Nr. 111.149 E Zitting 29 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College,
- Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker op 8 mei 1998 voor feitelijk leidinggeven aan misdrijven van de Wet milieugevaarlijke stoffen en valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, tot een geldboete van dertigduizend gulden veroordeeld.
- Mr A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr J. P. Plasman, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, dat één middel van cassatie zou bevatten.
- Het middel stelt dat het hof verzuimd zou hebben deugdelijk op een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te beslissen. De toelichting op het middel kent de volgende aanvang: Bij pleidooi ter zitting van het Hof is uitvoerig betoogd dat door het Openbaar Ministerie en dan met name door de Officier van Justitie in de Rechtbank 's Gravenhage zodanig in strijd met het recht tegen rekwirant is opgetreden dat sprake is van zodanige schending van de regels van een goede procesorde dat niet ontvankelijkheid het gevolg dient te zijn. Met betrekking tot het gevoerde verweer verwijst rekwirant naar de ter zitting van het Hof overgelegde pleitnota. Het Hof heeft nagelaten op dit verweer deugdelijk te beslissen. Tot hier voldoet het aangevoerde niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel zijn te stellen. Aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is een pleitnota gehecht waarvan de eerste zeven bladzijden betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Minimaal vier gronden worden aangevoerd die tot niet-ontvankelijkverklaring zouden moeten leiden. Een verwijzing naar "de overgelegde pleitnota" en de bewering dat het hof heeft nagelaten "op dit verweer deugdelijk te beslissen" is onvoldoende gespecificeerd. 4.
- Vervolgens somt de schriftuur in een soort extra toelichting nog eens vijf Romeins genummerde punten op, die kennelijk zijn bedoeld als een opsomming van motiveringsgebreken in het arrest. Volledigheidshalve zal ik de punten hier bespreken. 4.
- Het als I aangegevene, dat de vaststelling van het hof dat er geen transactie tot stand is gekomen onbegrijpelijk is, omdat in het verweer ook reeds was gesteld dat er geen transactie tot stand is gekomen, overstijgt mijn bevattingsvermogen. Dat een rechter aansluit bij hetgeen bij wege van verweer is aangevoerd hoeft immers een beslissing nog niet onbegrijpelijk te maken. Meer verstandigs kan ik helaas over dit punt niet bedenken. 4.
- Alvorens de overige punten aan de orde stellen is het zinvol de overwegingen van het gerechtshof over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie weer te geven: De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, omdat het optreden van de officier van justitie in ernstige mate in strijd is geweest met het recht, in het bijzonder de regels van een goede proces-orde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie onbevoegd was een transactie/schikking aan te gaan met de verdachte en daarbij op grove wijze misbruik heeft gemaakt van het gegeven dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond, een en ander zoals nader toegelicht in de pleitnotities van de raadsman. Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige strafzaak geen transactie tot stand gekomen, nu verdachte vrijwel aanstonds na de totstandkoming van de door de raadsman bedoelde en namens de verdachte ondertekende verklaring op die verklaring is teruggekomen omdat hij - zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde - een oordeel van de rechter omtrent de feiten waarvan hij verdacht werd wenste, terwijl voorts betaling van enig geldbedrag achterwege is gebleven. Het hof overweegt in dit verband voorts nog dat tegenover het door verdachte genoten voordeel ten aanzien van de totstandkoming van vorenbedoelde verklaring, gelegen in de zekerheid van directe invrijheidstelling, slechts mogelijk enig financieel nadeel, voortvloeiend uit het tegen hem aangespannen zijn van een civiele procedure, kan volgen. Naar het oordeel van het hof zijn, het vorenoverwogene mede in aanmerking genomen, - daar gelaten wat er overigens zij van het handelen van de officier van justitie met betrekking tot de totstandkoming van de namens verdachte ondertekende verklaringen en de door de officier van justitie gestarte civiele procedures - geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die tot de conclusie dienen te leiden dat door de officier van justitie zodanig is gehandeld dat het openbaar ministerie op grond van handelen in strijd met enig beginsel van een goede proces-orde niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Het openbaar ministerie is, nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die tot een andere conclusie dienen te leiden, ontvankelijk in zijn vervolging. 4.
