Nr. 111.189 Zitting 29 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College
- Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verzoeker op 2 juli 1998 voor zedendelicten (1 subsidiair het misdrijf van art.245 Sr; 4 het misdrijf van art.246; 5 subsidiair onder A het misdrijf van art.245 (oud) Sr, meermalen gepleegd; 5 subsidiair onder B subsidiair het misdrijf van art.249 Sr en 8 meer subsidiair eveneens het misdrijf van art.249 Sr.) veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.
- Mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden, heeft cassatie ingesteld. Mr R. Moszkowicz, advocaat te Nieuwegein, heeft een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie. 3.
- De middelen 1 en 3 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Beide middelen klagen dat verzoeker voor het misdrijf van art. 245 Sr is veroordeeld terwijl een klacht ontbrak. Het betreft hetgeen is bewezenverklaard onder 1 subsidiair en onder 5 subsidiair onder A. 3.
- Om met het laatste te beginnen; onder 5 subsidiair onder B subsidiair is bewezenverklaard dat verzoeker in dezelfde periode op dezelfde plaats met dezelfde minderjarige, maar dan aangeduid als aan verzoekers waakzaamheid toevertrouwd zijnde, ontucht heeft gepleegd. Daarom deed zich de uitzondering voor van art.245 lid 2 (oud) Sr. Een klacht was niet nodig nu er tevens van het misdrijf van art. 249 lid 1 (oud) Sr sprake was. 3.
- Met betrekking tot het slachtoffer van het onder 1 subsidiair bewezene valt in de verklaring die het slachtoffer op 29 mei 1998 als getuige ter zitting van het hof heeft afgelegd (p.16) te lezen dat zij aangifte heeft gedaan omdat zij wilde dat verzoeker vervolgd zou worden. Ik citeer uit HR NJ 1997,546: Het bepaalde in art. 164 Sv strekt ertoe te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Indien een stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in het eerste lid van art. 164 Sv worden aangenomen indien op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van bedoeld stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (HR 11 januari 1994, NJ 94, 278). Op grond van de inhoud van de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting in appel kan mitsdien worden aangenomen dat aan het klachtvereiste is voldaan. Het eerste en derde middel falen. 4.
- Het tweede middel klaagt over het bewijsconstructie ten aanzien van het onder 4 bewezene, omdat daar de regel van art. 342 lid 3 Sv - ten onrechte noemt het middel art. 342 lid 2 Sv - zou zijn geschonden. 4.
- Volgens de steller van het middel behoeft de klacht geen nader betoog, maar het komt mij voor dat dit wel erg snel gezegd is. De door verzoeker afgelegde en voor het bewijs gebezigde verklaring houdt immers in dat het meisje, dat de andere voor het bewijs gebezigde verklaringen heeft afgelegd, inderdaad verzoeker op de manege hielp. Er ontwikkelt zich dan dezelfde gang van zaken als waaronder andere jeugdige aangeefsters blijkens hun aangiftes gebukt zijn gegaan; verzoeker begon handtastelijk te worden, pakte de meisjes onverwacht op eenzame plaatsen op de manege bij de borsten, etc. Voor wie de andere verklaringen heeft gelezen een helaas maar al te vertrouwd beeld. Gelet op de achtergrond van de bewijsvoering van de andere feiten heeft het hof art.342 lid 3 Sv niet geschonden door naast de verklaringen van het slachtoffer enkel de verklaring van verzoeker voor het bewijs te bezigen. Het middel faalt. 5.
- Het vierde middel klaagt over het bewijs van het onder 8 meer subsidiair bewezenverklaarde. Meer bepaald zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen zijn af te leiden dat verzoeker ook tijdens de stageperiode van [slachtoffer] haar seksueel zou hebben gepenetreerd. 5.
- Uit de verklaringen van het meisje blijkt dat zij geboren is op [geboortedatum] 1970 en bij verzoeker stage heeft gelopen vanaf 25 augustus 1986 tot 3 november 1986 (bewijsmiddel 11). In bewijsmiddel 10 verklaart zij dat verzoeker haar seksueel penetreerde met zijn vingers toen zij 15 was en dat verzoeker "aan haar zat" terwijl zij stage liep. Voor het bewijs is ook gebruikt de verklaring die verzoeker tegenover de politie heeft afgelegd (bewijsmiddel 13). Verzoeker verklaart daarin dat het meisje stage heeft gelopen op de manege en dat hij met haar heeft 'gerommeld', en dat het ook wel is gebeurd dat hij met zijn vingers in haar vagina ging. Alleen uit deze verklaringen heeft het hof al af kunnen leiden dat de penetratie met de vingers plaatsvond terwijl het meisje stage liep. Alles wat het hof in een extra bewijsoverweging te berde heeft gebracht is ten overvloede. Het middel faalt. 6.
- Het vijfde middel klaagt dat het hof ten onrechte onder 8 heeft bewezenverklaard dat het in de telastelegging genoemde meisje een aan verzoekers opleiding toevertrouwde minderjarige, althans verzoekers minderjarige ondergeschikte was. 6.
- Onder 13 heeft het hof voor het bewijs van dat feit gebezigd de verklaring van verzoeker, dat het meisje op de manege stage heeft gelopen in verband met haar school. De strekking van art.249 Sr is het bieden van bescherming aan hen die op grond van hun minderjarigheid of afhankelijkheid in een bijzonder kwetsbare positie verkeren en in een relatie tot de dader staan waaraan deze tot het slachtoffer een zeker overwicht kan ontlenen. Dat is zeker het geval wanneer vanuit de opleiding die de minderjarige volgt een stage wordt gelopen die klaarblijkelijk deel van die opleiding uitmaakt. Het middel faalt. 7.
- Het zesde middel klaagt over de strafoplegging. Het middel voert een aantal omstandigheden aan die de opgelegde straf disproportioneel zouden maken. 7.
- Het hof heeft de strafoplegging uitvoerig gemotiveerd. Het hof heeft bijzonder gewezen op de grote ernst van de bewezen feiten gelet op de jeugdige leeftijd en de kwetsbaarheid van de slachtoffers. Voorts heeft het hof in ogenschouw genomen de persoonlijkheid van de verdachte en de gevolgen die een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf speciaal gelet op de persoonskenmerken zou hebben. Het hof heeft voorts geoordeeld dat verzoeker niet detentieongeschikt is en geconcludeerd dat de argumenten voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moeten prevaleren boven de belangen van verzoeker die een contra-indicatie vormen. Aldus is de straf toereikend gemotiveerd. De opgelegde straf is in het licht van de door het hof aangehaalde omstandigheden en tegen de achtergrond van de maximaal aan verzoeker op te leggen straf (tien jaar en acht maanden) beslist niet onevenredig te noemen. Het middel faalt.
- De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening op de voet van art.101a RO worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal Bij de Hoge Raad der Nederlanden Het vervolgingsrecht voor de feiten onder 5 telastegelegd was ook nog niet verjaard. Als art.70 Sr e.v. niet bij Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529, in werking getreden op 1 september 1994) zouden zijn gewijzigd zou het vervolgingsrecht inmiddels gedeeltelijk zijn verjaard. Maar op 1 september 1994, toen de nieuwe verjaringsregeling voor de zedendelicten in werking trad, waren er nog geen feiten uit de telastelegging verjaard, zodat op al die feiten ook de nieuwe verjaringsregeling van toepassing werd (HR 3 maart 1998, NJB 1998,53, p.667). HR NJ 1954,
- DD 96.057; HR NJ 1997,361; HR NJ 1997,485.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.