← Nederland

ECLI:NL:PHR:1999:AA2825

Nr. 33.357 Mr Van Soest Derde Kamer A Conclusie inzake: Vennootschapsbelasting 1987 X B.V. Parket, 29 januari 1999 tegen de staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College,

  1. Korte beschrijving van de zaak. 1.
  2. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen het Hof) van 7 mei 1997, nr. P92/4848, Fiscaal up to date (Futd) 3 juni 1997, blz. 6, punt 97-
  3. Het is ingesteld door de belanghebbende, X B.V. Van het beroep in cassatie is mel ding gemaakt in Futd 23 september 1997, blz. 12<

(1)Vakstudie Nieuws 25 september 1997, blz. 3386, punt 1.
  1. >. 1.
  2. De belanghebbende is de moedermaatschappij in een fiscale eenheid (in de zin van art. 15 Wet op de vennootschapsbelas ting 1969 (Wet Vpb. 1969)) met D N.V. Hierna gebruik ik de term "belanghebbende" zonder onderscheid te maken tussen de beide vennootschappen. 1.
  3. De belanghebbende oefent het ziektekostenverzekeringsbe drijf uit. 1.
  4. In geschil is of er voor de heffing van vennootschapsbe lasting 1987 bij de winstbepaling rekening mee mag worden gehouden dat in latere jaren de door belanghebbende te ver richten uitkeringen en verstrekkingen ten behoeve van verze kerden zullen stijgen ten gevolge van de omstandigheid dat oudere mensen meer ziektekosten hebben dan jongere. 1.
  5. Het Hof heeft het geschil ten nadele van de belanghebben de beslecht. 1.
  6. Het beroep in cassatie is zonder motivering en voor het overige in overeenstemming met de desbetreffende voorschriften ingesteld. Na tijdige aanvulling steunt het op vier, in de aanvulling van het beroepschrift in cassatie, onder 1, blz. 2 <- ? - > v., met Arabische cijfers genummerde, middelen van cassatie, die zodoende aangeduid worden met 1.1, 1.2, 1.3 en 1.4 en waarvan de gronden onder 3, blzz. 5 e. v., geformuleerd zijn onder het opschrift (blz. 5) "Toelichting (...)" 1.
  7. De staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de Staatssecretaris<
(2)Bedoeld is de staatssecretaris van Financiën die bevoegd is met betrekking tot belastingzaken. In de stukken van het thans te beoordelen geding is ook sprake van een andere staatssecretaris van Financiën, te weten degene die indertijd bevoegd was met betrekking tot, onder meer, verzekeringszaken. In mijn, toch al zo uitvoerige, conclusie speelt de laatstbe doelde staatssecretaris verder geen rol.>) heeft bij vertoogschrift in cassatie de middelen bestreden. 1.
  1. De zaak is voor de belanghebbende pro forma bepleit door mr B. Emmerig en mr dr R. W. F. Hendriks, advocaten te 's-Hertogenbosch. Bij deze gelegenheid is - zo begrijp ik de pleitnota, onder 6.1, blz. 13 - middel 1.4 ingetrokken.
  2. De ontwikkeling van de rechtsstrijd. 2.
  3. Het beroepschrift was klaarblijkelijk "pro forma" bedoeld, maar bevatte toch reeds (onder 6, blz. 2) een motivering, inhoudend: "(...) 6.
  4. Goed koopmansgebruik laat toe op stelselmati ge wijze in de winstbepalende balans rekening te houden met toekomstige verplichtingen c.q. kosten. Belanghebben de deed zulks voor zover die verplichtingen/kosten naar haar verwachting, rekening houdend met actuariële grond slagen, hoger waren dan de premies die zij voor de bekos tiging daarvan zou ontvangen. 6.
  5. Belanghebbende reser veerde op stelselmatige wijze de aanvankelijk ontvangen overschotpremie in een vergrijzingsreserve, waaruit op een later tijdstip het tekort op de premie wordt geput. Goed koopmansgebruik laat toe aldus baten toe te rekenen aan het (latere) jaar waarin de daartegenover staande kosten optreden. (...)" 2.
  6. De aanvulling van het beroepschrift hield in (ik vermeld tussen haakjes nadere vindplaatsen), "(blz. 2) (...) 2.1.1 (...) dat naar mate een verzekerde ouder wordt de kans op schade (i.e. de kans op kwalen en gebreken) toeneemt. Indien men deze schade van jaar tot jaar in verzekering zou nemen, dan zou dit derhalve elk jaar tegen een hogere premie dienen te geschieden. Een zeer belangrijk gedeelte van de verzekeringen (...) die belanghebbende - langlopend - afsluit kent echter een gelijkblijvende premie die met het oog op de toekomstige kostenstijging in aanvang hoger wordt vastgesteld dan die voor een verzekering met een leeftijdsafhankelijke (=stijgende) premie. (...) 2.1.2 Teneinde voor de premie stelling van haar ziektekostenverzekeringen niet gebonden <- ? - > te worden aan de leeftijdsopbouw van het verzekerdenbe stand, werd (...) door belanghebbende het besluit genomen een voorziening voor veroudering op te bouwen. [Zij] heeft (...) daarom voor nieuw afgesloten ziektekostenver zekeringen een kapitaaldekkingstelsel op actuariële basis ingevoerd en (...) derhalve een zgn. vergrijzingsreserve voor ziektekostenverzekeringen opgebouwd. De door belang hebbende gevormde vergrijzingsreserve betreft een uit de aanvankelijke overschotpremies gevormde voorziening waaruit in een later stadium de tekorten op de alsdan verschuldigde premie worden geput. Per verzekerde zijn daartoe door de actuaris aan de hand van ervaringscijfers van belanghebbende de verwachte schadeuitkeringen vastge steld, alsmede de gelijkblijvende premie die nodig is om deze schadeuitkeringen te dekken. De (tempo-)verschillen tussen de werkelijke premie en de premie die correspon deert met het leeftijdsafhankelijke schadeniveau worden (als sprake is van een hogere werkelijke premie) aan de vergrijzingsreserve toegevoegd en (als sprake is van een lagere werkelijke premie) aan de vergrijzingsreserve onttrokken. Bij beëindiging van een verzekering wordt een eventueel nog bestaande vergrijzingsreserve opgeheven. (blz. 3) Deze vergrijzingsreserve is in wezen niets anders dan een actuarieel noodzakelijke "transitorische post" in verband met reeds ontvangen premiebestanddelen die op de toekomst betrekking hebben. (...) (blz. 9) (...) 4.1 Vorming en verdere uitbouw van de door belang hebbende opgevoerde vergrijzingsvoorziening is conform goed koopmansgebruik. (...)" 2.
  7. Het vertoogschrift van de Belastingdienst/Grote onderne mingen P (hierna te noemen de Inspecteur) hield in: "(blz. 4) (...) 5.1.
  8. (...) Bij persoonsverzekeringen (ziekte (...)) stijgt het risico (de kans op schade) voor de verzekeraar bij toename van de leeftijd van de verze kerde. (...) Bij het vaststellen van de premie kan de verzekeraar (...) rekening houden met het risico geduren de de gehele verzekeringsduur. Het gevolg hiervan is dat een verzekerde de eerste jaren "te veel" premie betaalt maar als hij ouder is geworden "te weinig". De verzeke raar zal daarom gedurende de eerste jaren een deel van de premie reserveren en die reserve later aanwenden om het "tekort" op te vangen. (...) (blz. 5) (...) Fiscaal volgen wij in dit vertoogschrift de gangbare benaming "vergrijzingsreserve", ofschoon men hier zou moeten spreken van een voorziening. (...) 5.1.
  9. (...) de Verze keringskamer [heeft] de vorming van een vergrijzingsre serve voorgeschreven in verband met het gevaar, dat de verzekeraars in een "vergrijzingsspiraal" terecht zouden kunnen komen hetgeen tot insolventie zou kunnen leiden. De vergrijzingsspiraal ziet op de volgende situatie. (...) De omslagpremie van een bepaalde verzekeraar wordt bepaald door de totale te verwachten schade van de porte feuille van deze verzekeraar gelijkelijk om te slaan over alle verzekerden uit zijn portefeuille. Wanneer de pre mieberekening op basis van de eigen portefeuille ge schiedt, zal de premie voor verzekerden in een relatief "jonge" portefeuille beduidend lager uitvallen dan de premie voor verzekerden in een "oude" portefeuille. (...) Het gevolg hiervan is dat de verzekeraar met een "oude" portefeuille door zijn hoge premie onaantrekkelijk wordt voor nieuwe (meestal jonge) verzekerden, wat een steeds verdere vergrijzing van de "oude" portefeuille met meebrengt (...) (blz. 6) (...) Duidelijk is dat de voor schriften van de Verzekeringskamer zijn gebaseerd op de omstandigheid dat ziektekostenverzekeraars met een om slagfinancieringssysteem werken. (...) 5.
  10. (...) De ziektekostenverzekering is een zuivere schadeverzekering, waarbij een omslagstelsel en geen kapitaaldekkingstelsel gehanteerd wordt. Deze constatering is van belang in verband met de wijze waarop gereserveerd mag worden door de verzekeraar. (...) (blz. 7) (...) 5.2.3.
  11. (...) Aangezien de verzekeraar de feitelijke medische kosten vergoedt en de kosten van ziekenhuisverpleging en medi sche hulp voortdurend stijgen, zouden de verzekeraars op den duur geen onbeperkte dekking meer kunnen bieden, als er niet een mogelijkheid was de premie aan te passen aan het gestegen kostenpeil (...) Die mogelijkheid bestaat via de zogenaamde premie-aanpassingsclausule of herzie ningsclausule die het de verzekeraars mogelijk maakt premie en voorwaarden en bloc te herzien, daarom ook wel en bloc-clausule genoemd. De verzekeringnemer heeft het recht met een dergelijke verhoging respectievelijk wijzi ging niet accoord te gaan. Wanneer hij dit (...) meldt kan de verzekering worden beëindigd met restitutie van premie. (...) (blz. 8) (...) 5.2.4.
  12. (...) Bij omslagfi nanciering kan (...) géén wiskundige reserve (opgepotte premies, verhoogd met rente) gevormd worden. (...) 5.2.4.
