← Nederland

ECLI:NL:PHR:1999:29

Nr. 110.749 Zitting 1 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College,

  1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoekster op 8 juni 1998 voor het opzettelijk handelen in strijd met art.2 lid 1 onder A Opiumwet veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden. Verzoekster heeft cassatie ingesteld en mr C.J. van Woerden, advocaat 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
  2. Het eerste middel klaagt dat het gerechtshof ten onrechte niet ambtshalve een onderzoek heeft ingesteld naar de wijze van bewijsvergaring op Schiphol. Uit de inhoud van het door het hof als 2 in de aanvulling op het verkort arrest gebezigde bewijsmiddel zou rechtstreeks het vermoeden voortvloeien dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, nu ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee, die slechts belast zijn met de uitoefening van de politietaak de Schiphol, de koffer van verzoekster hebben onderzocht zonder dat zij verdenking jegens haar koesterden.
  3. Het middel mist feitelijke grondslag. Het middel nodigt uit tot kennisneming van de inhoud van het bewijsmiddel in de oorspronkelijke vorm, omdat het hof de inhoud van het proces-verbaal zakelijk heeft weergegeven, waardoor de een aantal gegevens die in verband met de opgeworpen vraag essentieel zijn, in de aanvulling op het verkort arrest verborgen blijven. Ik citeer de oorspronkelijke inhoud van het bewijsmiddel: Wij, [verbalisant 1] wachtmeester 1e klas der Koninklijke marechaussee District Luchtvaart te Schiphol, werkzaam in het Schipholteam. [verbalisant 2] bevoegd douaneambtenaar BOA [nummer] werkzaam in het Schipholteam verklaren het volgende : Op dinsdag 10 december 1996 omstreeks 07.30 uur bevonden wij, verbalisanten, ons in de Terminal 3 aankomst nabij de groene douanedoorgang van de luchthaven Schiphol gelegen in de gemeente Haarlemmermeer. Op bovengenoemde plaats en tijd werd zojuist de bagage gelost van de KLM-vlucht KL [nummer] welke zojuist was gearriveerd vanuit Paramaribo (Suriname) Bevindingen [verbalisant 2] : Op genoemde plaats en tijd voormeld zag ik een voor mij onbekende vrouw, komende vanaf bagage band 15, lopen in de richting van de douane-balie. Ik sprak vervolgens de vrouw aan, na bekendmaking van mijn kwaliteiten (AM: lees: kwaliteit) als douane ambtenaar en vroeg haar of zij nog iets ten invoer had aan te geven. De voornoemde vrouw antwoordde ontkennend. Vervolgens vroeg ik de vrouw of zij haar bagage, welke zij met zich voerde, ter visitatie wilde aanbieden. Vervolgens overhandigde de vrouw desgevraagd haar reisbescheiden. Uit het vliegticket bleek dat de vrouw zojuist was gearriveerd vanuit Paramaribo met de KLM vlucht KL [nummer] . Ik zag aan het paspoort dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezat en genaamd was: [verzoeker] Ik vroeg vervolgens wat haar doel van haar reis was geweest en de vrouw verklaarde mij dat zij voor familie bezoek vier weken in Suriname was geweest. Ik vroeg vervolgens of zij haar hand- en ruimbagage ter controle op de visitatiebalie wilde plaatsen. In de bagage, met uitzondering van de blauwe koffer, werd niets terzake dienende aangetroffen. Vervolgens vroeg ik of zij haar blauwe koffer, welke zij als ruimbagage met zich voerde, wilde openen. Naast diverse kledingstukken zag ik, verbalisant, een drietal pakketten. De voornoemde pakketten waren verpakt met handdoeken en bruin tape. Bij kennisneming van het oorspronkelijke verbaal blijkt dus direct dat de douaneambtenaar [verbalisant 2] verzoekster heeft aangesproken etc. Aan de inhoud van het bewijsmiddel is dus geen ernstig en rechtstreeks vermoeden te ontlenen dat onregelmatig is opgetreden door verbalisanten. Het middel faalt. 4.
  4. Het tweede middel klaagt dat het gerechtshof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer dat verzoekster detentieongeschikt zou zijn. Het verweer waarop het hof onvoldoende gereageerd zou hebben luidt volgens het proces-verbaal: [verzoeker] kan niet in kleine ruimten verblijven. Ik verzoek U dan ook een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
  5. Voor een uitgebreide verhandeling over detentie(on)geschiktheid moge ik verwijzen naar de conclusie van mijn ambtgenoot mr Van Dorst voor HR NJ 1996,
  6. 4.
  7. Het hof heeft de straf als volgt gemotiveerd: Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport, opgemaakt door mr G. W. Mulder, reclasseringsmedewerker, gedateerd 21 april
  8. De verdachte heeft naar voren gebracht dat zij - kort gezegd - detentie ongeschikt is. Bij de bepaling van de straf heeft het hof in hoge mate rekening gehouden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Niet aannemelijk is echter geworden dat de verdachte thans niet in staat zou zijn de detentie te ondergaan. 4.
  9. Aldus heeft het hof verantwoording afgelegd voor zijn oordeel, dat verzoekster vrijheidsstraf kan ondergaan. In de inhoud van het voorlichtingsrapport, van welk rapport het hof kennis heeft genomen, ligt het antwoord besloten op de vraag of dit oordeel begrijpelijk is gelet op hetgeen is aangevoerd. In het rapport is vermeld dat de rapporteur contact heeft gehad met de psychiater bij wie verzoekster in behandeling is en erin staan de aan dat contact ontleende gegevens vermeld. Kort gezegd komen deze inlichtingen er op neer dat verzoekster in 1993 in behandeling kwam als een persoon met veel lichamelijke en psychische klachten na traumatische ervaringen in haar verleden. Er speelden complexe psychosociale problemen en er was sprake van reactivering van traumatische levenservaringen. Maar als gevolg van de behandeling was er een duidelijke verbetering, waarna zij weer een terugval had. De rapporteur laat zich als volgt uit over de straftoemeting: Rapporteur refereert zich wat de straftoemeting betreft aan het oordeel van het Hof. Wellicht kan daarbij rekening worden gehouden met de financiële - en psychische situatie van betrokkene nu, en in de tijd van het delict. Tegen deze achtergrond bezien is de overweging van het gerechtshof geenszins onbegrijpelijk. De strafoplegging is naar mijn oordeel voldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt eveneens.
  10. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
  11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Voor een uitgebreide verhandeling over detentie(on)geschiktheid moge ik verwijzen naar de conclusie van mijn ambtgenoot mr Van Dorst voor HR NJ 1996, 165.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.