Rolnr. 16.663 Zitting 29 mei 1998 Conclusie Mr Spier inzake Mr Jan van der Hel q.q. (hierna: de curator) tegen NV Edon Twente (hierna: Edon) Edelhoogachtbaar College, 1. De feiten 1.1 [C] B.V., [A] B.V. en [B] B.V. (hierna tezamen: Rörink) zijn bij vonnis van de Rechtbank te Almelo van 6 november 1996 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van Mr van der Hel tot curator. Bij beschikking van gelijke datum heeft de rechter-commissaris in deze faillissementen op de voet van art. 63a Fw een zgn. afkoelingsperiode van één maand gelast. 1.2 Bij brief van 8 november 1996 (door Edon in eerste aanleg bij pleidooi overgelegd) heeft Edon de curator verzocht ‘’een schriftelijk garantie tot betaling van achterstallige en toekomstige vorderingen’’ te verstrekken indien levering van energie moet worden voortgezet. Vervolgens heeft Edon bij twee telefaxen van 19 november 1996 nogmaals om een garantie gevraagd en daarbij aangekondigd dat de energietoevoer zou worden beëindigd indien de garantieverklaring niet vóór 20 november 1996 om 12.00 uur zou zijn ontvangen; de telefaxen zijn door de curator in eerste aanleg bij de kort-gedingdagvaarding overgelegd. 1.3 Ten tijde van het uitspreken van de faillissementen had Edon op de vennootschappen een (opeisbare) vordering ten bedrage van ƒ 42.559,75. Een deel daarvan, groot ƒ 28.924,84, had betrekking op aansluitkosten elektriciteit en stadsverwarming waarvoor [C] B.V. indertijd met Edon een financieringsregeling had getroffen. Met het uitspreken van het faillissement zijn de ingevolge deze lening nog openstaande termijnen terstond opeisbaar geworden. 1.4 De curator garandeerde dat de per faillissementsdatum opengevallen energiekosten (als boedelschulden) zouden worden voldaan. 1.5 Op 14 november 1996 heeft [D] B.V. de activa en het personeel van de failliete vennootschappen overgenomen. [D] nam daarbij tevens na het uitspreken van het faillissement opengevallen schulden van de vennootschappen aan Edon voor haar rekening, alsmede de per faillissementsdatum reeds openstaande schulden (rov 1 vonnis in samenhang met rov 4 van het bestreden arrest). 2. Het verloop van de procedure 2.1 De curator heeft bij exploot van 20 november 1996 Edon in kort geding gedagvaard. Na wijziging van eis vorderde de curator Edon te bevelen de levering van energie voort te zetten zolang de afkoelingsperiode liep, alsmede Edon te verbieden de energielevering te staken, ook indien geen garantie voor betaling van het bedrag van ƒ 28.924,84 werd gegeven, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. Edon heeft deze vorderingen bestreden. 2.2 De President wees bij vonnis van 27 november 1996 alleen het gevorderde bevel toe. Hij overwoog daartoe dat Edon in beginsel ook in faillissement bevoegd is om ingeval van wanbetaling tot afsluiting over te gaan. Mede gelet op haar wettelijk beschermde monopolie dient zij alvorens van die bevoegdheid gebruik te maken evenwel een behoorlijke afweging van belangen te maken. Met het oog daarop overwoog de President dat Edon ook indien zij niet zou overgaan tot onmiddellijke afsluiting, haar ijzersterke (onderhandeling)positie niet zou opgeven. De overnemer van de failliete bedrijven zou er immers belang bij hebben dat energie ook na de overname werd geleverd en hij was daarvoor ook op Edon aangewezen. Aldus zouden de kosten van een nieuwe aansluiting, die nauwelijks enige werkzaamheden van betekenis vergen en die de openstaande vorderingen aanmerkelijk overtreffen, een voor Edon te hanteren pressiemiddel blijven. Bovendien leed Edon volgens de President geen enkele schade indien zij de energielevering