ECLI:NL:PHR:1998:18
nr. 16838zitting 17 april 1998(bij vervroeging) Mr. Hartkamp Conclusie inzake Mr. W. Aerts q.q. tegen ABN AMRO Bank NV Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop
Door ons wordt aanspraak gemaakt op de volledige netto koopsom. (...).
Tegen ontvangst van een bedrag van ƒ 9.056.000,- geven wij onze rechten op het vastgoed, de machines, de inventaris, auto's en voorraden vrij.
Voor wat betreft de eventuele bodemrechten van de fiscus vrijwaren wij de boedel voor aanspraken tot een maximum van de koopsom voor de bodemzaken t.w. machines en inventaris. De auto's worden niet aangemerkt als bodemzaken. (...)' Op 22 februari 1994 schreef de bank aan de curator als volgt: 'Wij verwijzen naar onze fax van 13.03 uur hedenmiddag en bevestigen het zojuist telefonisch overeengekomene, dat van het over te maken deel van de koopsom ad ƒ 9.056.000,-, na aflossing van alle leningen en rekening-courant kredieten, het restant, nog te vermeerderen met na te komen opbrengsten, in overleg met u op deposito geplaatst zal worden.' Op 2 juni 1995 heeft de Belastingdienst Arnhem aan de curator opgave gedaan van de openstaande belastingschulden van het [A]-concern, terzake waarvan het voorrecht van artikel 57 lid 3 Fw. door de belastingdienst kan worden gemaakt, als volgt:
Aangezien het nog niet duidelijk is, of en zo ja, voor welk percentage betaling aan de concurrente crediteuren met openstaande posten zal plaatsvinden, is het enkelvoudige bedrag aan omzetbelasting als volgt becijferd:
Aangezien er in 1994 en volgens uw informatie feitelijk nu nog, er geen volledige duidelijkheid bestaat over de omvang van de betalingen welke aan de concurrente crediteuren gaan plaatsvinden en er daardoor nog geen duidelijkheid bestaat over het tijdstip van de niet of niet gehele betaling van de openstaande schulden, is het tijdvak van de aanslag vastgesteld op 1-1-1995 tot 15-3-1995.' Op 13 juli 1995 heeft de bank ƒ 653.396,aan de curator betaald.
De rechter-commissaris in het faillissement heeft de curator gemachtigd tot het voeren van deze procedure.
In reconventie heeft de bank gevorderd de curator uit hoofde van onverschuldigde betaling te veroordelen tot betaling aan de bank van een bedrag van ƒ 653.396,- met rente.
De curator is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te Arnhem. De bank heeft incidenteel appèl ingesteld.
Het hof heeft bij arrest van 19 augustus 1997 (JOR 1997/121 m.nt. A. van Hees) het in conventie gewezen vonnis bekrachtigd onder verbetering van gronden, en in reconventie de zaak naar de rol verwezen teneinde de curator in de gelegenheid te stellen zich gedocumenteerd uit te laten over een aantal onduidelijkheden.
Bespreking van de cassatiemiddelen in het principale en in het incidentele beroep
De procedure heeft de vraag tot inzet of de bank uit hoofde van de wet en/of de afspraken met de curator gehouden is tot betaling aan de curator van hetgeen de fiscus vordert. Twee kwesties zijn voor de uitkomst van beslissend belang.
De eerste is, of de curator bevoegd is de bevoorrechte vorderingen van de fiscus integraal ten laste van de bodemzaken te brengen (zodat zij, nu de opbrengst daarvan aan de bank is betaald, ten laste van de bank komen) dan wel of de bank van de curator mag verlangen dat hij de vorderingen primair uit het 'vrije actief' voldoet (zie voor dit begrip G.A.J. Boekraad, Afwikkeling van de faillissementsboedel, diss. Nijmegen 1997, p. 241). Zie hierover met name nrs. 7- 10 hierna.
In de tweede plaats moet worden uitgemaakt welke betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de vordering van de fiscus is ingesteld bij navorderingsaanslagen die ten dele dateren van na de faillietverklaring en zelfs van na de overdracht van de bodemzaken aan [B] en afdracht van de opbrengst aan de bank. Zie hierover met name nrs. 18-21 hierna.