  13. (...) Moeilijkheid bij het hanteren van een kapitaaldekkingsysteem voor ziektekostenverzekeringen is, dat er geen sprake is van vaste uitkeringen maar van variërende kosten die worden vergoed wanneer ze gemaakt zijn. De opvatting die bijna altijd gehuldigd wordt bij het vaststellen van de te innen premies is derhalve, dat de meerschaden van de oudere verzekerden gefinancierd moeten worden uit het premie-overschot (minder schaden) van jongere verzekerden. (...) De veronderstelling is onjuist, dat voor elke verzekerde uit de op jongere leeftijd ontvangen premie een persoonlijke reserve ge vormd moet worden om de te verwachten hogere schade op latere leeftijd op te vangen. (...) (blz. 21) (...) 5.4.
  14. (...) Binnen een omslagstelsel is geen voorziening voor veroudering mogelijk omdat alle kosten van jaar tot jaar over alle verzekerden worden omgeslagen. (...) In het omslagstelsel betaalt een jongere verzekerde een premie die hoger ligt dan de bij zijn leeftijd te ver wachten schade. Het verschil (...) wordt direct in het zelfde jaar aangewend ten behoeve van de oudere verzeker den in de portefeuille. (...) (blz. 22) 5.4.1.
  15. (...) Wanneer door het toe- en uittreden (inclusief overlijden) van verzekerden de leeftijdsopbouw vrijwel constant blijft zal de premie nauwelijks vari-eren. (...) (blz. 23) (...) 5.4.1.
  16. (...) De gehele portefeuille als zodanig moet (ook voor goed koopmansgebruik) in ogenschouw worden genomen. (...) Een sluitende afbouw van de voorziening is niet gegeven. (blz. 29) (...) 5.4.2.
  17. (...) De realiteit gebiedt aan te nemen dat er altijd een aanvoer van jonge verzekerden zal zijn. (...) De vergrijzingsreserve moet in het omslagstelsel (...) op nihil worden gesteld, gegeven het uitgangspunt dat elk jaar zijn eigen lasten draagt. (...) (blz. 32) (...) 5.4.3.
  18. En bloc-clausule (...) (blz. 33) Er wordt geen beperking aangebracht in de gevallen waarin de verzekeraar de premie mag verhogen. Ook veroudering kan derhalve de aanleiding zijn de premies te verhogen (...) (blz. 35) (...) Door middel van de en bloc-clausule kan de premie verhoogd worden in verband met de eventuele veroudering van het bestand. (...) (blz. 44) (...) 5.4.
  19. (...) De op basis van het Besluit reserves verzekeraars gevormde egalisatiereserve dient onder meer om de meerdere lasten van veroudering op te vangen. Een extra reservering ter zake van veroudering is dan niet meer mogelijk. De egalisatiereserve (...) is (...) een verzekeringstechnische schommelreserve geworden. (...) (blz. 46) (...) 5.4.5.
  20. (...) Naast de afstemming van baten en lasten binnen omslagfinanciering door de verzekeraar zelf en de egalisatiereserve, zou door middel van een vergrijzingsreserve een derde buffer gevormd worden ter zake van hetzelfde risico hetgeen strijdig is met goed koopmansgebruik. (...)" 2.
  21. Conclusie van repliek. 2.4.
  22. De conclusie van repliek hield in: "(blz. 1) (...) De en-bloc clausule is bedoeld voor aanpassing van de premie aan stijging van het algemene kostenpeil. Zij wordt niet gebruikt voor aanpassing van de premie aan het individuele kostenpeil van een verzeke raar. (blz. 4) (...) In elk geval financierde belangheb bende op basis van kapitaaldekking. (...) De tarieven van belanghebbende blijven vele jaren dezelfde. Aanpassing in de hoogte vindt alleen plaats indien daartoe op grond van algemene prijsontwikkelingen reden is. (...) De premiere serve is het resultaat van het stelsel dat de verzeke ringsmaatschappij voor de bepaling van zijn winst voert. (...) (blz. 5) (...) Voorzover een premie voor een verze kerde hoger is vastgesteld dan het bedrag van de in het premiejaar verwachte schade is (...) daarin een spaardeel begrepen. Het staat de verzekeraar in principe vrij dit gedeelte te reserveren voor de dekking van het toekomstig risico van de betreffende verzekerde voorzover dat niet door toekomstige premiebetalingen wordt gedekt, hetzij dit gedeelte te gebruiken voor de dekking van schade die is opgekomen bij andere verzekerden in hetzelfde jaar (...) Een sluitende afbouw van de voorziening is bij be langhebbende wel degelijk aanwezig. Belanghebbende heeft dat eveneens gedaan. (...) (blz. 19) (...) 1 (...) Aan de orde is (...) niet de vraag of al dan niet een omslag stelsel werd gevoerd, maar of de vorm van kapitaaldekking die werd gepleegd c.q. de wijze waarop de passiefpost was berekend, de toets der kritiek kan doorstaan. (...) 2 (...) (blz. 20) (...) Ook commercieel bestaat de vergrij zingsreserve. Het beleid van belanghebbende is nu juist het risico van vergrijzing op te vangen uit de daarvoor gevormde reserve, zodat deswege geen verhoging van pre mies behoeft plaats te vinden. Dit geldt zowel voor de vergrijzing van een enkele verzekerde als voor de ver grijzing van een gehele portefeuille. Systematisch gezien komt jaarlijks uit de gevormde vergrijzingsreserve dan ook precies het bedrag vrij dat nodig is om de gestegen kosten wegens vergrijzing op te vangen. (...) (blz. 21) 3 (...) Op basis van de schadecijfers van belanghebbende en de premieontvangsten werd per leeftijdscategorie de contante waarde bepaald van de te verwachten schadeuitke ringen en de contante waarde van de te verwachten bate premies. (...) Het verschil (...) vormde de vergrijzings reserve. (...) (blz. 22) (...) 5 (...) Het karakter van de reserve bij belanghebbende kan het beste omschreven worden als een premiereserve. Door de toegepaste metho diek geeft zij een stelselmatige benadering van de con tante waarde van de verplichtingen jegens de verzekerden, verminderd met de contante waarde van de (...) te ontvan gen baten (...)" 2.4.
  23. Als bijlage 2<
(3)Mijn nummering.> was bij de conclusie van repliek gevoegd een opinie van prof. mr B. Wessels over de en-bloc-clausule. 2.
  1. Conclusie van dupliek. 2.5.
  2. De conclusie van dupliek hield in: "(blz. 16) (...) Of veroudering optreedt moet voor portefeuille in zijn geheel worden beschouwd. Indien men uitgaat van de veroudering per contract negeert men de werkwijze van belanghebbende. Dit is in strijd met het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik. Verzekeren impliceert dat men naar de totale portefeuille kijkt en daar zijn premie mede op afstemt. (...) (blz. 17) (...) Belanghebbende staat niets in de weg om de premies te verhogen ter zake van de component "veroudering". (...) (blz. 19) (...) In casu is er geen sprake van een gelijk blijvende premie maar van een premie die verhoogd kan worden en verhoogd wordt. In zo'n geval kan in het geheel geen voorziening gevormd worden. (...) Er zijn geen belemmeringen om een premieverhoging door de (lees: te, v.S.) voeren mits (blz. 20) verzekeringnemer in de gele genheid wordt gesteld zijn verzekering te beëindigen. (...)" 2.5.
  3. Als bijlage 1 was bij de conclusie van dupliek gevoegd een notitie van mr De Kort - de Wolde, plaatsvervangend Rijks advocaat<
(4)Waar het Hof, onder 5.7.1, blz. 15, over de Landsadvocaat spreekt, vergist het zich.> te 's-Gravenhage, over de problematiek. 2.
  1. Het Hof heeft de ter zitting van 31 mei 1994 van de zijde van de belanghebbende overgelegde pleitnota als in de bestre den uitspraak, onder 1, blz. 2, ingelast aangemerkt. Deze pleitnota, onder 1, blz. 1, hield in: "(...) Het gaat hierbij niet om het mogelijk ouder worden van de gemiddelde Nederlandse bevolking, noch om de toename van de kans op langer leven. (...) Met vergrij zing wordt hier bedoeld het door het geleidelijk ouder worden van een individuele verzekerde toenemen van de ziektekosten, welke toename zich individueel altijd voordoet en collectief voor de afzonderlijke maatschappij indien de gemiddelde portefeuilleleeftijd stijgt. Naast de omstandigheid dat de vergrijzingsreserve per contrac tant is opgebouwd en dus een goede weergave geeft van de rechten en verplichtingen van de maatschappij, waarborgt zij tevens dat de maatschappij, wanneer door een relatie ve achteruitgang van het aantal jonge toetreders de gemiddelde portefeuilleleeftijd stijgt, in staat blijft haar verplichtingen ten opzichte van al haar polishouders na te komen." 2.
  2. Het Hof heeft de ter zitting van 31 mei 1994 door de Inspecteur overgelegde pleitnota als in de bestreden uitspraak t. a. p. ingelast aangemerkt. Deze pleitnota, blz. 1, hield in: "(...) 1 (...) De vergrijzingsreserve is niet per con tractant opgebouwd maar per leeftijdscategorie. (...) 2 (...) Belanghebbende heeft geen gelijkblijvend tarief voor onbepaalde tijd afgesproken met haar verzekerden. Er is ook geen gelijkblijvend tarief ten aanzien van een component in de tarieven afgesproken. (...)" 2.
  3. Het proces-verbaal van het verhandelde ten overstaan van de raadsheer-commissaris hield in (ik verwerk de opmerkingen die van de zijde van de belanghebbende bij brief van 26 juni 1996 over het proces-verbaal gemaakt zijn, in het citaat; de bedoelde brief is in de bestreden uitspraak t. a. p. vermeld): "(blz. 1) (...) Partijen (...) hebben (...) verklaard: gemachtigde: (...) (blz. 2) (...)
  4. (...) bij belangheb bende steeg de voorziening (...), maar alleen als gevolg van een stijging van het aantal verzekerden binnen de portefeuille. Als er geen nieuwe verzekerden bijkomen zal op een gegeven moment de voorziening dalen. (...) (blz. 3) (...)
  5. Bij belanghebbende werd de voorziening als gevolg van de gevolgde methode automatisch aangewend; aan de ene kant werd voor elke jongere gedoteerd, en aan de andere kant werd de voorziening voor elke oudere aange wend. (...)
  6. De "en bloc"-clausule (...) is gemaakt voor landelijke aanpassingen aan inflatie, algemene kostenstijgingen etcetera. Het zou te ver voeren om de clausule aan te passen aan de leeftijd van de verzekerde personen, dit gebeurt dan ook niet. Het effect van de vergrijzing op de risicopremie is namelijk heel ingrij pend. (...)" 2.
