← Nederland

ECLI:NL:PHR:1998:ZD3883

Nr. 108.342 Zitting 6 oktober 1998 Mr Fokkens Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College,

  1. In deze zaak gaat het om het volgende. De verdachte is bij arrest van 7 september 1995 door het gerechtshof te Amsterdam wegens "de voortgezette handeling van het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf. Op 19 november 1996 heeft de Hoge Raad dit arrest vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en de zaak ter verdere berechting verwezen naar het gerechtshof te Arnhem heeft -na verwijzing door de Hoge Raad- verdachte opnieuw straf opgelegd. Namens verdachte heeft mr M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
  2. Het eerste middel faalt omdat het miskent dat de Hoge Raad bij arrest van 19 november 1996 's hofs arrest van 7 september 1995 enkel heeft vernietigd en verwezen ten aanzien van de strafoplegging. Voor het overige -bewezen- verklaring, bewijsmiddelen, kwalificatie en dergelijke- is de eerdere uitspraak van het hof dus in stand gebleven. De eis dat deze overige beslissingen in het bestreden arrest herhaald hadden moeten worden, vindt geen steun in het recht.
  3. Het tweede middel betreft het tijdsverloop in de gehele zaak. Het arrest houdt dienaangaande in: "Ter terechtzitting is namens de verdachte de niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, nu de berechting van verdachte heeft plaatsgevonden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof stelt op grond van de stukken van het geding en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast. Op 30 oktober 1992 is verdachte voor het eerst verhoord terzake van verdenking van het thans telastegelegde feit en terzake van verdenking van dat feit in verzekering gesteld. Vervolgens is verdachte gedagvaard tegen de terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 4 februari
  4. Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 18 februari 1993 werd verdachte veroordeeld. Verdachte en de officier van justitie hebben op 4 maart 1993 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Verdachte is vervolgens in hoger beroep gedagvaard ter terechtzitting van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 juli
  5. Verdachte is bij arrest van 19 juli 1993 door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld, tegen welk arrest verdachte op 2 augustus 1993 beroep in cassatie heeft ingesteld. Bij het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 22 november 1994 is het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigd en is de zaak verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Verdachte is in hoger beroep gedagvaard ter terechtzitting van het gerechtshof te Amsterdam van 9 mei
  6. Verdachte is bij arrest van 7 september 1995 door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld, tegen welk arrest verdachte op 11 september 1995 beroep in cassatie heeft ingesteld. Bij het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 19 november 1996, is het arrest van het gerechtshof te Amsterdam vernietigd uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en is de zaak naar dit hof verwezen, teneinde inzoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Verdachte is in hoger beroep gedagvaard ter terechtzitting van dit hof van 12 juni
  7. Het hof is van oordeel dat de periode vanaf de verwijzing door de Hoge Raad naar dit hof tot aan de behandeling ter terechtzitting van dit hof, zulks ook in samenhang beschouwd met de totale duur van de behandeling van de strafzaak tegen verdachte, niet de conclusie van de raadsman kan wettigen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Nu ook overigens geen omstandigheid is gesteld, gebleken of aannemelijk geworden waaruit zou volgen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wordt het door de raadsman van verdachte gevoerde verweer verworpen. "
  8. ' s Hofs oordeel, dat in het onderhavige geval het tijdsverloop niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Het is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Vgl. in dit verband EHRM 22 mei 1998, NJCM-bulletin
  9. p. 622-625, waarin het Hof oordeelt dat een termijn van drie jaren en tien en een halve maand voor berechting in drie instanties niet als onredelijk kan worden beschouwd en EHRM 25 november 1992, NJ 1993,24 ( [naam] ) in welke zaak een tijdsverloop van vier jaren en zes maanden op zich niet als onredelijk werd beschouwd voor de berechting van een ernstige (maar niet buitengewoon gecompliceerde) strafzaak in vijf instanties. Hier gaat het om berechting in zes instanties in een tijdsbestek van 4 jaren en vijf maanden. Ook het tijdsverloop in de (laatste) cassatiefase is niet van dien aard dat geoordeeld moet worden dat thans wel een niet-ontvankelijkverklaring zou moeten volgen. Anders dan in de zaak [naam] is in deze zaak geen sprake van langdurige periodes van "total inactivity". Zo bedroeg de tijd die na het instellen van het hoger beroep tot de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad verliep de eerste keer 6 maanden, de tweede keer 3 maanden en de derde keer 4 maanden. Na verwijzing door de Hoge Raad werd de zaak telkens na ongeveer een half jaar behandeld, zodat ook daar geen onnodige vertraging optrad. Het middel is dan ook tevergeefs voorgesteld. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep zal worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.