Wanneer een pandgever failleert heeft de pandhouder in beginsel niets te duchten van de overige schuldeisers; hij kan zijn recht uitoefenen 'alsof er geen faillissement was' (art. 57 Fw.). Deze regel geldt ongeacht of sprake was van een vuistpandrecht of een stil (bezitloos) pandrecht. De pandhouder kan ervoor kiezen het verpande goed zelf te executeren, maar hij kan ook met de curator afspreken dat laatstgenoemde het goed verkoopt om de opbrengst (uiteraard: ten belope van diens vordering, vgl. artt. 3:248 lid 1. en 3:253 lid 1 BW) aan de pandhouder af te dragen; zie art. 58 lid 2 Fw.Bij de verdeling van de executie-opbrengst van het goed oefent de curator op grond van art. 57 lid 3 Fw mede de rechten uit die de wet aan beslagleggers op het goed toekent, en is hij gehouden mede de belangen te behartigen van de bevoorrechte schuldeisers die in rang boven de pandhouder (alsmede de hypotheekhouder en de in art. 57 lid 2 Fw. genoemde beperkt gerechtigden) gaan. Dit houdt in dat de curator ten behoeve van de genoemden incasseert hetgeen zij van de failliet tegoed hebben en dit aan hen afdraagt, zij het na omslag van de algemene faillissementskosten. Zie Losbladige Faillissementswet art. 57 aant. 8, p. 1.2.57-34 (De Liagre Böhl/Van Galen).
Een van de voorrechten waarop art. 57 lid 3 Fw. het oog heeft, is het bodemvoorrecht van art. 21 lid 2 Iw 1990. Dit bodemvoorrecht is, zoals hierna nog uitgebreider aan de orde komt, een bijzondere vorm van het in lid 1 aan 's Rijks schatkist toegekende voorrecht op alle goederen van de belastingplichtige. Lid 2 bepaalt dat dit voorrecht niet alleen (op enige uitzonderingen na) boven alle andere voorrechten gaat, maar ook boven pand 'voor zover het pandrecht rust op een zaak als bedoeld in artikel 22, derde lid, die zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt en tegen inbeslagneming waarvan derden zich op die grond niet kunnen verzetten. Het behoudt deze rang in geval van faillissement van de belastingschuldige, ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden.' Zaken als bedoeld in artikel 22 lid 3 Iw zijn 'de ingeoogste of nog niet ingeoogste vruchten, of roerende zaken tot stoffering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of gebruik van het land' die zich tijdens beslaglegging door de fiscus ter zake van een belastingschuld 'op de bodem van de belastingschuldige bevinden'. Dergelijke zaken worden doorgaans, en ook in het navolgende, kortweg aangeduid als bodemzaken.
Art. 22 lid 3 Iw houdt met betrekking tot deze bodemzaken kort weergegeven in, dat derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop de fiscus beslag heeft gelegd, geen verzet kunnen doen tegen een dergelijke beslaglegging ter zake van belastingschulden waarvoor een naheffingsaanslag is opgelegd, voor zover dit beslag rust op bodemzaken. Met deze bepaling wordt voorkomen dat zaken die bij de belastingplichtige in gebruik waren ontsnappen aan verhaal door de fiscus. Het recht dat de fiscus aan deze bepaling ontleent, noemt men het bodemrecht.
Omdat dit bodemrecht een ernstige beknotting van de rechten van derden teweeg kan brengen, wordt in de Leidraad Invordering bepaald dat de fiscus terughoudendheid in acht neemt bij de gebruikmaking van het bodemrecht: 'reele eigendom' bijvoorbeeld dient door de Ontvanger zoveel mogelijk te worden ontzien (art. 22 § 5 sub 4 Leidraad).
Vgl. De Liagre Böhl, Het destructieve effect van het bodem (voor ) recht oude en nieuwe stijl', NJB 1993, p. 193-198.
Het bodemrecht is in de onderhavige zaak slechts zijdelings van belang. De fiscus heeft immers geen beslag gelegd. Wel speelt het bodemvoorrecht een belangrijke rol. Voor het ontstaan daarvan is geen beslaglegging vereist (dit valt af te leiden uit art. 21 lid 1 Iw), en de hoge rang die de fiscus aan het voorrecht ontleent blijft behouden in geval van faillissement van de belastingschuldige (art. 21 lid 2 Iw, laatste volzin).
Als gezegd is de curator op grond van art. 57 lid 3 Fw gehouden de belangen te behartigen van de bevoorrechte schuldeisers die in rang boven de pandhouder gaan. Ingevolge art. 21 lid 2 j° 22 lid 3 valt hieronder ook de ontvanger die beroep kan doen op het bodemvoorrecht. In de onderhavige zaak heeft de curator zich er jegens de bank dan ook op beroepen ten behoeve van de ontvanger aanspraak te maken op terugbetaling van de waarde van de bodemzaken die stil waren verpand aan de bank. Overigens is de uitkomst van dit geschil voor de ontvanger niet van belang, omdat de curator hoe dan ook gehouden is diens bevoorrechte vordering te voldoen; de vraag is enkel in hoeverre dit de positie van de bank als stil pandhouder raakt.