  7. Het Hof heeft de ter zitting van 20 augustus 1996 van de zijde van de belanghebbende overgelegde pleitnota als in de bestreden uitspraak t. a. p. ingelast aangemerkt. Deze pleit nota, blz. 1<
(5)De faxnummering is telkens 2 hoger, doordat zij het schutblad en de begeleidende brief meetelt.>, hield in: "(...) Waar het in deze procedure om gaat is de vraag het aan [de belanghebbende] is toegestaan bij haar winst bepaling op ziektekostenverzekeringen een voorziening te treffen voor de schadeuitkeringen tengevolge van veroude ring van de verzekerden welke zij in 1987 in portefeuille heeft op basis van het wiskundig model als is toegepast. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat [de belanghebben de] de premies berekent volgens een met de verzekerden overeengekomen tarief dat geldt totdat de verzekerde is overleden of totdat de polis om andere reden is beëin digd. In dat tarief is reeds rekening gehouden met de stijging van de schadeuitkeringen tengevolge van de veroudering van de verzekerde, zodat gesproken kan worden van een vast tarief. De ingevolge het tarief in rekening gebrachte premie kan "en bloc" door [de belanghebbende] naar boven worden aangepast. Dezerzijds wordt gesteld dat de aanpassing zich slechts richt op landelijke stijgingen van de kosten van de gezondheidszorg tengevolge van stijgingen van de medische kosten. Het is mogelijk dat zulk een stijging van de medische kosten mede wordt veroorzaakt door een stijging van de leeftijdsopbouw van de Nederlandse bevolking, doch als zulks al aan te tonen is, dan is dit effect toch verwaarloosbaar klein ten opzichte van het effect van een stijging van de leeftijd van een individuele verzekerde, daar men landelijk gezien te maken heeft met een gemiddelde stijging. (...)" 2.
  1. Het Hof heeft de ter zitting van 20 augustus 1996 door de Inspecteur overgelegde pleitnota als in de bestreden uit spraak t. a. p. ingelast aangemerkt. Deze pleitnota, onder 5, blz. 6, hield in: "(...) Belanghebbende is met haar verzekeringnemers géén vast tarief overeengekomen. (...) Het is theoretisch en praktisch onmogelijk premieverhogingen te scheiden in "kosten van veroudering", "prijsstijgingen heidszorg" en "voortschrijding van de stand van de sche techniek". (...) De stelling van gemachtigde, dat het effect van de stijging van de medische kosten slechts voor een gering deel veroorzaakt wordt door de stijging van de leeftijdsopbouw van de Nederlandse bevolking, is op geen enkele wijze onderbouwd. Het is eerder aanneme lijk dat het niet verwaarloosbaar klein is. (...) In een afbouw van de reserve is niet voorzien. (...)"
  2. De bestreden uitspraak. Het Hof heeft overwogen, "(blz. 3) (...) 2.
  3. (...) dat uitsluitend in geschil of de vorming van een vergrijzingsreserve in het jaar 1987 (...) is toegestaan. Kennelijk zijn partijen van oordeel dat bij bevestigende beantwoording van deze vraag de correctie vervalt en dat bij ontkennende beantwoording de uitspraak moet worden bevestigd. (...) (blz. 4) (...) 2.
  4. (...) (blz. 5) (...) In beginsel konden (...) tarie ven niet gewijzigd worden en waren de verzekeringen niet opzegbaar door belanghebbende. Wel werden de tarieven regelmatig gewijzigd op grond van de zogenaamde en-bloc- clausule. 2.
  5. Deze clausule (...) luidt (...): De maat schappij heeft het recht de premie en/of voorwaarden van bepaalde groepen verzekeringen en bloc te wijzigen. (...) De verzekeringnemer wordt (...) geacht hiermee te hebben ingestemd tenzij hij (...) het tegendeel (...) bericht. De premie en/of voorwaarden zullen dan niet worden gewij zigd, terwijl de na die datum gemaakte kosten zullen worden vergoed in verhouding (...) (blz. 9) (...) 5.1.
  6. Het Hof begrijpt dat [de belanghebbende] verzekeringen afsluit (...), waarbij de hoogte van de premies veelal wordt bepaald door de leeftijd (...) bij toetreding, [en] dat in dat geval die premies naderhand niet worden ver hoogd op grond van het ouder worden van de individuele verzekerde (...) Op grond van de en-bloc-clausule kunnen de premies wel worden verhoogd voor alle of voor bepaalde groepen verzekerden. 5.1.
  7. Belanghebbende heeft (...) een vergrijzingsreserve gevormd. Belanghebbende volgde hierbij niet het systeem dat de Verzekeringskamer voor schreef doch het systeem van haar actuaris welk systeem tot een aanmerkelijk hogere reservering leidde. (blz. 11) (...) 5.4.
  8. Aan hetgeen (...) is vastgesteld ontleent het Hof het niet weerlegde vermoeden dat bij (...) be langhebbende (...) het omslagstelsel wordt toegepast, hetgeen in dit geval onder meer betekent dat de porte feuille van een maatschappij op dit terrein min of meer als een geheel wordt bezien en dat overschotten op jonge verzekerden worden gebruikt ter dekking van tekorten op oudere verzekerden. (...) Een dergelijk stelsel brengt (...) mede dat per polis bezien het risico en de hoogte van de premie niet steeds op elkaar afgestemd behoeven te zijn. Voldoende is dat per portefeuille bezien de totale premie is afgestemd op het totale risico. 5.4.
  9. (...) De omstandigheid dat in een aantal polissen de premiestel ling leeftijdafhankelijk was, hetzij per jaar hetzij afhankelijk van de entreeleeftijd, doet daar (...) onvol doende aan af. (...) (blz. 12) (...) 5.5.
  10. Goed koopmans gebruik staat toe dat een schadeverzekeraar (...) premies (...) passiveert (...) indien de verzekeraar na de balansdatum terzake van de ontvangen premies nog risico loopt. In het algemeen houdt een schadeverzekering in dat de verzekeraar een bepaald risico, in dit geval het ziektekostenrisico, voor een bepaald tijdvak verzekert tegen een voor dat tijdvak geldende premie. Dit impliceert dat na het verstrijken van het tijdvak de premies voor een bepaalde tijdvak over dat tijdvak in beginsel geheel zijn verdiend (...) (blz. 14) (...) 5.5.
  11. (...) uit hetgeen onder 2.
  12. en 2.
  13. (aangaande de mogelijkheid tot premieverhoging) is vastgesteld [volgt] dat de kosten voortvloeiend uit de veroudering van de portefeuille als geheel in beginsel in toekomstige pre mieverhogingen kunnen worden teruggevonden. (...) Niet aannemelijk is dat bij algemene premieverhogingen wordt onderscheiden tussen kostenstijgingen als gevolg van loon- en prijsstijgingen en hogere kosten als gevolg van een algehele vergrijzing van de Nederlandse bevolking. 5.5.
  14. Tenslotte heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat haar totale portefeuille een ongunstiger samenstelling heeft dan overeenkomt met de gemiddelde leeftijdsopbouw van de Nederlandse bevolking. (...) (blz. 15) (...) 5.7.
  15. Nu [de belanghebbende] de voorwaarden van de afgesloten verzekeringsovereenkomsten, waaronder het bedrag van de verschuldigde premie, onder omstandig heden kan wijzigen (...) is (...) niet aannemelijk dat [de belanghebbende] gehouden is om na de balansdatum haar (onopzegbare) portefeuille verzekeringsovereenkomsten tegen een voor die portefeuille als geheel verliesgevende of onvoldoende rendabele premie voort te zetten. (...)"
  16. Belastingheffing ten laste van verzekeraars. 4.
  17. Art. 10 Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (Besluit IB 1941), oorspronkelijke tekst, hield in: "
  18. Bij het berekenen van het (...) bedrijfs- of beroeps vermogen (...) worden de activa en passiva in aanmerking genomen en gewaardeerd volgens goed koopmansgebruik (...)
  19. Als aftrekbare passiva komen slechts in aanmerking ver plichtingen, welke (...) bestaan of welke plegen te ontstaan uit reeds bestaande rechtsverhoudingen." 4.
  20. Het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 (Besluit Vpb. 1942), oorspronkelijke tekst, hield in: "(...) Art.
  21. (...)
  22. De winst wordt berekend op den voet van de artikelen 8 tot en met 12 (...) van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 (...) Art.
  23. Bij het bepalen van de winst worden de volgende posten als bedrijfskosten beschouwd (...): (...)
  24. bij verzeke ringsondernemingen: (...) b. de, ter zake van loopende verzekeringsovereenkomsten, door de techniek van het verzekeringsbedrijf geboden vergrooting van reserves, volgens (...) gestelde regelen; (...)" 4.
  25. Art. 1, lid 1, 1e volzin, Zesde Aanvullingsbeschikking Vennootschapsbelasting 1942, Stcrt. 10 oktober 1944, nr. 190 (Zesde Aanv.besch. Vpb. 1942), hield in: "Belastingplichtigen, die het verzekeringbedrijf uitoefe nen, mogen een onbelaste reserve (egalisatiereserve) hebben (...)" 4.
  26. Bij resolutie van 18 november 1944, nr. 59, Belastingbe richten, oude reeks, Vpb. 72, werd een toelichting op de Zesde Aanv.besch. Vpb. 1942 gegeven. § 1, lid 2, van de toelichting hield in (blz. 2): "Tot de verzekeringstechnische reserves, bedoeld in art. 13 Besluit Vennootschapsbelasting, behooren niet de premiereserves (wiskundige reserves) van levensverzeke raars. Immers deze premiereserves behooren tot de reeds volgens art. 10, lid 3, van het Besluit op de Inkomsten belasting 1941 aftrekbare passiva (...) Men kan zelfs in het algemeen zeggen, dat voormeld art. 10, lid 3, reeds een afdoende regeling treft voor alle (oneigenlijke) reserves, die de verzekeraar ook dan in zijn vermogensop stelling opnemen moet, indien voor hem het niveau van alle maatschappelijke gebeurtenissen constant blijft in verhouding tot den omvang van zijn verzekeringsportefeuil le, m.a.w. indien voor den (...) levensverzekeraar de sterfte, het beleggingsrendement en de kosten constant zouden blijven op het niveau, dat bij de vaststelling van de premie als gemiddelde werd verwacht. Een ieder weet echter, hoezeer het onwaarschijnlijk is, dat verschijnse len, welke verzekeraars bij hun premievaststelling in aanmerking moeten nemen, van jaar tot jaar constante uitkomsten geven. (...) De theorie van het bepalen van de premiën heeft (...) nog geenszins een zoodanigen invloed op de practijk ervan, dat het mogelijk is een tegelijk theoretisch verantwoorde en practisch gemakkelijk han teerbare regeling tot stand te brengen, waarbij tegemoet wordt gekomen aan het verlangen tot erkenning van de behoefte aan egalisatie, voorkomende (lees: voortkomende, v.S.) uit de gevolgen van het wisselvallige verloop van aan het verzekeringsbedrijf inhaerente factoren." 4.
