← Nederland

ECLI:NL:PHR:1999:30

Nr. 110.808 Zitting 1 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College,

  1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoekster op 3 juni 1998 wegens diefstal veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende dertig uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf.
  2. Mr A.P. Visser heeft beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie. Het beroep is onbeperkt ingesteld, maar ik neem aan dat het niet de bedoeling is op te komen tegen de vrijspraak van het onder 2 telastegelegde, zodat het beroep beperkt ware te verstaan. 3.
  3. Het middel klaagt over het bewijs, meer bepaald over het bewijs van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Dat oogmerk zou niet bewezen kunnen worden, zoals ook al aan het gerechtshof was voorgehouden. In ieder geval zou niet kunnen worden vastgesteld dat het oogmerk al bestond op het moment dat verzoekster de waren uit de rekken pakte. 3.
  4. Het hof heeft in de aanvulling op het verkorte arrest een bewijsoverweging opgenomen in reactie op het verweer dat verzoekster zich met de winkelwaren slechts tijdelijk wilde verwijderen uit de winkel: Het hof passeert dit verweer, dat nergens wordt gesteund, als ongeloofwaardig. Het hof laat hierbij meewegen dat verdachte in het verleden al meermalen ter zake van diefstal is veroordeeld. Voorts is tijdens het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat verdachte wist hoe de normale gang van zaken in een winkel is met betrekking tot het afrekenen van winkelgoederen. 3.
  5. Van alle omstandigheden waarop in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan ter ondersteuning van het standpunt van verzoekster is er maar één die bevestiging vindt in hetgeen door het hof in de bewijsconstructie is vastgesteld, te weten dat verzoekster korte tijd in een rij heeft gestaan. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat verzoekster de voorwerpen in de winkel in haar tas deed en - na even in de rij te hebben gestaan - de winkel zonder betalen heeft verlaten. Het hof heeft geen geloof gehecht aan de bewering van verzoekster dat zij de waren wel wilde betalen, maar later, wanneer zij in de winkel zou zijn teruggekeerd. Dat zij al eerder voor diefstal is veroordeeld en de normale gang van zaken in een winkel kent maakt de voorstelling van zaken die verzoekster geeft niet erg waarschijnlijk. Als men immers van plan is tijdelijk even de winkel te verlaten is het niet gebruikelijk de boodschappen die men in die winkel heeft uitgezocht mee naar buiten te nemen. Het ligt dan voor de hand de tas met boodschappen bij de kassa even in bewaring te geven en af te rekenen bij terugkomst. Daarbij gevoegd de omstandigheid dat van meet af aan verzoekster de voorwerpen in haar tas heeft gestopt is het oordeel van het hof, dat verzoeksters verklaring ongeloofwaardig is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft aldus bewezen kunnen achten dat verzoekster op het moment dat zij de voorwerpen uit de schappen pakte en in haar tas deed al het oogmerk had over die goederen als heer en meester te beschikken zonder daarvoor te betalen en heeft kunnen menen dat het feit dat zij even in de rij is gaan staan daaraan niet kan afdoen. Het voorgestelde middel faalt.
  6. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
  7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Vgl. HR 16 december 1997, nr. 106.227.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.