Hiermee kom ik aan de bespreking van het principale cassatiemiddel in de volgorde die daarin wordt aangehouden.
In verband met de wetswijziging is in de Leidraad thans opgenomen dat de pandgoederen op gelijke wijze moeten worden behandeld als de goederen van derden waarop bodemvoorrecht rust (art. 21, par. 1 sub 7a en art. 22, par. 1 sub 2). Hetgeen in de Leidraad is vastgelegd dient als een rechtsregel te worden beschouwd, waarnaar de fiscus zich heeft te richten en waarop de belanghebbende een beroep kan doen. Buiten faillissement brengt dit mede, dat de belanghebbende pandhouder van de fiscus mag vergen dat deze zich in beginsel eerst verhaalt op activa, die niet in pand zijn gegeven. In faillissement brengt het mede, dat het krachtens art. 57, lid 3 Fw door de curator tegenover de pandhouder/separatist te behartigen "belang" van de fiscus zich dienovereenkomstig in beginsel niet verder uitstrekt dan tot het bedrag waarvoor haar vordering niet uit het vrije actief kan worden voldaan.' De curator meent dat het hof in de slotzin van de zojuist geciteerde rechtsoverweging heeft miskend dat de curator op grond van art. 57 lid 3 Fw de rechten van de ontvanger ten behoeve van de boedel uitoefent, en niet ten behoeve van de ontvanger. Hierbij voert hij aan dat er een boedelbelang mee is gemoeid dat de opbrengst van de verpande zaken in de boedel vloeit, aangezien de ontvanger moet bijdragen in de omslag van de vaste faillissementskosten (art. 182 lid 1 Fw): indien de ontvanger niet uit het vrije actief, maar uit de in de boedel gestorte opbrengst van de verpande zaken wordt voldaan, komt meer actief beschikbaar waarover de algemene faillissementskosten worden omgeslagen, hetgeen in het belang is van de resterende crediteuren die op dit actief zijn aangewezen (zie Boekraad, a.w. p. 242).
Dit resultaat kan, behalve door een beroep op de Leidraad, m.i. nog langs een andere weg worden ondersteund. Blijkens art. 3:234 lid 2 BW kan een schuldeiser die pandrecht heeft op twee aan de schuldenaar toebehorende zaken, op één waarvan een beperkt recht rust dat hij bij executie niet behoeft te eerbiedigen, door de beperkt gerechtigde worden genoodzaakt om eerst de andere zaak te executeren. Deze regel leent zich m.i. voor overeenkomstige toepassing op de onderhavige casuspositie, waarin de fiscus een (zeer hoog) voorrecht heeft op alle goederen van de schuldenaar, op een deel waarvan een pandrecht rust dat de fiscus bij executie niet behoeft te eerbiedigen.Het lijkt mij voorts verdedigbaar om aan te nemen dat de regel van art. 3:234 lid 2 ook reeds naar oud recht gold; zij is blijkens Parl.
Gesch. Boek 3, p. 744 een uitbreiding van het oude art. 1244 BW, waarin voor hypotheek de regel was neergelegd die nu in art. 3:234 lid 1 is opgenomen. Hiervan uitgaande moest deze regel vóór 1992 dan ook gelden voor het geval van fiduciaire eigendom; met betrekking tot het verhaal daarop werden door de rechtspraak immers zoveel mogelijk de voor pandrecht geldende regels analogisch toegepast. Daarvoor pleit ook dat het geval van fiduciaire eigendom nog dichter bij het geval van art. 1244 (thans art. 234 lid 1) lag, omdat het daarbij om goederen van derden gaat. Is dit juist, dan ligt het ook om deze reden voor de hand thans hetzelfde met betrekking tot bezitloos pandrecht op bodemzaken aan te nemen.
Immers, in het verhaalsrechtelijke regime heeft de wetgever van 1992 zo min mogelijk wijzigingen willen aanbrengen. Vgl. Pari. Gesch. Aanpassing overige wetten (Inv. boeken 3, 5 en 6), p. 295, 296 en 299.Tenslotte wijs ik erop dat de regel van de Leidraad in de toekomst in het BW zal worden opgenomen. Blijkens de art. 3:284 lid 2 en 287 lid 4 volgens wetsvoorstel 22 942 zal zowel voor bezitloos verpande bodemzaken als voor aan derden toebehorende zaken gelden dat verhaal daarop niet mogelijk is voor zover de desbetreffende schuldeiser goederen van de schuldenaar aanwijst die voldoende verhaal voor de vordering van de fiscus bieden.