  27. Art. 9 Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) houdt in: "De in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn (...)" 4.
  28. De Wet Vpb. 1969 houdt in de voor 1987 geldende tekst in: "(...) Art.
  29. De winst wordt opgevat en bepaald voet van de artikelen (...) 9 tot en met 14a (...) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (...) Art.
  30. Wij behouden Ons voor (...) regelen te geven met betrekking tot bij verzekeringsondernemingen toelaatbaar te achten reserves, (...)" 4.6.
  31. In het oorspronkelijke Ontwerp van wet, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1959-1960 - 6000, nr. 2, kwam de regeling die ik zojuist uit art. 29 Wet Vpb. 1969 citeerde, nog niet voor. 4.6.1.
  32. De Memorie van toelichting, nr. 3, blz. 15, hield in: "(linkerkolom, 3e al.) Wat betreft de levensverzekerings ondernemingen zij erop gewezen dat in de loop van de tijd bij deze ondernemingen de risicofactor geleidelijk zeer belangrijk is beperkt en thans een vrijwel statisch karakter heeft verkregen. (...) (4e al.) Voor schadever zekeraars echter, waarbij (...) risico-beperkende elemen ten niet of in veel mindere mate aanwezig zijn, draagt het bedrijfsrisico een dynamisch karakter. Het financiële risico dat deze verzekeraars lopen, onder meer door cala miteiten, kan de schadeuitkeringen, welke zij gehouden zijn te doen, dusdanig doen cumuleren dat zij in een bepaald jaar tot excessieve verliezen van de maatschappij leiden. (5e en laatste al.) Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er slechts aanleiding bestaat voor de schadeverzekeraars de bijzondere positie, welke zij in het huidige fiscale bestel innemen, te blijven erkennen. De ondergetekenden zijn van mening dat zulks niet zal moeten geschieden door bestendiging van een fiscale egalisatiereserve. (...) Wel zijn de ondergetekenden van oordeel dat een bijzondere fiscale voorziening, beperkt tot een vereffening van negatieve bedrijfsresultaten met winsten, voor de schadeverzekeraars gerecht- (rechterko lom, 1e al.) vaardigd is. (...) In het wetsontwerp wordt daarom voorgesteld het aantal carry-backjaren (...) voor schadeverzekeringsmaatschappijen te vermeerderen met vier jaar." 4.6.
  33. Het Nader voorlopig verslag, 1968-1969, nr. 19, hield de vraag in, "(blz. 20, linkerkolom, 4e al.) (...) waarom niet de ver plichte waarborg welke de wet op het schadeverzekerings bedrijf eist, erkend zou kunnen worden als bedrijfslast. (...) (blz. 21, rechterkolom, 3e al.) (...) leden (...) waren (...) overtuigd (...) niet van de noodzaak om in het bijzonder voor de schadeverzekeringsmaatschappijen het instituut van de egalisatiereserve of een daarmede te vergelijken fiscale tegemoetkoming (als zodanig kan huns inziens niet een verlengde carry-back gelden) volledig af te schaffen. (7e en laatste al.) (...) Een vordering tot belastingteruggave in geval van verlies geeft aan de schadeverzekeraar niet dezelfde positie als de solvabili teitsreserve, die de Wet op het Schadeverzekeringsbedrijf eist en die voor een verantwoorde bedrijfsvoering noodza kelijk is." 4.6.
  34. Bij brief van de minister en de staatssecretaris van Financiën, nr. 20, werd betoogd: "(blz. 1, 4e al.) Met de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van het Levensverzekeringswezen hebben (...) besprekingen plaatsgevonden (...) Als een uitvloeisel van deze besprekingen zullen de levensverzekeringsmaatschap pijen de wijze van winstberekening (...) veranderen (...) (5e en laatste al.) (...) De ondergetekenden hebben in het bereikte resultaat ten aanzien van de winstberekening (...) aanleiding gevonden terug te komen op hun (...) voornemen (...) de egalisatiereserve van levensverzeke raars af te breken. Zij stellen zich voor (...) (blz. 2, 1e al.) (...) dit instituut (...) om te bouwen tot een reserve, die meer is afgestemd op de aan het karakter van het verzekeringsbedrijf eigen risico's." 4.6.
  35. Naar bij brief van de Staatssecretaris, nr. 21, werd betoogd, "(3e al.) (...) zal een enigszins andere bestemming van de egalisatiereserve worden vastgesteld, waardoor deze duidelijk het karakter van een verzekeringstechnische reserve krijgt. Wanneer een omrekening van de premiere serve (...) noodzakelijk is (...) zal een verhoging van deze reserve voortaan ten laste van de egalisatiereserve moeten komen. (...) Voorts zullen bepaalde beleggingsver liezen op de egalisatiereserve in mindering worden ge bracht. (4e al.) In het overleg tussen ondergetekende en de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van het levens verzekeringswezen is voorts een regeling getroffen inzake een gewijzigde berekening van de jaarlijkse fiscale winst van levensverzekeringmaatschappijen, met name ten aanzien van de berekening van de premiereserve en de verantwoor ding van de kortingen op premies voor collectieve pensi oencontracten." 4.6.
  36. De Nadere memorie van antwoord, nr. 22, hield in: "(blz. 23, rechterkolom, 5e al.) Ten einde de schadever zekeringsmaatschappijen een rechtvaardige behandeling deelachtig te doen worden (...) en ter bevordering van een zo evenwichtig mogelijk wettelijk systeem, dient naar het oordeel van de ondergetekenden ook aan schadeverzeke ringsmaatschappijen een egalisatiereserve volgens de nieuwe opzet te worden toegestaan, waarmede dan de aan vankelijk voorgestelde verruimde mogelijkheid tot achter waartse verrekening van verliezen komt te vervallen. (...) (6e al.) De ondergetekenden hebben zich de voor schadeverzekeringsmaatschappijen te treffen regeling in hoofdzaken als volgt gedacht. (blz. 24, rechterkolom, 4e al.) (...) Daarbij is mede in de overwegingen betrokken, dat de schadeverzekeraars een wettelijke plicht hebben te reserveren. De ondergetekenden zijn overigens van oor deel, dat die verplichting geenszins met zich brengt dat de reservering ten laste van de fiscale winst dient te geschieden." 4.6.
  37. Naar het Verslag van het mondeling overleg, nr. 25, inhield, "(blz. 1, 2e al.) (...) zijn (...) weergegeven (...) de rechterkolom de (...) antwoorden en beschouwingen van de zijde van de bewindsman. (blz. 18, punt 49, rechterko lom, 4e en laatste al.) (...) De egalisatiereserve beoogt zowel een stootkussen te zijn voor het opvangen van negatieve technische resultaten voor zover deze in het kader van de bedrijfsuitoefening normaal te achten zijn, als rekening te houden met de omstandigheid, dat de tarieven van de schadeverzekeraars meermalen tijdelijk achterblijven bij het schadeverloop." 4.
  38. HR 15 oktober 1980, nr. 19.707, met mijn conclusie, BNB 1981/85 met noot J. Verburg<
(6)FED, Vpb.'69:Art.8:16 met noot J. Hoogendoorn.>. 4.7.
  1. Ik betoogde, "(blz. 440, regels 16-30)
  2. (...) dat de betekenis van goed koopmansgebruik voor de berekening van de jaarwinst beoordeeld moet worden ongeacht het bestaan van een egalisatiereserve en ongeacht de omvang daarvan.
  3. (...) (blz. 441, regels 17-42) goed koopmansgebruik gedoogt geen maatstaf die een - in beginsel willekeurig - uitstel van winstneming (...) medebrengt. (...) de reserve is niet ongeoorloofd omdat de egalisatiereserve bestaat, maar de reserve is naar goed koopmansgebruik ongeoorloofd en daarom bestaat de egalisatiereserve." 4.7.
  4. Naar Verburg annoteerde (onder 3, blz. 462, regels 21- 39), "valt het op dat het Hof de vraag of het systeem van fiscale winstberekening in alle opzichten spoort met goed koopmansgebruik, niet los heeft kunnen zien van de aanwe zigheid van een egalisatiereserve. (...) Voor de A-G is het klip en klaar (...) Toch blijven er onduidelijkheden die een verklaring behoeven. (...) M.i. terecht heeft de H.R. de gerezen geschillen binnen het raam van goed koopmansgebruik tot een oplossing gebracht. (...)" 4.
  5. In zijn conclusie voor HR 29 oktober 1986, nr. 23.288, BNB 1987/86 met noot G. Slot, betoogde de toenmalige advocaat- generaal Verburg (onder 4, blz. 509): "De egalisatiereserve (...) is bedoeld om te fungeren als stootkussen (...) voor het opvangen van verliezen die het gevolg zijn van het verschijnsel dat de typisch aan het verzekeringsbedrijf gebonden factoren slechts tot op zekere hoogte voorspelbaar en berekenbaar zijn. (...)" 4.
  6. Hoogendoorn, Maandblad belastingbeschouwingen (MBB), november 1987, blz. 264, onder 1, betoogt, "(...) dat de egalisatiereserve (...) gedacht is als aanvulling - correctie, zo men wil - op de bestaande regels voor de winstverantwoording op lopende<
(7)Cursivering van Hoogendoorn.> verzeke ringscontracten. Op de lopende contracten wordt winst verantwoord. Dit, terwijl de werkelijke uitkomst op deze contracten nog onzeker is. De opzet was om toevoegingen aan een verzekeringstechnische egalisatiereserve te erkennen als bedrijfskosten, terwijl onttrekkingen aan deze reserve onder de baten zouden dienen te worden gerangschikt. Zowel de toevoegingen als de onttrekkingen zouden verband dienen te houden met de wisselvalligheden in het schadeverloop (...) Kort gezegd: winst uit onder schaden reserveren teneinde verliezen uit overschaden uit de reserve te dekken. (...)" 4.
