervolgens tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Hij heeft daartoe een uit één onderdeel bestaand middel aangevoerd. [verweerder] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. [eiser] heeft zijn beroep vervolgens nog — door een opvolgend advocaat — schriftelijk doen toelichten. 2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 In cassatie klaagt [eiser] dat de kostenveroordeling van het hof ad ƒ 28.400,- in zodanig sterke mate afwijkt van het gewoonlijk, behoudens bijzondere omstandigheden, voor de berekening van kostenveroordelingen gehanteerde ‘’Liquidatietarief Rechtbanken en Hoven’’, namelijk bijna het zevenvoud bedraagt van de volgens dit tarief passende kostenveroordeling ad ƒ 4.200,-, dat deze beslissing is aan te merken als in strijd met het recht gewezen, meer in het bijzonder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, althans dat deze beslissing onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. 2.2 Bij de vaststelling van de hoogte van de proceskosten gebruikt de rechter doorgaans genoemd Liquidatietarief als richtlijn. Dit liquidatietarief is tot stand gekomen in overleg tussen de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en is gepubliceerd in het Vademecum 1991 van de NOvA. Aanpassingen zijn gepubliceerd in het orgaan van de NOvA, het Advocatenblad en het orgaan van de NVvR, Trema. 2.3 Bij de beoordeling van het middel rijst in de eerste plaats de vraag of het Liquidatietarief recht is in de zin van art. 99 RO. De Hoge Raad begrijpt onder recht in deze zin mede beleidsregels die door een bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid zijn vastgesteld en behoorlijk bekend zijn gemaakt en die weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende voorschriften omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid zijn gegeven, maar die het bestuursorgaan wel op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur binden en die zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens de bij de desbetreffende regeling betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast. Zo zijn bijvoorbeeld de Leidraad administratieve boeten 1984, het pensioenreglement van pensioenfondsen waaraan deelneming wettelijk verplicht is, een ministeriële financieringsregeling en rolrichtlijnen recht in de zin van dat artikel. 2.4 Tegen deze achtergrond kan het Liquidatietarief niet gelden als recht in de zin van art. 99 RO. Het tarief is immers niet door een bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid vastgesteld, maar is een product van overleg tussen twee privaatrechtelijke rechtspersonen. Het Tarief kan voorts weliswaar worden gezien als een richtlijn voor de invulling van de in art. 56 lid 4 Rv aan de rechter gegeven bevoegdheid de proceskosten zelfstandig te begroten, maar het bindt de rechter niet. Dit betekent dat het middel moet falen voor zover het klaagt over schending van het recht. 2.5 Vervolgens wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing in strijd is met algemene beginselen van een behoorlijke rechtspleging. Deze klacht moet reeds falen omdat niet wordt aangegeven waarop specifiek wordt gedoeld. 2.6 Wat ten slotte de motiveringsklacht betreft, geldt het volgende. De rechter dient ambtshalve uitspraak te doen over de proceskosten en die voor rekening te brengen van de in het ongelijk gestelde partij. Tot welk bedrag hij dat doet, hoeft hij niet te motiveren. Zijn beslissing op dat punt is in cassatie niet op juistheid toetsbaar. Zou deze beslissing evenwel onbegrijpelijk zijn, dan zal zij sneuvelen. 2.7 Berekening van het procureurssalaris aan de hand van het genoemde Liquidatietarief leert dat in het onderhavige geval kennelijk tarief VIII is toegepast, zoals dat heeft gegolden tot 1 januari 1992. In dit tarief, dat betrekking heeft op zaken met een geldswaarde boven ƒ 1.500.000,-, wordt elk punt gewaardeerd op ƒ 4400,-. Het middel geeft een opsomming van de werkzaamheden die in de onderhavige zaak zijn verricht (nr. 7.2). Vermenigvuldiging van het aantal punten dat daarvoor volgens het Liquidatietarief dient te worden toegekend met evengenoemd bedrag, levert een totaal op van ƒ 28.600,-. Dat bedrag is vrijwel gelijk aan het door het hof toegekende bedrag. 2.8 Is de kennelijke beslissing van het hof om tarief VIII toe te passen, onbegrijpelijk? Ten gunste van een positieve beantwoording van deze vraag kan het volgende worden aangevoerd. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.