zou continueren, aangezien de (naar aan te nemen winstgevende) leveringen werden betaald. Voorts nam de President in aanmerking dat een zeer aanmerkelijk deel van de vordering eerst als gevolg van het uitspreken van het faillissement opeisbaar is geworden. Een en ander brengt mee dat het belang van Edon bij afsluiting niet opweegt tegen dat van ‘’de curator (en bijvoorbeeld de werknemers) bij gedurende nog enige tijd voortzetting van de levering van energie’’ (rov 7). Uit praktische overwegingen stelde de President deze tijdspanne gelijk met die van de afkoelingsperiode (rov 8). 2.3 De President ging ook nog in op de vraag of art. 63a Fw meebrengt dat Edon gehouden is om gedurende de afkoelingsperiode de levering van energie voort te zetten. Zijns inziens is dat niet het geval. Immers is geen sprake van verhaal op goederen die zich in de macht van de gefailleerde of de curator bevinden (rov 4). Uit het bestreden arrest blijkt dat de curator ‘’uitdrukkelijk (heeft) verklaard geen incidenteel appèl (hiertegen) te hebben ingesteld’’ (rov 5.2.). 2.4 Edon stelt (ná de afloop van de afkoelingsperiode) hoger beroep in. Zij bestrijdt slechts in abstracte bewoordingen dat de kosten van een nieuwe aansluiting de openstaande vordering verre overtreffen. In eerste aanleg zou zij deze ‘’mogelijkheid (…) ter zitting hebben geopperd’’, doch de kosten ‘’staan bij voorbaat niet vast’’ (grief VI en de toelichting daarop). Zij richt haar pijlen op het oordeel van de President inzake haar ijzersterke onderhandelingspositie ten opzichte van de overnemer. Dienaangaande betoogt zij: ‘’Als de Edon in de praktijk bereid blijkt genoegen te nemen met een (onverplichte) ‘’verrekening’’ voor het geheel of een deel van deze (openstaande) vorderingen, is dat haar vrije keus. Zij kan daartoe niet verplicht worden. De onderhandelingspositie ten opzichte van de curator wordt wel degelijk opgegeven’’ (toelichting op grief V).' 2.5 Edon voert voorts aan dat op geen enkele manier is gebleken dat de werkgelegenheid is bedreigd. Immers kan betaling of zekerheidsstelling afsluiting voorkomen (toelichting grief VIII). 2.6 Bij pleidooi voert Edon aan dat leveranciers van openbare nutsvoorzieningen, uit de aard der ‘’zaak’’, geen eigendomsvoorbehoud of retentierecht kunnen bedingen (blz. 10). 2.7 Bij arrest van 8 april 1997 vernietigt het Hof het bestreden vonnis. Het verwerpt het betoog van de curator dat het arrest van HR 20 maart 1981, NJ 1981, 640 niet meer overeenstemt met de huidige maatschappelijke opvattingen, nu dat arrest dateert van vóór de invoering van de wettelijke bepaling over de afkoelingsperiode. Weliswaar is sinds 1981 de doorstart van een failliet bedrijf door de overdracht van de activa en het ‘’going concern’’ een veel voorkomend verschijnsel geworden, maar zo'n doorstart kan niet worden geëffectueerd door inbreuk te maken op bestaande rechten van crediteuren, aldus het Hof. Wanneer de curator hem nodig acht, dient hij zich te voorzien van een boedelkrediet (rov 5.3). 2.8 Het Hof memoreert en houdt vast aan de hoofdregel van het onder 2.7 genoemde arrest, hierna weergegeven onder 3.3 (rov 5.4/5.5). 2.9 Vervolgens ziet het college onder ogen of Edon van deze bevoegdheid misbruik heeft gemaakt, dan wel of Edon heeft gehandeld in strijd met de jegens andere crediteuren in acht te nemen goede trouw (rov 5.6). Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Daarbij haakt het Hof aan bij het door Edon aangedragen, onder 2.6 weergegeven, standpunt. Een en ander wordt in rov 5.8 uitgewerkt. 