  1. A. J. van Soest Belastingen, 19e druk, 1997, nr. 3.9.4, blz. 609, betoogt: "Artikel 29 (...) Het gaat hier niet om het geven van aanwijzingen omtrent de grootte van bepaalde door goed koopmansgebruik reeds vereiste passiefposten, die men bij verzekeringsmaatschappijen wel pleegt aan te duiden als reserves, met name om de premiereserve, maar om de bedra gen die, na de berekening van het belastbare bedrag volgens hoofdstuk II, fiscaal (voorlopig) onbelast kunnen worden gelaten. (...)"
  2. Toekomstige lasten en goed koopmansgebruik. 5.
  3. HR 12 december 1934, Beslissingen in belastingzaken (B.) 5743, blz. 265, overwoog, "(...) dat in belanghebbendes voorstelling hier aanwezig is een transactie, die zich over meer dan één jaar uit strekt, immers hij voor een aantal jaren verplichtingen als borg op zich nam, terwijl hij voor het loopen van het daaraan verbonden risico ƒ 11.111,10 ontving; dat voor de berekening van de opbrengst eener dergelijke in een bedrijf gesloten transactie iedere methode toelaatbaar is, die niet strijdig is met goed koopmansgebruik; dat als zoodanig bij een transactie als de onderhavige, zoowel toelaatbaar is een methode, waarbij geenerlei opbrengst aangenomen wordt, voordat door het afloopen van de borgtocht gebleken is, welk resultaat de transactie heeft opgeleverd, als een methode, waarbij voor ieder jaar, dat de borgtocht zal duren, een evenredig deel van de ontvangen risicopremie als bate wordt aangenomen, terwijl eindelijk onder bijzondere omstandigheden niet ontoelaatbaar zou kunnen zijn om de premie aanstonds na ontvangst als bate te verantwoorden (...)" 5.
  4. HR 27 mei 1936, B. 6120, overwoog, "(blz. 212) (...) dat de raad (blz. 213) van beroep beschikking van den inspecteur heeft vernietigd (...) op de navolgende gronden: dat belanghebbende (...) het stelsel kon kiezen, dat hij, waar de transactie in haar geheel door den onbepaalden duur van de borgtocht zich over een aantal jaren kon uitstrekken, afwachtte, wat daarvan de einduitkomst zou zijn om alsdan zijn even tueele betaling als borg met de ontvangen uitkeeringen en regresmogelijkheden te verrekenen en het saldo als winst of verlies in de bedrijfsboekhouding te verantwoorden; dat bij dit stelsel de noodzakelijkheid niet bestaat om telken jare het bij den borgtocht geloopen risico te waardeeren (...) (blz. 214) (...); O. dat (...) uit het zinsverband van 's raads uitspraak volgt, dat (...) belanghebbende het door den raad aangeduide, en niet in strijd met goed koopmansgebruik geachte stelsel inderdaad gekozen heeft; Verwerpt het beroep." 5.
  5. HR 8 oktober 1952, nr. 11.042, B. 9260, blz. 169, over woog, "(...) dat er (...) voor belanghebbende een verplichting tot uitkering van een pensioen aan haar gewezen directeur ontstond en belanghebbende alstoen (...) hetzij deze verplichting op haar fiscale balans als schuld kon kapi taliseren, hetzij - als zijnde dit niet in strijd met goed koopmansgebruik - de pensioenuitkeringen van jaar tot jaar ten laste van haar verlies- en winstrekening kon brengen (...)" 5.
  6. HR 8 april 1953, nr. 11.257, BNB 1953/146 met noot H. J. Hellema, blz. 378, regels 24-34, overwoog, "dat (...) voor belanghebbende (...) jegens H onherroepe lijke pensioensverplichtingen zijn ontstaan, die regelma tig op het bedrijf zijn blijven drukken; O. dat het met goed koopmansgebruik strookt dergelijke verplichtingen gedurende den tijd, dat de werknemer zijn dienstbetrek king vervult, van jaar tot jaar te passiveren (...); dat echter goed koopmansgebruik ook toelaat passivering van de pensioenverplichtingen<
(8)Op het ogenblik waarop ik dit schrijf, heb ik niet de beschikking over de originele tekst van het arrest en kan ik dus niet nagaan of inderdaad de term "pensi oenverplichtingen" de ene keer wel en de andere keer niet met een tussen-s is ge speld.> na te laten in afwachting of zij daadwerkelijk tot uitkeringen zullen leiden en eerst, indien zulks het geval is, de gedane uitkeringen ten laste te brengen van de winst van de jaren, waarin zij zullen plaats vinden (...)" 5.
  1. HR 4 januari 1956, nr. 12.572, BNB 1956/59, blz. 135, regels 28-32, overwoog, "(...) dat een stelsel van voorraadwaardering, waarbij den kostprijs een aftrek van 10% wordt toegepast met het oog op de mogelijkheid in het algemeen, dat zich ten aanzien van de waar, welke gedurende geruimen tijd moet worden opgelegd, een prijsdaling zal voordoen, niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik (...)" 5.
  2. HR 25 april 1956, nr. 12.765, BNB 1956/180, blz. 391, regels 39-42, overwoog, "dat goed koopmansgebruik er zich tegen verzet voor winstberekening over enig jaar (...) tot uiting te bren gen een niet in dat jaar geleden doch pas bij het opmaken van de balans van dat jaar voor een volgend jaar verwacht nadeel (...)" 5.
  3. HR 16 mei 1956, nr. 12.733, BNB 1956/205 met noot E. Tekenbroek, blz. 468, regels 24-27, overwoog voor de heffing van inkomstenbelasting 1948, "dat aan verplichtingen, welke uit een reeds bestaande rechtsverhouding plegen te ontstaan, eerst kan worden gedacht, indien niet alleen de mogelijkheid aanwezig is dat de verplichtingen ontstaan, doch ook een behoorlijke kans bestaat op de verwerkelijking van die mogelijkheid (...)" 5.
  4. HR 24 april 1957, nr. 13.145, BNB 1957/207 met noot M. J. H. Smeets, blz. 532, regels 41-49, overwoog, "dat, toen de vennootschap (...) pensioenverplichtingen op zich nam tegenover haar personeel, deze ten aanzien van de wijze, waarop die verplichtingen tot uitdrukking zouden worden gebracht voor haar jaarlijkse winstbereke ning, heeft gekozen voor een stelsel, waarbij de jaar lijkse passivering van die verplichtingen werd nagelaten en de te verstrekken uitkeringen ten laste zouden komen van de jaren, waarin deze zouden plaatsvinden; dat zulk een stelsel (...) met goed koopmansgebruik niet in strijd is (...)" 5.
  5. HR 8 mei 1957, nr. 12.931, BNB 1957/208 met noot Smeets, blz. 537, regels 34-42, overwoog, "(...) dat weliswaar als regel kan worden aangenomen, dat een stelsel van jaarlijkse winstberekening voor de belas tingheffing als strokende met goed koopmansgebruik be hoort te worden aanvaard, indien dat stelsel is gegrond op hetgeen de bedrijfseconomie omtrent de juiste wijze van winstbepaling leert, doch deze regel uitzondering moet lijden niet alleen ingeval het volgen van het be drijfseconomische inzicht tot strijd met enig voorschrift der belastingwetgeving zou voeren, maar evenzeer indien daardoor aan den algemenen opzet of een beginsel van de belastingwet (...) te kort zou worden gedaan (...)" 5.
  6. HR 2 oktober 1957, nr. 13.220, BNB 1957/300 met noot Smeets, blz. 763, regels 3-13, overwoog, "dat (...) het niet in overeenstemming is met goed koop mansgebruik om voor de winstberekening voor enig jaar (...) tot uitdrukking te brengen verliezen, welke zullen kunnen ontstaan als gevolg van factoren, die eerst in het volgende jaar kunnen optreden - in dit geval de mogelijk afwijzende reactie van het publiek ten aanzien van be paalde stoffen in het komende verkoopseizoen - ook al zou de ervaring leren, dat de betreffende factor telkenjare met betrekking tot enig gedeelte van den voorraad pleegt op te treden (...)" 5.
  7. Hof 's-Hertogenbosch 8 november 1957, nr. 130/1956 R, BNB 1958/266, blz. 658, regels 35-52, overwoog, "dat de onderhavige uitkering ad f 30.000 diende ter vervanging van de vergoeding, welke de N.V. jaarlijks aan belangh. betaalde in verband met de hogere bedrijfskos ten, welke hij had tengevolge van het door mijnverzakking wegvallen van de voor zijn bedrijf benodigde waterkracht; dat (...) genoemde uitkering in feite een vergoeding door derden vormt van toekomstige bedrijfskosten van belangh.; dat het bedrijfseconomisch juist moet worden geacht, dat de uitkering door belangh. wordt verdeeld over de jaren, waarop de kosten, ter vergoeding waarvan de uitkering geschiedde, betrekking hebben; dat een dergelijke verde ling derhalve evenzeer in overeenstemming met goed koop mansgebruik, dat de basis vormt voor de bepaling van de jaarwinst, moet worden geacht (...)" (5.
  8. HR 16 december 1959, nr. 14.108, BNB 1960/24, is in de stukken van de thans te beslissen zaak ter sprake gebracht, maar het is hiervoor niet van belang, aangezien het niet betrekking heeft op goed koopmansgebruik, maar op de uitleg ging van de gevolgde bestendige gedragslijn.) 5.
  9. Hof 's-Hertogenbosch 24 mei 1962, nr. 658/1961, BNB 1963/55, blz. 150, regels 37-45, overwoog, "dat de ontvangen afkoopsommen (...) zijn uitgekeerd wegens kosten of te verwachten kosten van herstel van zoutschade (...), derhalve wegens gemaakte of nog te maken bedrijfskosten; dat het bedrijfseconomisch juist moet worden geacht, dat de afkoopsommen worden toegere kend aan de jaren, waarin de kosten tot herstel van de zoutschade - ter vergoeding waarvan deze afkoopsommen werden ontvangen - zijn of worden gemaakt; dat een derge lijke toerekening evenzeer in overeenstemming met goed koopmansgebruik, dat de basis voor de bepaling van de jaarwinst vormt, moet worden geacht" 5.
