← Nederland

ECLI:NL:PHR:1998:ZD3873

Nr. 108.084 Zitting 6 oktober 1998 Mr Fokkens Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College,

  1. Verdachte is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht".
  2. Namens verdachte heeft mr K. de Meij, advocaat te Eindhoven, één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de afwijzing van het verzoek om onbetaalde arbeid ten algemenen nutte op te leggen.
  3. De raadsman heeft namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende aangevoerd: "Ik wijs er nog op dat cliënt moet rondkomen van een RWW-uitkering en dat zijn moeder deze week is overleden na een ziekbed van acht jaar. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou voor de vader van cliënt de genadeklap betekenen. De vader van cliënt is namelijk hartpatiënt. Ik pleit daarom voor vervanging van een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf door onbetaalde arbeid ten algemenen nutte. " Het hof overweegt na de standaardmotivering: "Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met: - de ernst van het bewezen verklaarde ( ... ); - de omstandigheid dat verdachte reeds eerder terzake geweldsdelicten is veroordeeld. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De verdachte heeft een aanbod gedaan tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, voor het geval het hof voornemens zou zijn een geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. Dit aanbod moet worden verworpen omdat het hof een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf beter geschikt acht om de verdachte de onjuistheid van zijn handelwijze te doen inzien dan de straf van onbetaalde arbeid. "
  4. Aldus heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat ondanks hetgeen is aangevoerd over de dood van verdachtes moeder en de hartkwaal van zijn vader, in het licht van verdachtes strafrechtelijk verleden en gelet op de ernst van dit nieuwe geweldsdelict, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Anders dan het middel wil is het aanbod daarmee toereikend gemotiveerd afgewezen. Vgl. HR DD 95.379 en 98.
  5. Het hof heeft -anders dan in HR NJ 1997, 43- aangegeven waarom het aanbod moest worden afgewezen. HR NJ 1982, 202 -overigens niet betreffende een afwijzing van een verzoek om onbetaalde arbeid- gaat over een situatie waarin de verdachte zelf door de zenuwarts bevestigde psychiatrische problemen had: het arrest is niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie.
  6. De omstandigheid dat verdachte sedert de uitspraak van het hof een vaste baan heeft gekregen, maakt de situatie voor verdachte nu niet anders. Deze omstandigheid was ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep en ten tijde van de uitspraak nog niet bekend en is dus niet aan de orde gekomen, en kan daarom ook in cassatie, waar wordt geoordeeld over de bestreden uitspraak, niet aan de orde komen. Ik merk overigens op dat verdachte slechts twee weken daadwerkelijk hoeft uit te zitten: met het opnemen van vakantiedagen moet de vaste baan wel te redden zijn.
  7. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.