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de curator de vordering van de ontvanger primair moet zien te voldoen uit het vrije actief, alvorens aanspraak te kunnen maken op de opbrengst van de stil verpande bodemzaken. Het gevolg hiervan is dat de belangen van de boedel ten achter staan bij die van de pandhouder, maar dit is ook in harmonie met de aard van het pandrecht, dat de pandhouder een aanspraak geeft op voldoening van zijn vordering buiten de boedel om. Het ligt niet voor de hand dat de overige schuldeisers van de failliet ten nadele van de pandhouder zouden mogen profiteren van de omstandigheid dat de ontvanger uit hoofde van zijn voorrecht in een nog gunstiger positie verkeert. Of, zoals Boekraad, a.w. p. 246 het formuleert: 'Men gaat aan de ratio van het fiscale bodemvoorrecht voorbij wanneer men zou toelaten dat, in de "slipstream" van de fiscus, andere schuldeisers van het bodemrecht zouden profiteren ten koste van de stille pandhouder.'
De klacht is op zichzelf gegrond. Het hof is zich niet bewust geweest van de aanpassing van de Leidraad per 25 juli 1997, zoals duidelijk blijkt uit de woorden "thans opgenomen" in r.o. 5.3 (p. 5 regel 2).
Art. 21 § 1 sub 7a Leidraad luidde: 'Indien de ontvanger tot executie overgaat, zal hij zich in beginsel eerst verhalen op de zaken van de belastingschuldige. Daaronder dienen niet te worden begrepen de zaken als bedoeld in artikel 21, tweede lid van de wet [= de Invorderingswet]. Zie in dit verband artikel 22, § 1, tweede lid.' Het hiervoor in de plaats getreden art. 21 § 1 sub 9 luidt: 'Als er beslag is gelegd en de ontvanger is ervan op de hoogte dat onder de beslagen zaken zich zaken ex artikel 21, tweede lid, van de wet en/of bodemzaken ex art. 22, derde lid, van de wet bevinden, zal de ontvanger, als hij tot executie overgaat, zich eerst verhalen op de zaken van de belastingschuldige, niet zijnde de zaken als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet. Vervolgens zullen de zaken ex artikel 21, tweede lid, worden uitgewonnen en pas daarna de bodemzaken.
Vorenstaande volgorde behoeft niet in acht te worden genomen als op voorhand duidelijk is dat de hoogte van de belastingschuld aantasting van - de rechten op - de zaken van derden onvermijdelijk maakt of anderszins het belang van de invordering zich tegen het vorengenoemde uitgangspunt verzet. Zie in dit verband artikel 22, § 1, derde lid, van deze leidraad.' Art. 22 § 1 sub 2 Leidraad bepaalde tot 25 juli 1997: 'De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op zaken van de belastingschuldige alvorens hij overgaat tot uitwinning van de bodemzaken of zaken als bedoeld in artikel 51 WD [= Wet inzake de douane] voor zover deze aan derden toebehoren. Voor zover de ontvanger weet wie de derde/eigenaar is van de bodemzaken stelt hij deze desgevraagd in de gelegenheid de volgorde van de uit te winnen zaken aan te geven. 'De zaken als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet worden op dezelfde wijze als bodemzaken behandeld.' Deze bepaling is vervangen door art. 22 § 1 sub 3: 'Als er beslag is gelegd en de ontvanger is ervan op de hoogte dat onder de beslagen zaken zich zaken ex artikel 21, tweede lid, van de wet en/of bodemzaken ex artikel 22, derde lid, van de wet bevinden, zal de ontvanger, als hij tot executie overgaat zich eerst verhalen op de zaken van de belastingschuldige, niet zijnde de zaken als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet. Vervolgens zullen de zaken ex artikel 21, tweede lid, worden uitgewonnen en pas daarna de bodemzaken.
Vorenstaande volgorde behoeft niet in acht te worden genomen als op voorhand duidelijk is dat de hoogte van de belastingschuld aantasting van - de rechten op - de zaken van derden onvermijdelijk maakt of anderszins het belang van de invordering zich tegen het vorengenoemde uitgangspunt verzet. Zie in dit verband artikel 21, § 1, negende lid, van deze leidraad.' In de sedert 25 juli 1997 geldende tekst van de leidraad zijn de door het hof genoemde bepalingen dus gelijkluidend geworden, afgezien van een kruisverwijzing aan het slot.