  10. Th. S. IJsselmuiden, De fiscale balans, 1963<
(9)Het jaartal is niet in het boek vermeld, maar het kan uit de vakliteratuur, met name J. J. Hof, Maandblad voor Belastingrecht (M.v.B.), januari 1964, jaargang 32, nr. 3, blz. 54, opgemaakt worden.>, blz. 104, onder 1, betoogt: "(...) Om een voorziening in de fiscale balans te treffen moeten de risico's, lasten, verliezen en uitgaven, beoor deeld naar de gegevens op de balansdatum, zijn: a. naar aard bepaald; b. naar omvang en tijd genoegzaam meetbaar; c. waarschijnlijk; d. veroorzaakt door de bedrijfsuitoe fening van het jaar ten laste waarvan de voorziening wordt gevormd. (...)" 5.
  1. Hof Amsterdam 8 maart 1966, nr. 255/1965, BNB 1967/20, overwoog, "(blz. 51, regel 58) (...) dat in het algemeen het slui ten van schadeverzekeringsovereenkomsten de (blz. 52, tot en met regel 20) verzekeraar geen aanleiding vermag te geven tot het vormen van fiscaal aftrekbare reserves, anders dan die geregeld in de Zesde Aanv. besch. Ve.B.; dat toch toekomstige schaden gedekt plegen te worden door toekomstige premies, zodat elk jaar zijn eigen lasten draagt; O. dat belangh. aanspraak maakt op het passiveren van een verplichting (...) - ook wel aangeduid als "ver grijzingsreserve" - omdat bij gelijkblijvende premie het risico dat zij ten opzichte van haar verzekerden lijdt, bij het klimmen der jaren toeneemt; O. dat echter niet is aangetoond, dat de samenstelling van de onderhavige verzekeringsportefeuille - bestaande uit uitgestelde invaliditeitsverzekeringen (...) - in de loop der jaren ongunstiger wordt in die zin, dat de gemiddelde leeftijd van de verzekerden aan een stijging zou zijn onderworpen; dat toch, indien de gemiddelde leeftijd der verzekerden ongeveer gelijk blijft, bij een vaste premie als in casu, het toenemende risico op de met de oudere verzekerden lopende contracten gecompenseerd wordt met het lagere risico op die, gesloten met jongere contractanten; dat voorts, indien al bedoelde samenstelling ongunstiger zou worden, belangh. het (...) in de hand had de jaarpremie te verhogen en dusdoende het evenwicht te herstellen; dat immers juist met het oog op deze mogelijkheid de contrac ten van jaar tot jaar zijn aangegaan (...)" 5.
  2. Hof Amsterdam 24 april 1967, nr. 345/1966, BNB 1967/236, overwoog, "(blz. 725, regels 28-33) dat belangh. (...) met artsen (...) overeenkomsten aanging, waarbij zij (...) het risico dekte van invaliditeit (...); (blz. 727, van regel 15 af) dat (...) het risico wegens uitkeringen ingevolge de onderhavige invaliditeitsverzekeringen voor belangh. stijgt met het ouder worden van elke verzekerde; dat (...) met ingang van 1962 de toen lopende contracten voor belangh. de verplichting inhielden een per contract stijgend risico te verzekeren tegen een gelijkblijvende premie, zodat g.k.g. zo al niet gebood dan toch toeliet dit tot uiting te brengen bij de winstberekening over 1962 en derhalve een deel van de premie te beschouwen als staande tegenover het in latere jaren te dragen risico; dat hieraan niet afdoet, dat, indien telkens een voldoen de aantal jongeren zal toetreden, belangh. hetgeen zij ingevolge haar verplichtingen tegenover de in 1962 verze kerde personen in toekomstige jaren zal hebben te vol doen, zou kunnen betalen uit de in die jaren ontvangen premiën, daar g.k.g. in het algemeen niet eist, dat men uit lopende contracten in de toekomst voortvloeiende verplichtingen buiten aanmerking laat bij de winstbereke ning wegens de verwachting, dat uit toekomstige transac ties met andere personen, genoeg zal worden ontvangen boven de in die jaren ten aanzien van die personen na te komen verplichtingen om eerstgenoemde verplichting na te leven, terwijl het Hof geen grond ziet voor het stand punt, dat hier een uitzondering op de voormelde in het algemeen geldende regel aanwezig zou zijn; dat het voren staande temeer klemt, omdat op het toetreden van jongeren in een mate van enig belang (...) niet mocht worden vertrouwd, daar (...) belangh. niet streeft naar het toetreden van nieuwe gegadigden tot deze niet (blz. 728, tot en met regel 2) lonende verzekeringsvorm en jongere artsen verzekeringen plegen te sluiten bij de maatschap pijen van welke zij geld kunnen lenen (...)" 5.
  3. HR 29 januari 1969, nr. 16.064, BNB 1969/80 met noot J. E. A. M. van Dijck, blz. 227, van regel 48 af, overwoog, "dat het met goed koopmansgebruik strookt, dat een werk gever verplichtingen tot (...) uitkering van pensioenen, voortvloeiende uit onherroepelijke toezeggingen aan (...) werknemers, van jaar tot jaar passiveert (...); dat echter ook met goed koopmansgebruik overeenstemt zodanige passivering achterwege te laten en de met de (...) uitke ring van pensioenen gemoeide bedragen te brengen ten laste van de winst van het jaar, waarin die (...) uitke ring plaatsvindt (...)" 5.
  4. Hof Amsterdam 24 september 1970, nr. 282/70, BNB 1971/ 197, overwoog<
(10)Naar mijn indruk zijn bij de redactie van de uitspraak enkele misslagen begaan, die aan de begrijpelijkheid afbreuk doen. Ik hoop de strekking van het betoog optimaal weer te geven met behulp van enkele bekortingen. Ik heb er evenwel geen goed lopende (bij)zinnen van kunnen maken. >, "(blz. 703, van regel 46 af) (...) dat de aan belangh. (...) door de gemeente Z ter zake van de ontruiming van het bij hem voor bedrijfsdoeleinden in gebruik zijnde gehuurde perceel en de verplaatsing van het bedrijf naar een ander huurpand bepaalde schadeloosstelling (...) kennelijk mede was bestemd als tegemoetkoming in die verplaatsing samenhangende met toekomstige hogere be drijfskosten, welke in feite ook moesten worden gemaakt (...); O. dat het deel der schadeloosstelling, dat geacht kan worden te staan tegenover toekomstige hogere uitgaven niet is een in het onderwerpelijke jaar behaald voordeel, dat uit de onderneming wordt verkregen en mitsdien niet een bestanddeel van de winst van dat jaar (...); (blz. 704, regels 3-6) dat het (...) zowel met bedrijfseconomi sche inzichten, als met het winstbegrip der (...) wet in overeenstemming is om ten bedrage van [genoemd] deel op de balans (...) een passiefpost - een zogenaamde transitoire post - op te voeren (...)" 5.
  1. Hof Arnhem 18 december 1970, nr. 341/1970, BNB 1971/220, overwoog, "(blz. 769, regels 5-7) dat in de pensioenbrieven welke aan de beide directeuren zijn uitgereikt m.b.t. de ver plichtingen voortvloeiende uit de verhoging, is vermeld dat op de balans een aparte post pensioenreserve zal wor den opgenomen; (...) (blz. 770, regels 30-47) O. omtrent het geschil: dat in de aangiften voor de heffing van de venn.bel. (...) niet (...) ter zake van de verhoging van de pensioenrechten welke (...) aan de beide directeuren werden toegekend een stelsel van winstberekening werd gekozen waarbij de in eigen beheer gehouden pensioenver plichtingen van jaar tot jaar zouden worden gepassiveerd; dat g.k.g. voor de jaarlijkse winstberekening niet dwingt tot een stelsel waarbij de in eigen beheer gehouden pensioenverplichtingen worden gepassiveerd; dat ook met g.k.g. overeenstemt een passivering achterwege te laten en de met de uitkering van pensioenen gemoeide bedragen te brengen ten laste van de winst van het jaar, waarin de uitkering plaatsvindt; dat (...) de zinsnede in de pensi oenbrieven m.b.t. de te vormen pensioenreserve hieraan niet in de weg staat, daar het bij het bepalen van de jaarlijkse winst voor de heffing van de venn.bel. niet ongeoorloofd is een dergelijke toezegging met betrekking tot passivering buiten aanmerking te laten (...)" 5.