- Onder II betoogt de steller van de schriftuur dat het hof onvoldoende heeft gereageerd op de stelling dat de officier van justitie misbruik van omstandigheden heeft gemaakt en dat de voorlopige hechtenis zonder meer had moeten worden opgeheven. Ik begrijp uit de pleitnota in hoger beroep dat de voorlopige hechtenis volgens de verdediging als drukmiddel is gebruikt bij onderhandelingen en dat verzoeker in vrijheid had moeten worden gesteld zodra het streven van het openbaar ministerie erop was gericht te komen tot een schikking en een transactie. Het gerechtshof heeft evenwel vastgesteld dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zouden voeren wegens schending van beginselen van een goede procesorde. Aldus heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat er geen sprake is geweest van ernstige inbreuken op die beginselen waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het enkele feit dat onderhandeld is over een transactie en een schikking terwijl verzoeker voorlopig gehecht was hoefde het hof niet tot een ander oordeel te brengen. Daarom zijn de overwegingen van het hof op dit punt niet onbegrijpelijk. 4.
- Onder III wordt gesteld dat het oordeel van het gerechtshof onvoldoende gemotiveerd zou zijn omdat het hof zou hebben nagelaten te onderzoeken hoe groot het financieel nadeel is dat verzoeker door het handelen van het openbaar ministerie heeft geleden. Meer bepaald doelt de steller van de schriftuur hier klaarblijkelijk op de kosten van rechtsbijstand voor zover die voor rekening van verzoeker blijven. Over de kosten van rechtskundige bijstand heeft de advocaat ter terechtzitting van het hof verklaard dat deze kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het sluiten van de overeenkomst, zonder zich evenwel over de hoogte van die kosten uit te spreken. In de pleitnota is te lezen dat van de kant van de Staat nog niets is vernomen over de in de civiele zaken uitgesproken kostenveroordelingen. Dat onder die omstandigheden het hof zich niet heeft uitgelaten over - en geen onderzoek heeft gedaan naar - de ten laste van verzoeker komende kosten van rechtsbijstand, maar ermee heeft volstaan te overwegen dat daarmee nog mogelijk enig financieel nadeel voor verzoeker zal zijn gemoeid is niet onbegrijpelijk. 4.
- Hetzelfde geldt voor het onder IV aangevoerde. Het hof heeft de strafoplegging onder meer gemotiveerd door te verwijzen naar de financiële draagkracht van verzoeker zoals die uit het onderzoek ter zitting is gebleken. Het hof heeft klaarblijkelijk de financiële positie van verzoeker ingeschat, rekening houdend met alle omstandigheden die daarover aan het hof bekend waren op het moment van het wijzen van het arrest, waaronder ook de financiële gevolgen die de onderhavige strafzaak voor verzoeker, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd, heeft gehad. Tot meer was het hof niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat er geen strafmaatverweer is gevoerd. Vergeleken met de strafoplegging in eerste aanleg en de strafeis van de Procureur- Generaal in hoger beroep valt voorts vast te stellen dat de straf door het hof opgelegd aanzienlijk afwijkt in neerwaartse richting. 4.
- Wat betreft het onder V gestelde; het hof heeft een beslissing gegeven over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op grond van vaststellingen die wegens hun feitelijk karakter in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst. Dat het hof geen strijd met enig beginsel van een goede procesorde heeft kunnen vaststellen houdt een weerlegging in ook van de bezwaren die door het hof niet expliciet zijn besproken.
- Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Mr A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p.82 e.v. Zie HR 7 oktober 1997, nr. 104.747; NJ 1998, 153, r.o. 7.
- die helaas niet in de NJ is opgenomen; HR NJ 1998,694, r.o.
- HR NJ 1991,67.