Duidelijk is dat tussen de door het hof gehanteerde bepalingen en de bepalingen die daarvoor ten tijde van het wijzen van het arrest in de plaats waren getreden, geen inhoudelijk verschil bestaat dat ten voordele van het standpunt van de curator pleit. Alleen is nauwkeuriger dan voorheen aangegeven welke verhaalsvolgorde de ontvanger in acht moet nemen en hoe hij dient te handelen indien op voorhand duidelijk is dat verhaal op bodemzaken van derden onvermijdelijk is. Dit brengt mee dat de klacht - hoewel gegrond - wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.
Ook bij de klacht dat het hof partijen in de gelegenheid had moeten stellen zich uit te laten over de wijziging van de leidraad per 25 juli 1997, heeft de curator geen belang, zelfs niet ten aanzien van de vraag of sprake was van een geval waarin de uitzonderingsregel van art. 21 § 1 sub 9 tweede alinea = art. 22 § 1 sub 3 tweede alinea zich voordeed. Het hof heeft immers in r.o. 5.9 vastgesteld dat de curator toegeeft dat er "wel enig uitzicht is op een vrij actief, wellicht zelfs voldoende voor honorering van de vordering van de Ontvanger". Aldus is het evident dat zich geen situatie voordoet waarin op voorhand duidelijk is dat verhaal op bodemzaken van derden onvermijdelijk is.
Bij deze stand van zaken behoeft niet te worden onderzocht of het hof gehouden was de oude of de nieuwe bepalingen toe te passen.
Subonderdeel 2b bouwt voort op de klachten van onderdeel la, en moet dus hun lot delen.
Niemand zal betwisten dat de berekeningen waarvoor de curator zich hierbij in verband met de omslag van de faillissementskosten geplaatst ziet, complex kunnen zijn, maar zoals de curator zelf heeft toegegeven (memorie van grieven onder 3; pleitaantekeningen in appel Mr. Aerts p. 6, en - impliciet - schriftelijke toelichting Mr. Hermans p. 17), leidt aanvaarding van het hier bepleite stelsel niet tot onoplosbare rekensommen.d) Aan het slot van het hier besproken onderdeel suggereert de curator dat het hof heeft overwogen dat de aard van het pandrecht in de weg staat aan de door hem bepleite wijze van verdeling. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof in r.o. 5.6 enkel overwogen de in het arrest aanvaarde wijze van afwikkeling "meer in overeenstemming met enerzijds de aard van de bodembevoorrechte vordering en anderzijds de aard van het pandrecht" te achten.
Daarmee is echter niet gezegd dat het hof in de aard van het pandrecht een obstakel zag voor aanvaarding van het stelsel van de curator. Hiermee strookt dat het hof zijn interpretatie niet heeft afgeleid uit bepalingen inzake het pandrecht, doch uit de (parlementaire geschiedenis van) art. 21 Iw. Daarbij komt dat het standpunt van het hof m.i. juist is: de omstandigheid dat de wet aan de pandhouder het recht van parate executie toekent, terwijl de ontvanger ten aanzien van de bodemzaken in dit geval 'enkel' een voorrecht heeft, houdt een argument in ten gunste van een verdelingswijze waarin de ontvanger eerst wordt voldaan uit het vrije actief alvorens de opbrengst van de verpande bodemzaken wordt aangesproken.
Zou de volgorde omgekeerd zijn, dan zou afbreuk worden gedaan aan de gunstige positie die de wet in art. 57 lid 1 Fw toekent aan de pandhouder in zijn verhouding tot de niet-separatisten.
Voor zover het onderdeel een motiveringsklacht behelst faalt het, daar hier sprake is van een rechtsoordeel en een motivering dan ook achterwege mocht blijven.
Ook de rechtsklacht faalt naar mijn mening. Uit de tekst en de strekking van art. 21 Iw valt geen steun te putten voor de opvatting dat de ontvanger zowel een algemeen voorrecht op alle goederen van de belastingschuldige heeft als een bijzonder voorrecht op de bodemzaken. Lid 2 van art. 21 bepaalt voor zover hier van belang enkel dat 'het voorrecht' boven pand gaat voor zover dit pandrecht op bodemzaken rust. Logischerwijs kan met 'het voorrecht' geen ander bedoeld zijn dan het tevoren genoemde, d.w.z. het in lid 1 bedoelde algemene voorrecht op alle goederen van de belastingschuldige. Art. 21 lid 2 Iw strekt er in deze optiek toe af te wijken van de hoofdregel van art. 3:279 BW dat pand en hypotheek boven voorrecht gaan; de mogelijkheid tot een dergelijke afwijking wordt overigens in ditzelfde artikel gecreëerd. Evenzo Boekraad, a.w. p. 120 noot 61.