  2. HR 8 december 1971, nr. 16.610, BNB 1972/26 met noot H. J. Hofstra, blz. 89, regels 20-36, overwoog voor de heffing van vennootschapsbelasting 1967<
(11)De lezer bedenke dat art. 9a Wet IB 1964 eerst met ingang van 1973 geldend recht is.>, "dat (...) bij de onderhavige pensioenregeling de werkne mer voor elk jaar dat hij bij de onderneming werkzaam is geweest, niet alleen verkrijgt een recht op toekomstig pensioen berekend naar zijn salaris op het einde van het jaar, maar tevens een pensioenaanspraak berekend naar het bedrag waarmede de pensioengrondslag bij het einde van de dienstbetrekking als gevolg van de maatschappelijke ontwikkeling - welvaartstoename en/of inflatie - de bij het einde van het desbetreffende jaar aanwezige pensioen grondslag zal overtreffen (...); dat (...) het niet in strijd is met g.k.g. om bij<
(12)Dit woord is bij latere verbetering in BNB ingevoegd (Lijst van verbeteringen en aanvullingen, blz. 24).> de jaarlijkse winstbepaling ook met laatstbedoelde pensioenaanspraak rekening te houden, daar ook deze pensioenaanspraak het karakter heeft van beloning voor in het desbetreffende jaar door de werknemer verrichte arbeidsprestaties en dienvolgens als bedrijfslast van dat jaar; dat hieraan (...) niet afdoet, dat deze pensioenaanspraak verband houdt met omstandigheden, die zich ná het desbetreffende jaar voordoen (...)" 5.21. Hof 's-Gravenhage, Eerste Meerv. Belastingk., 11 oktober 1972, BNB 1973/215, blz. 815, regels 15-26, overwoog voor de heffing van inkomstenbelasting van een glashandelaar, "dat (...) het snijverlies als regel bij levering aan afnemers wordt doorberekend, zodat de mogelijke waarde vermindering van de voorraad tengevolge van de aanwending in het bedrijf van de belangh. terstond pleegt te worden goedgemaakt door de aan de afnemers in rekening gebrachte prijzen; dat onder deze omstandigheden g.k.g. niet toe laat het mogelijke snijverlies reeds bij de aanschaffing van de voorraad in mindering te brengen op de aanschaf fingskosten door een gedeelte van de voorraad op nihil te waarderen; dat het immers niet in overeenstemming is met g.k.g. om (...) tot uitdrukking te brengen verliezen - te minder wanneer deze, zoals in het onderhavige geval, terstond plegen te worden goedgemaakt -, welke zullen kunnen ontstaan als gevolg van factoren, die eerst in een volgend jaar kunnen optreden (...)" 5.22. HR 28 maart 1973, nr. 17.038, BNB 1974/30 met noot Slot, betrof de heffing van vennootschapsbelasting ten laste van een kredietinstelling. 5.22.1. Hof Amsterdam 8 juni 1972, blz. 115, regels 23-28, overwoog, "dat (...) hetgeen belanghebbende voorstaat niet neerkomt op een lagere waardering van vorderingen, doch op de vorming van een reserve of waarborgfonds met het oog op het krediettoezicht door de Nederlandsche Bank, die immers kan ingrijpen bij onvoldoende dekkingen voor verstrekte voor verstrekte kredieten; dat echter de wettelijke voorschriften de vorming van een zodanige reserve voor de berekening van de belastbare winst niet toelaten (...)" 5.22.2. Het hiertegen gerichte middel van cassatie hield in: "(blz. 115, van regel 54
  1. af)Art. 11 van de Wet toezicht kredietwezen (...) geeft de Nederlandsche Bank de be voegdheid de (...) kredietinstellingen richtlijnen voor hun bedrijfsvoering te geven in het belang van de solva biliteit en liquiditeit dezer instellingen. (blz. 116, tot en met regel 21) De dekkingsvoorschriften van voor noemde Bank voor verstrekte kredieten vormen een onder deel van genoemde, op de wet steunende richtlijnen. Een waardering van uitstaande kredieten, zodanig, dat is voldaan aan deze dekkingsvoorschriften, kan, wegens het dringende karakter van deze voorschriften, niet anders dan in overeenstemming zijn met het fiscale goed koop mansgebruik. De door het Hof bedoelde reserve of waar borgfonds mist dan ook zelfstandige betekenis en stelt uitsluitend voor een uit de Wet toezicht kredietwezen voortvloeiende correctie van de (nominale) waarde van de debiteuren. (...) Welk gebruik bij een effecten-krediet instelling goed is, kan de Nederlandsche Bank beter dan wie ook bepalen. Aangezien de bank de wettelijke plicht heeft de belangen van de schuldeisers van de kredietin stelling te beschermen, zijn haar voorschriften bepalend voor het ondernemersbeleid en dus ook voor het (fiscale) goed koopmansgebruik van deze instelling. (...)" 5.22.3. Uw Raad overwoog (blz. 116, regels 23-32), "dat het middel (...) berust op de stelling, dat richtlijnen, door de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 11 van de Wet toezicht kredietwezen aan de (...) instel lingen voor hun bedrijfsvoering gegeven, bepalend zijn voor het goede koopmansgebruik (...); dat evenwel inge volge (...) genoemd artikel 11 de Nederlandsche Bank N.V. deze richtlijnen kan geven in het belang van de solvabi liteit en liquiditeit van bedoelde instellingen; dat mitsdien deze richtlijnen andere maatstaven kunnen aan leggen dan de maatstaf van goed koopmansgebruik (...)" 5.22.4. Slot, blz. 117, regels 8-11, annoteerde: "(...) Men kan (...) de conclusie verdedigen dat voorschriften van de Verzekeringskamer voor de berekening van de winst van verzekeringsondernemingen niet bepalend zijn voor het fiscale goed koopmansgebruik. (...)" 5.23. HR 1 oktober 1975, nr. 17.700, BNB 1976/194 met noot J. P. Scheltens, blz. 807, regels 28-50, overwoog voor de heffing van vennootschapsbelasting 1971, "dat, zo een ondernemer ter dekking van de door hem jegens zijn personeel aangegane pensioenverplichtingen verzekeringsovereenkomsten sluit ingevolge welke hij jaarlijks premie(
  2. s)betaalt, het niet met goed koopmans gebruik in strijd is ter zake van de aldus gedekte pensi oenverplichtingen te volstaan met de in een jaar aan de verzekeraar betaalde premie(
  3. s)ten laste van de winst over dat jaar te brengen, ook al betreft een deel van de premie(
  4. s)aanspraken op nog niet ingegaan pensioen over dienstjaren, welke reeds waren verstreken op het moment van het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten; dat immers niet in strijd is met goed koopmansgebruik de lasten, verbonden aan laatstbedoelde pensioenaanspraken, door middel van een zogenaamde "inhaalpremie" (gelijke lijk) te verdelen over de jaren, verlopende tussen het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten en het jaar van het ingaan van het desbetreffende pensioen; dat wel in strijd zou zijn met goed koopmansgebruik om - zoals belanghebbende blijkens de uitspraak van het Hof wil - niet alleen de in 1971 verschuldigd geworden premie, maar ook de contante waarde van de in latere jaren te betalen premies ten laste van de winst van het jaar 1971 te brengen; dat immers aldus ten laste van de winst van dat jaar mede zouden worden gebracht premies, welke eerst na dat jaar verschuldigd worden; dat (...) de Wet op de jaarrekening van ondernemingen niet dwingt tot een andere fiscale winstberekening dan de door belanghebbende met betrekking tot de "backserviceverplichtingen" tot gevolgde (...)" 5.24. HR 20 april 1977, nr. 1017, met mijn conclusie, BNB 1978/195 met noot P. den Boer<
(13)NJO 1977, 7 met noot R. A. Mörzer Bruijns.>, blz. 1048, regels 17-20, overwoog, "dat (...) volgens goed koopmansgebruik (...) vergoedin gen (...), voor zover zij betrekking hebben op behoorlijk aanwijsbare, in de komende jaren ten laste van de winst uit onderneming te brengen bedrijfskosten, kunnen worden gepassiveerd (...)" 5.25. In mijn conclusie voor HR 8 november 1978, nr. 18.980, BNB 1978/326, blz. 1650, regels 37-42, betoogde ik als volgend uit de wet en de jurisprudentie<
(14)De lezer bedenke dat ik toen uiteraard geen rekening kon houden met latere ontwikkelingen in de jurisprudentie.>, "(...) dat voor het opvoeren van een passiefpost (...) vereist is: a. een rechtsverhouding; b. de "behoorlijke" kans dat daaruit verplichtingen ontstaan; c. die naar goed koopmansgebruik ten laste behoren te komen van het desbetreffende jaar." 5.
  1. HR 15 oktober 1980, nr. 19.707, BNB 1981/85 met noot Verburg, blz. 459, regels 18-26, overwoog, "dat (...) de prestaties van een schadeverzekeraar - weten het overnemen van schaderisico's - tijdens de gehele duur van de premietijdvakken worden verricht; dat dit (...), gezien de werking van de wet van de grote getallen, met zich brengt dat de winst in beginsel tijds evenredig aan de premietijdvakken dient te worden toege rekend; dat dit anders zou kunnen zijn indien het schade verloop gedurende de premietijdvakken anders dan tijds evenredig zou zijn (...)" 5.
  2. HR 9 juni 1982, nr. 21.120, BNB 1982/200, blz. 877, van regel 53 af, overwoog, "dat het (...) in overeenstemming is met goed koopmansge bruik om vergoedingen, die een ondernemer in verband met de verplaatsing van zijn bedrijf ontvangt als tegemoetko ming in hogere huisvestings- en financieringskosten, te passiveren indien en voor zover deze vergoedingen betrek king hebben op behoorlijk aanwijsbare, in de komende jaren ten laste van de winst uit onderneming te brengen bedrijfskosten (...)" 5.
  3. HR 9 juni 1982, nr. 21.210, BNB 1982/231 met noot Verburg, weigerde een notaris een voorziening voor zijn toe komstige verplichtingen jegens het Notarieel Pensioenfonds, nu deze geheel afhankelijk waren van toekomstige winst. 5.
  4. C. T. M. Wolters, Voorzieningen in het verzekeringsbedrijf, 1984, betoogt: "(blz. 245) VII. (...) De verwachte ziektekosten nemen toe met de leeftijd van de verzekerde. (...) Wanneer een ziektekostenverzekeraar een portefeuille heeft met een relatief hoge gemiddelde leeftijd - dit impliceert een grote verwachte schade en dus een hoge premie - is hij niet aantrekkelijk voor jonge verzekerden. Het gevolg hiervan is dat de portefeuille verder vergrijst en er een nog hogere premie berekend moet worden. (...) (blz. 247) 7.1.
  5. (...) Een van de moeilijkheden bij de hantering van het kapitaaldekkingssysteem voor financiering van de ziektekostenverzekering is dat (...) geen sprake is van vaste uitkeringen, maar dat hier kosten vergoed moeten worden die bij ziekte daadwerkelijk gemaakt zijn. Deze kosten (kosten van de gezondheidszorg) zijn, zoals be kend, aan sterke veranderingen onderhevig. Het overgrote deel van de ziektekostenverzekeraars financiert de verze keringen van ziektekosten dan ook via het omslagstelsel. (...) In het omslagstelsel betaalt een jongere een premie die hoger ligt dan de bij zijn leeftijd behorende ver wachte schade. Het verschil tussen premie en verwachte schade wordt direkt, dat wil zeggen in hetzelfde jaar, gebruikt ten behoeve van de oudere verzekerden in de portefeuille. Dezen betalen immers een premie die lager ligt dan de bij hun leeftijd behorende verwachte schade. (...) (blz. 261) 7.
  6. (...) In het omslagstelsel is een oudere (...) afhankelijk van het feit of er voldoende jongeren in de portefeuille aanwezig zijn om de premie voor hem draagbaar te houden. In het voorgaande is duide lijk gemaakt dat - zeker voor een portefeuille met een ongunstige leeftijdsopbouw - het gevaar bestaat dat een portefeuille vergrijst (vergrijzingsspiraal). Het is immers de vraag of toekomstige jongere generaties in voldoende mate kunnen en willen bijdragen in de hoge lasten van de dan oudere verzekerden (...) Het omslag stelsel kan voor een ziektekostenverzekeraar die in deze vergrijzingsspiraal terechtkomt, tot insolventie leiden indien de benodigde (steeds hogere!) premie niet meer opgebracht kan worden. Om dit vergrijzingsgevaar voor een portefeuille te kunnen opvangen zijn voorzieningen nodig. De Verzekeringskamer verplicht sinds 1973 de ziektekos tenverzekeraars dan ook tot het beschikken over een zgn. vergrijzingsreserve. (...)" 5.