2.10 Met betrekking tot de grief van Edon inzake de ‘’ijzersterke onderhandelingspositie’’ is het Hof een andere mening toegedaan dan de President. In de eerste plaats gaat het in deze procedure niet om de relatie overnemer/Edon. Bovendien is de overnemer niet gehouden om de oude schuld te voldoen (rov 5.7). 2.11 Het vonnis van de President wordt vernietigd; het Hof wijst het gevorderde alsnog af. Bij exploot van 20 mei 1997 heeft de curator tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Edon heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Inleidende opmerkingen 3.1 De inzet van deze cassatieprocedure is de vraag of het arrest Veluwse/Mr. Blokland q.q. nog strookt met de eisen/inzichten van deze tijd. De curator heeft in drie instanties betoogd dat dit niet meer het geval is. Edon heeft dat bestreden. 3.2 Nu genoemd arrest een centrale rol vervult in deze zaak lijkt zinvol eerst daarop in te gaan. Aan de orde was de vraag of een monopolist/leverancier van openbare nutsvoorzieningen (gas en water) het recht heeft om na faillissement verdere leveranties achterwege te laten wanneer de schulden, ontstaan vóór het faillissement, niet worden betaald. 3.3 Deze vraag is door Uw Raad aldus beantwoord: a. in beginsel bestaat het recht om verdere leveranties achterwege te laten, wanneer de oude schulden niet worden voldaan; b. deze regel lijdt uitzondering ten opzichte van particulieren. In dit verband legt Uw Raad er de nadruk op dat sprake is van eerste levensbehoeften, terwijl de leverancier een wettelijk beschermde monopoliepositie had. 3.4 Beide partijen gaan er kennelijk van uit dat de onder 3.3 sub b geformuleerde uitzondering de enige is die Uw Raad erkent. Daarbij baseren zij zich op de volgende overweging: ‘’Dit (het onder 3.3b genoemde, JS) uitzonderingsgeval doet zich niet voor, indien de afsluiting uitsluitend betrekking heeft op een bedrijfsgebouw, of anderszins alleen van belang is voor een eventuele voortzetting door de curator van het bedrijf van de gefailleerde’’ (curs. van mij). 3.5 Bij het uitgangspunt van partijen kunnen m.i. vraagtekens worden geplaatst. Vooreerst zijn er vrijwel geen algemene regels zonder uitzonderingen. Daar komt bij dat de onder 3.3 sub a geformuleerde hoofdregel (in feite) een obiter dictum was. Het ging in de zaak Veluwse/Blokland immers om een particulier. Het debat tussen partijen spitste zich, naar mag worden aangenomen, daarop toe. Meer in het bijzonder was er — zo ligt voor de hand — geen goede grond om aandacht te besteden aan de vraag of factoren als werkgelegenheid en dergelijke meer een rol mogen spelen. 3.6 Last but not least: de gecursiveerde worden doen m.i. uitkomen dat Uw Raad het oog heeft op de algemene situatie van voortzetting van een bedrijf. De overweging en de daarin vervatte regel ziet alleen op de belangen van het bedrijf zelf. Zij heeft geen betrekking op andere belangen, zoals bijvoorbeeld die van werknemers. 3.7 Kortom: de curator zet erg hoog in. Zeker op een belangrijk terrein als het faillissementsrecht en hetgeen daarmee verband houdt bestaat behoefte aan rechtszekerheid. Een beginsel waarop Uw Raad de laatste jaren in toenemende mate de nadruk legt. Er moeten werkelijk zeer klemmende redenen zijn om een duidelijke, veel houvast biedende, regel te verklaren. Dat klemt temeer wanneer er voldoende mogelijkheden bestaan om op basis van de feiten in individuele gevallen te komen tot aanvaardbare resultaten. 4. Bespreking van het middel 4.1 Hierna ga ik niet uitvoerig in op de vraag of art. 63a Fw betrekking heeft op gevallen als de onderhavige. De President heeft die vraag ontkennend beantwoord (rov 4). Het Hof heeft geoordeeld dat de curator tegen dat oordeel geen incidentele grief heeft willen richten (rov 5.2). Het bestreden arrest laat deze kwestie dan ook rusten. In cassatie kan deze vraag daarom niet aan de orde worden gesteld. 