In de parlementaire geschiedenis valt voor een andere opvatting evenmin steun te vinden. Zo wordt in de memorie van toelichting (zie Pari. Gesch. Aanpassing overige wetten (Inv. boeken 3, 5 en 6), p. 299-300) opgemerkt dat 'ook in geval het voorrecht van de fiscus (...) boven pand gaat, het geldend maken daarvan zich langs de gewone weg voltrekt'. Een dergelijke formulering zou ongerijmd zijn indien het algemene voorrecht van de fiscus te onderscheiden zou zijn van een bijzonder voorrecht op verpande bodemzaken.Bij een ander oordeel lijkt de curator ook geen belang te hebben. Ook indien de ontvanger zowel een algemeen als een bijzonder voorrecht zou hebben, zou hij - en dus ook de curator voor hem - niet gehouden zijn de belastingschuld primair te verhalen op de zaken waarop dit bijzonder voorrecht zou rusten. Weliswaar bepaalt art. 3:280 BW dat bijzondere voorrechten voorrang hebben boven algemene voorrechten, doch deze regel behelst enkel een rangorde tussen verschillende schuldeisers.
Dit neemt niet weg dat de ontvanger bij een bijzonder voorrecht op de bodemzaken wel belang zou kunnen hebben; men denke aan het in art. 3:283 BW bedoelde geval dat de zaken waarop het voorrecht betrekking heeft, zijn tenietgegaan of in waarde zijn verminderd en daarvoor een vordering tot vergoeding in de plaats is getreden. Dat doet zich in het onderhavige geval echter niet voor, en uit niets blijkt dat de wetgever met de formulering van art. 21 lid 2 Iw voor ogen heeft gehad de ontvanger in aanmerking te laten komen voor de zaaksvervangingsregeling van art. 3:283 ten aanzien van de stil verpande bodemzaken.
Voor het voorrecht van de fiscus bepaalt art. 21 lid 2 dat dit ten aanzien van bodemzaken voor pand gaat en dat het deze rang behoudt in geval van faillissement, ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Voor de interpretatie van deze regel is van belang dat art. 22 lid 3 bepaalt dat ingeval op de bodemzaken ter zake van naheffingsaanslagen wel beslag is gelegd, derden die menen enig recht op die zaken te hebben tegen deze inbeslagneming nimmer verzet in rechte kunnen doen.
Het hof heeft uit deze regels (en hun geschiedenis) afgeleid dat aan de fiscus tegenover de pandhouder alleen dan beroep op het bodemvoorrecht toekomt indien een naheffingsaanslag is opgelegd, zij het dat hierbij niet terzake doet of deze aanslag voor dan wel na het faillissement van de belastingschuldige is opgelegd (r.o. 5.11 en 5.12). Daarmee verwierp het hof de stelling van de bank dat het bodemvoorrecht alleen geldt voor zover op de datum van het uitspreken van het faillissement naheffingsaanslagen waren opgelegd; volgens het hof was voldoende dat op dat moment de belastingschuld materieel bestond. Terzijde merkte het hof nog op dat art. 22 lid 3 Iw wel steun verleent aan het standpunt dat bodembeslag enkel op grond van een aanslag kan worden gelegd (r.o. 5.11).
Zowel de curator (in onderdeel 5a van het principale cassatiemiddel) als de bank (in de subsidiaire klacht van haar incidentele cassatiemiddel) komen tegen het standpunt van het hof op. De curator meent dat voor het ontstaan van het bodemvoorrecht van de fiscus het opleggen van een naheffingsaanslag niet vereist is, terwijl de bank het standpunt inneemt dat het bodemvoorrecht, ontstaan door een na de faillietverklaring opgelegde naheffingsaanslag, niet tegen de stil pandhouder kan worden ingeroepen.
Terzijde merk ik op dat de bank aanvankelijk het standpunt innam dat het bodemvoorrecht in het geheel niet meer in het leven kon worden geroepen indien op het moment van de faillietverklaring nog geen naheffingsaanslag was opgelegd, doch de klacht van deze strekking heeft zij ingetrokken (schriftelijke toelichting Mr. Boele p. 4).
Om te beginnen valt in de wet geen steun te vinden voor het onderscheid dat de bank maakt tussen de werking van het bodemvoorrecht jegens de stil pandhouder en de werking van dat voorrecht jegens derden; indien het voorrecht ontstaan is, werkt het jegens ieder die op grond van art. 21 lid 2 lager gerangschikt is dan de ontvanger. Ook het hof heeft dit onderscheid niet gemaakt.
