← Nederland

ECLI:NL:PHR:1999:27

Nr. 110.883 Zitting: 1 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College,

  1. Bij vonnis van 24 april 1997 is verzoeker door de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch ter zake van "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen hebben gesloten en in stand gehouden" veroordeeld tot een geldboete van zevenhonderdvijftig gulden, subsidiair vijftien dagen hechtenis, alsmede tot ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden.
  2. Namens hem heeft mr J.W. Weehuizen, advocaat te 's- Hertogenbosch, twee middelen van cassatie voorgesteld.
  3. Het eerste middel begrijp ik aldus, dat het op de stelling berust dat - nu uit de stukken niet blijkt dat het register van de Dienst Wegverkeer is geraadpleegd - niet, althans niet op rechtens afdoende wijze, blijkt dat door verzoeker voor het motorrijtuig met het [kenteken] "geen verzekering overeenkomstig de WAM waş gesloten en in stand gehouden, op 6 december 1994". 3.
  4. Het middel mist feitelijk grondslag. De onder
  5. tot het bewijs gebezigde opgave van het Centraal Register Wet aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen van 22 mei 1995 betreffende het [kenteken] houdt in dat betreffende dat kenteken "op peildatum 6 december 1994 ( ... ) geen verzekering staat geregistreerd." Deze opgave bevindt zich ook als brief bij de stukken, afkomstig van de Rijksdienst voor hẹt Wegverkeer, afdeling voertuigdocumenten en centrale registratie. 3.
  6. Het eerste middel is dus ondeugdelijk.
  7. Het tweede middel berust op de stelling dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat door de desbetreffende verbalisant "de vordering is gedaan als bedoeld in artikel 34 lid 1 en 2 van de WAM, inhoudende dat requirant van cassatie zal aantonen dat hij inderdaad aan zijn verzekeringsplicht heeft voldaan", zoals verzoeker de desbetreffende verbalisant heeft laten weten. 4.
  8. Ook dit middel is, in meer dan één opzicht, ondeugdelijk. Het zich bij de stukken bevindende door [verbalisant] , hoofdagent/wachtmeester 1e klas, ambtsedig opgemaakte proces-verbaal nr. 06.12.94.0354.8676 houdt in: Feit geconstateerd op 06-12-1994 Via brief in de gelegenheid gesteld verzekering aan te tonen en Aan deze persoon werd een antwoordformulier gezonden. Hierop werd binnen de gesteld termijn van 25 dagen geen reaktie ontvangen. 4.
  9. Hoewel uit het hierboven weergegeven proces-verbaal blijkt dat aan verzoeker niet "een vordering" is gedaan als bedoeld in art. 34, eerste lid, WAM, zoals dat artikel luidde tot 1 juli 1996, aan welke vordering degene tot wie de vordering is gericht op straffe van hechtenis dan wel een geldboete van de tweede categorie verplicht is gevolg te geven ingevolge het derde lid evengenoemde bepaling, is verzoeker gelet op de stukken dus wel degelijk door de politie in de gelegenheid gesteld alsnog een bewijs van verzekering over te leggen. Ik neem aan dat dit het "recht" is waarin de steller van het middel verzoeker beschermd wil zien. Een juridische aanspraak op de vordering cfm art. 34, eerste lid, WAM (oud) had verzoeker namelijk allerminst. In laatstgenoemde bepaling werd en wordt nog steeds namelijk over "kan" gesproken, waaruit volgt dat het doen van de desbetreffende vordering tot één van de discretionaire bevoegdheden van de opsporingsambtenaar - en dus niet tot zijn verplichtingen - behoort. Overigens wil ik erop wijzen dat verzoeker blijkens de stukken ook nadien niet een verklaring als bedoeld in art. 34, tweede lid, WAM heeft overgelegd. 4.
  10. Het tweede middel faalt dus eveneens.
  11. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Anders in dit opzicht is de zaak die is gepubliceerd in HR DD 97.
  12. In deze zaak was aan de appelakte een verklaring als bedoeld in art. 34, tweede lid, WAM gehecht, hetgeen volgens de Hoge Raad het ernstige vermoeden deed rijzen dat de desbetreffende auto wel verzekerd was. Op deze grond was de bewezenverklaring door de rechtbank van art. 30, tweede lid, WAM ontoereikend gemotiveerd.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.