4.2 Uit de schriftelijke toelichting op onderdeel 2 moet vermoedelijk worden afgeleid dat de curator toch een moedige poging waagt deze kwestie aan Uw Raad voor te leggen. Zij zal moeten stranden. Ten overvloede: noch de letter noch de ratio van art. 63a Fw bieden steun voor de benadering van het onderdeel. Bovendien: zelfs als elektriciteit een goed (als in dat artikel bedoeld) zou zijn, is zij evident niet vatbaar voor verhaal na te zijn verbruikt. Toepassing van deze bepaling zou mitsdien een slag in de lucht zijn. 4.3 Hierna neem ik aan dat art. 63a Fw door de curator (veeleer) in stelling wordt gebracht ter onderbouwing van zijn oordeel dat de maatschappelijke inzichten sedert 1981 zijn gewijzigd. In die context is niet beslissend of dit artikel rechtstreeks toepasselijk is. In deze lezing komen de onderdelen 1 en 2 goeddeels op hetzelfde neer. Zij lenen zich daarmee voor gezamenlijke behandeling. Op de hierna ontwikkelde gronden falen zij m.i. 4.4.1 De onderdelen voeren aan dat de hiervoor onder 3.3 sub a weergegeven regel niet (langer) bestaat. In elk geval niet tijdens de ‘’afkoelingsperiode’’ van art. 63a Fw. De curator kiest daarbij een dubbele invalshoek: *1* de regel bestaat in het geheel niet meer; *2* in elk geval niet meer in een geval als het onderhavige. Daarbij wordt gewezen op de combinatie van een monopoliepositie en het creëren van een feitelijke voorrang ten opzichte van andere crediteuren. 4.4.2 Noch de onderdelen, noch ook (indien bij stilzwijgen van de onderdelen al van belang) de schriftelijke toelichting noemen nadere omstandigheden waardoor het onderhavige geval zich zou kenmerken. Meer in het bijzonder wordt niets gezegd over de belangen van werknemers. Beoordeling van de onderdelen zal dan ook in de beperkte context van 4.4.1 moeten plaatsvinden. 4.5 Nu geen concrete omstandigheden worden aangevoerd die op een ad hoc basis afwijking van de in het arrest Veluwse/Blokland zouden kunnen schragen (dat gebeurt wel in onderdeel 3), kunnen de onderdelen slechts slagen wanneer de rechtsontwikkeling sedert 1981 bepaaldelijk noopt tot het overrulen van de regel van dit arrest. 4.6 De sterkste troef voor de curator is uiteraard art. 63a Fw. 4.7.1 Er zijn m.i. verschillende redenen waarom (de ratio van) deze bepaling de curator geen baat kan brengen. 4.7.2 In alle door art. 63a Fw genoemde gevallen gaat het om een verhaalsobject dat (in het algemeen) zal blijven bestaan. De schade die degene die zich daarop kan verhalen ondervindt van de in deze bepaling genoemde maatregel doet daarmee principieel geen afbreuk aan zijn rechten. In casu is van enig verhaalsobject geen sprake. Het ‘’drukmiddel’’ van afsluiting is slechts effectief indien en voorzolang de failliete onderneming door blijft draaien. Wanneer haar bedrijfsactiviteiten worden gestaakt of (huiselijk gezegd) aan een ander worden overgedragen is van een effectieve pressie in het algemeen niet langer sprake. Daarin is een kenmerkend verschil met personen waarop art. 63a Fw ziet gelegen. 4.7.3 Uit de MvT op art. 63a Fw valt op te maken dat de strekking der bepaling is te voorkomen dat de curator wordt beroofd van voor de onderneming wezenlijke goederen in een periode waarin hij zich nog geen oordeel heeft kunnen vormen over de vraag ‘’welke goederen hij in elk geval voor de boedel wil behouden’’. In deze zaak gaat het niet om goederen die aan de boedel (dreigen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.