Het oordeel van het hof dat het bodemvoorrecht eerst ontstaat en effect heeft op het moment dat de belastingschuld is geformaliseerd in een naheffingsaanslag dient m.i. te worden verworpen. Voor het leggen van bodemheslag is een naheffingsaanslag wel vereist, maar dit hangt hiermee samen dat een dergelijke aanslag moet voorafgaan aan de uitvaardiging van een dwangbevel en het leggen van (executoriaal) beslag; dit valt af te leiden uit de artt. 11, 12 en 14 Iw. In geval van bodembeslag is derhalve gegeven dat tevoren een naheffingsaanslag is opgelegd. Zie aldus ook A. van Hees in zijn noot onder het bestreden arrest, JOR 1997/121. Waar het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op art. 22 lid 3 Iw, is dit oordeel derhalve onjuist.
Ook art. 21 lid 2 Iw verleent geen steun aan de opvatting van het hof. Zo uit deze bepaling al iets kan worden afgeleid over het probleem in kwestie, dan is het dat het voor de rangorde tussen de bevoorrechte ontvanger en de stil pandhouder van bodemzaken gedurende het faillissement niet van belang is of voorafgaand aan de faillietverklaring door de ontvanger beslag is gelegd. In het licht van hetgeen hiervoor is opgemerkt laat deze bepaling derhalve wel degelijk ruimte voor de opvatting dat het bodemvoorrecht reeds vóór het opleggen van een naheffingsaanslag kan ontstaan.
De hier bepleite zienswijze - die wordt gedeeld door Kortmann blijkens zijn noot onder de uitspraak in eerste aanleg, JOR 1997/10 - is in lijn met de opvatting van de Hoge Raad (HR 11 oktober 1985, NJ 1986, 68) dat een belastingschuld nog voordat zij in een aanslag is geformaliseerd, materieel reeds bestaat: de schuld ontstaat uit de wet, niet uit de aanslag. Zie hierover H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht (7de druk 1992), p. 260-261. Weliswaar is invordering nog niet mogelijk voordat een aanslag is opgelegd (artt. 9 lid 3 en 10 lid 1 Iw), maar juist daarom is gewenst dat de ontvanger zijn vordering verzekerd weet. Indien men zou aannemen dat het voorrecht van de fiscus pas zou ontstaan na het opleggen van een aanslag, zou niets de pandhouder beletten de bodemzaken voordien weg te voeren en te eigen behoeve te executeren. Dit houdt het gevaar in dat een wedloop ontstaat tussen de ontvanger en de stil pandhouder, waarin eerstgenoemde zo snel mogelijk een naheffingsaanslag zal opleggen en laatstgenoemde zijn stil pandrecht met grote haast zal omzetten in een vuistpandrecht.
Anders dan de bank betoogt, levert aanvaarding van de opvatting dat het bodemvoorrecht reeds bestaat vóór het opleggen van de navorderingsaanslag geen strijd op met het fixatiebeginsel (aanvaard in HR 31 december 1909, W. 8957, herhaald in HR 18 december 1987, NJ 1988, 340 m.nt. G., waarover de conclusie voor HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 m.nt. WMK onder 11 en 16). Dit beginsel houdt in dat door het intreden van het faillissement de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt, en brengt mee dat een schuldeiser zijn positie niet behoort te kunnen versterken ten nadele van de overige schuldeisers door handelingen tijdens het bestaan van het faillissement (zie HR 18 december 1987, NJ 1988, 340, r.o. 3.3 en Losbladige Invorderingswet aant. 47 op art. 21). Als het voorrecht van de fiscus reeds voor het uitbrengen van een naheffingsaanslag bestaat, levert het uitbrengen van die aanslag geen versterking op van de positie van de ontvanger, en vormt het fixatiebeginsel derhalve geen obstakel.
Dat neemt niet weg dat de ontvanger door het uitbrengen van een naheffingsaanslag langdurig achterwege te laten bij de pandhouder de gerechtvaardigde indruk kan wekken geen vordering op de failliet te hebben c.q. bij de curator te zullen indienen, dan wel af te zien van zijn voorrecht- Dat doet zich hier echter niet voor.
Het hof heeft, uitgaande van zijn zojuist besproken opvatting dat de ontvanger zijn voorrecht geldend moet maken door een navorderingsaanslag uit te brengen vooraleer zij jegens de pandhouder beroep op kan doen op zijn voorrecht, in r.o. 5.12 overwogen dat de ontvanger zijn voorrecht niet meer geldend kan maken 'op grond van ná de "executie" van de verpande zaken - meer in het bijzonder na de daaropvolgende afdracht van de opbrengst aan de bank - opgelegde aanslagen."
Deze voortbouwende overweging gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting indien men met mij oordeelt dat de ontvanger reeds vóór het uitbrengen van navorderingsaanslagen jegens de pandhouder beroep kon doen op zijn voorrecht. Maar ook indien men dat oordeel verwerpt, valt op de juistheid van 's hofs geciteerde overweging af te dingen. Beslissend is dan immers niet het moment waarop de curator de bodemzaken heeft verkocht of het moment waarop hij de opbrengst aan de pandhouder heeft afgedragen, maar het moment waarop de zaken ophielden bodemzaken te zijn. Dat is het moment waarop de zaken feitelijk geleverd werden aan [B], dan wel, indien de curator de zaken door constitutum possessorium aan [B] zou hebben geleverd, het moment waarop de zaken van de bodem werden afgevoerd teneinde [B] alsnog de feitelijke macht te verschaffen (vgl. art. 3:90 leden 1 en 2 BW). Uit de vaststaande feiten valt hierover verder niets af te leiden.
Ook de klachten van subonderdeel 5c treffen dus doel. Hetzelfde geldt voor de daarop voortbouwende klachten van onderdeel 6.
De gegrondbevinding van de onderdelen 5 en 6 van het cassatiemiddel in het principale beroep leidt ertoe dat, terwijl 's hofs beslissing in conventie in stand kan blijven, die in reconventie moet worden vernietigd, omdat de daar bedoelde kwesties niet van belang blijken te zijn. Na verwijzing zal het hof de vordering in reconventie verder dienen te behandelen teneinde te onderzoeken in hoeverre de vorderingen van de ontvanger uit het vrije boedelactief kunnen worden voldaan. Hiervan hangt immers af of en tot welk bedrag de vordering uit onverschuldigde betaling van de bank zich voor toewijzing leent.
Conclusie De conclusie strektin het principale beroep: tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de in reconventie gegeven beslissing betreft en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling van de vordering in reconventie; in het incidentele beroep: tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Zou wel beslag zijn gelegd, dan zou dit door de faillietverklaring zijn vervallen (ingevolge art. 33 Fw., vgl. Losbladige Invorderingswet (Fiscale Encyclopedie De Vakstudie) art. 21 aant. 48). Hierin schuilt een belangrijk verschil met de situatie vóór 1992: goederen die door de belastingplichtige in fiduciaire eigendom waren overgedragen, werden niet getroffen door het faillissementsbeslag, zodat het bodembeslag van de fiscus van kracht bleef na de faillietverklaring. Nu naar huidig recht de fiduciaire eigendomsoverdracht in art. 3:84 lid 3 wordt uitgesloten en verpanding daarvoor in de plaats is getreden, heeft de wetgever de artt. 21-22 Iw per 1 januari 1992 grondig gewijzigd. Globaal kan men zeggen dat het bodemrecht sedert 1992 aan betekenis heeft ingeboet, en het bodemvoorrecht in dezelfde mate belangrijker is geworden. Vgl. Boekraad, a.w. p. 236.
Anders echter voor hypotheek J.J.A. de Groot, WPNR 5953 (1990), p. 188 l.k.
Zie voor andere toepassingen van dezelfde gedachte art. 1:96 lid 1 BW; art. 497 lid 3 en 736 lid 3 Rv. Zie in het oude recht ook art. 1868 BW (borgtocht); het daar geregelde voorrecht van voorafgaande uitwinning van de schuldenaar is in het huidige BW niet teruggekeerd (zie Pari. Gesch. Boek 7, p. 419).
Anders is het indien de ontvanger beslag heeft gelegd: in dat geval geldt de zaaksvervangingsregeling van art. 455a Rv. Vgl. art. 21 § 1 onder 5 van de Leidraad Invordering.
Dit alles is niet in strijd met hetgeen Boekraad, a.w. p. 251-252 betoogt. Men lette erop dat hij daar spreekt over de situatie waarin de fiscus boedelschuldeiser is, als gevolg waarvan vereist is dat voor het ontstaan van het bodemvoorrecht eerst bodembeslag dient te worden gelegd door de ontvanger.
Beslissend moet, ook in het stelsel van het hof, het moment zijn waarop de ontvanger zijn bevoorrechte vordering bij de curator geldend heeft gemaakt: navorderingsaanslagen worden immers evenmin rechtstreeks aan de bank bekend gemaakt. Dat de bank niet bekend was met de vordering van de ontvanger is derhalve niet beslissend.
Een complicatie doet zich voor indien [B] niet alleen de inventaris zou hebben gekocht, maar ook de bedrijfsruimten van het Rijkvaart-concern. De verwijdering van de bodemzaken uit deze ruimten is dan m.i. niet beslissend; vanaf het moment dat de bedrijfsruimten aan [B] toebehoren kunnen de inventaris-goederen niet langer als bodemzaken van het [A]-concern worden aangemerkt.