  7. Hoogendoorn, MBB, maart 1986, blz. 63, ziet "(...) de egalisatiereserve als een noodzakelijke aanvul ling op de fiscaal aanvaarde technische voorzieningen, zoals (...) vergrijzingsreserve (...) Feitelijk verricht dan de egalisatiereserve de functie van een extra techni sche voorziening boven de conventionele voorzieningen. (...)" 5.
  8. A. Oosenbrug, MBB, oktober 1986, blz. 240, onder 6, betoogt: "(...) Het opvoeren van een vergrijzingsreserve is binnen het kader van goed koopmansgebruik noodzakelijk. (...) Tenslotte kan worden opgemerkt, dat het voorgaande niet exclusief voor ziektekostenverzekeringen geldt, maar m.m. opgaat voor alle vormen van persoonsgebonden schadeverze keringen." 5.
  9. HR 4 juli 1990, nr. 25.804, BNB 1990/264, overwoog: "(blz. 1879, regel 52) 4.
  10. Het Hof heeft geoordeeld dat (...) (blz. 1880, tot en met regel 16) (...) de onzeker heden die zich voordoen bij de schatting van de kans dat een vennootschapsdirecteur over 23 jaar gebruik kan en zal maken van zijn recht op vervroegde uittreding met behoud van een deel van zijn salaris, zo groot zijn dat de in het onderhavige geval daarop aanwezig te achten kleine kans onvoldoende is om enig bedrag ter zake van de op belanghebbende rustende verplichting ten laste van de winst over 1979 te brengen. 4.
  11. Goed koopmansgebruik laat toe dat bij de bepaling van de uit een onderneming in enig jaar genoten winst in de balans per einde van het jaar een passiefpost wordt opgevoerd voor verplichtingen die kunnen voortvloeien uit een reeds bestaande rechts verhouding, mits op de verwezenlijking van die mogelijk heid een behoorlijke kans bestaat. Een zodanige behoor lijke kans heeft het Hof hier niet aanwezig geoordeeld. (...) Van dit oordeel uitgaande heeft het Hof terecht beslist dat goed koopmansgebruik niet toestaat op de balans per ultimo 1979 ter zake van de onderhavige ver plichting enig bedrag te passiveren." 5.
  12. HR 10 oktober 1990, nr. 26.662, BNB 1990/332, overwoog: "(blz. 2376, regels 40-51) 4.
  13. (...) De uitvoering van de VUT-regeling van werknemers in het horeca- en aanver wante bedrijf, waartoe belanghebbendes onderneming be hoort, is opgedragen aan een bedrijfsfonds. (...) Op belanghebbende als individuele ondernemer rust geen andere verplichting dan die van de jaarlijkse betaling van een loonsompremie. (...) 4.
  14. (...) (blz. 2377, tot en met regel 4) (...) deze verplichting tot premiebetaling [vindt] haar grondslag (...) in de bedrijfsuitoefening van toekomstige jaren, en goed koopmansgebruik [laat] niet [toe] voor een zodanige verplichting een passiefpost te vormen." (vergelijk Hof Amsterdam 13 augustus 1991, nr. 1999/89, Vak studie Nieuws 19 september 1991, blz. 2499, punt 2.1). 5.
  15. L. G. M. Stevens, Pensioen in de winstsfeer, FED Fiscale brochures, IB, 3e druk, 1993, betoogt: "(blz. 69) (...) 4.2 (...) (blz. 70) (...) gangbare dek kingstelsels voor de pensioenverplichtingen zijn: a. omslagstelsel (par. 4.3); (...) c. kapitaaldekkingstelsel (par. 4.5). 4.3 Het omslagstelsel (...) (blz. 71) (...) tijdens de periode waarin nog geen pensioenuitkeringen verschuldigd zijn, wordt de verlies- en winstrekening niet door het bestaan van een pensioenverplichting be roerd. Pas wanneer de uitkeringen beginnen te vloeien worden deze ten laste van de verlies- en winstrekening gebracht. (...) (blz. 73) (...) 4.5 Het kapitaaldekking stelsel 4.5.1 (...) Uitgangspunt van dit dekking- en waarderingstelsel is dat de pensioenverplichtingen tij dens de opbouwperiode systematisch op de balans tot uitdrukking worden gebracht. (...)" 5.
  16. Oosenbrug, Levensverzekeraar en vennootschapsbelasting, 1993, betoogt: "(blz. 229) (...) 15.4.3.
  17. (...) Om uitspraken te kunnen doen over de met een bepaalde portefeuille behaalde resultaten, moet er inzicht zijn in de verwachte verdere ontwikkeling van die portefeuille. Alleen door het af schatten van de toekomstige rechten en verplichtingen, kan worden vastgesteld welk deel van de baten al als winst kan worden verantwoord. Dit afschatten van de toekomstige rechten en verplichtingen geschiedt op basis van de Wet van de grote aantallen. Hiertoe dienen dan uiteraard wel de verdelingsfuncties inzake die toekomsti ge rechten en verplichtingen bekend te zijn. Die verde lingsfuncties zijn samengestelde<
(15)Cursivering van Oosenbrug.> verdelingsfuncties die zijn opgebouwd uit: - verdelingsfuncties voor sterfte; - verdelingsfuncties voor kosten, en - verdelingsfuncties voor intrest. Kunnen de op korte termijn geldende verde lingsfuncties inzake de leeftijd- en geslachtgebonden sterfte al slechts bij benadering wordt vastgesteld; voor de verder in de toekomst geldende verdelingsfuncties vormt dit een nog groter probleem. In welke richting en in welke mate de actuele verdelingsfuncties - onder invloed van opkomst en ondergang van ziekten (aids, asbestosis), van welvaartsveranderingen e.d. - verschui ven is zeker over de langere termijn maar met een uiter mate beperkte graad van betrouwbaarheid in te schatten. (...) (blz. 231) (...) 15.4.
  1. (...) Zoals uit de voor gaande paragrafen blijkt, kleven er (voor levensverzeke raars) nogal wat speculatieve elementen aan de actuariële benadering van het realisatiebeginsel. Wordt er voor de fiscale resultaatbepaling uitgegaan van de actuariële benadering, dan bevat dus ook die fiscale resultaatbepa ling nogal wat speculatieve elementen. (...) (blz. 254) 18.3.2.
  2. (...) Blijkens de door A-G Verburg (...) gegeven omschrijving van het doel van de egalisatiereserve (...) (blz. 255) (...) bestaat de rol van de egalisatiereserve ook juist uit het mitigeren van de bezwaren die kleven aan het toepassen van de actuariële benadering (...)" 5.
  3. HR 7 juli 1993, nr. 28.448, BNB 1993/336 met noot Slot, blz. 2405, regels 5-30, overwoog, "3.4.
  4. (...) dat vanaf het tijdstip waarop ten aanzien van een bepaalde werknemer een behoorlijke kans is ont staan dat hij aan de VUT-regeling zal deelnemen, de verplichtingen tegenover deze werknemer worden opgeroepen door de uitoefening van de dienstbetrekking, voor zover deze na bedoeld tijdstip wordt voortgezet. Alsdan laat goed koopmansgebruik toe de uit deze verplichtingen voortvloeiende lasten te verdelen over de jaren waarin de dienstbetrekking na dit tijdstip voortduurt. (...) 3.5.
  5. (...) dat de jaarlijkse dotatie aan de VUT-voorziening geen invloed behoort te ondergaan van de werknemersbij dragen. Deze werknemersbijdragen in de financiering van de VUT-regeling behoren tot de winst te worden gerekend in het jaar van inhouding. (...)" 5.
  6. HR 8 september 1993, nr. 28.871, BNB 1994/92 met noot E. Aardema<
(16)Vakstudie Nieuws 21 oktober 1993, blz. 3183, punt 10.>, onder 3.3, blz. 664, regels 5-14, overwoog: "(...) Goed koopmansgebruik gebiedt (...) dat de opbreng sten van een in het kader van een onderneming verrichte levering of dienst tot uitdrukking wordt gebracht uiter lijk op het tijdstip waarop de levering of de dienst ten uitvoer is gebracht. Met betrekking tot de vergoeding voor het leasen van een auto brengt dit mee dat deze vergoeding wordt genoten naar gelang van het tijdsverloop van het leasecontract. De uit een zodanig contract voort vloeiende kosten dienen in aanmerking te worden genomen in het jaar waarin zij worden gemaakt. (...) goed koop mansgebruik [staat] niet toe dat de volgens een voorcal culatie te behalen winst gelijkmatig wordt toegerekend aan de periode waarin het contract loopt. (...)" 5.
  1. D. Brüll, J. W. Zwemmer en R. P. C. Cornelisse, Goed koopmansgebruik, FED Fiscale brochures, IB, 5e druk, 1994, nr. 4.3.1, blz. 46, betogen: "(...) In de vorige druk merkten wij op dat in de op dat moment geldende rechtspraak vrijwel overal de grens van het voorzichtige bereikt is. Zelfs merkten wij op dat een stap verder ons bij het hypochondrische zou brengen. Naar onze opvatting is echter een zekere kentering opgetreden in de in recente jaren gewezen rechtspraak. (...)" 5.
  2. Hof Amsterdam 20 september 1994, nr. 93/1109, FED 1996/ 63<
(17)Vakstudie Nieuws 2 februari 1995, blz. 463, punt 1.4, meldde dat de belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld. Uw Raad heeft, naar mij ambtshalve bekend is, bij ongepubliceerd arrest van 7 februari 1996, nr. 30.718, op dat beroep beslist. Evenwel had zowel het beroep in cassatie als het arrest uitsluitend betrek king op de proceskosten.>, overwoog, "(blz. 237) (...) 5.10.
  1. (...) dat premies die moeten worden toegerekend aan na de balansdatum doorlopende premietijdvakken en schades (...) waaruit na de balansda tum betalingsverplichtingen zijn voortgevloeid of zullen voortvloeien, in voldoende mate in andere passiefposten dan de vergrijzingsreserve zijn verdisconteerd. 5.10.
  2. Het voorgaande brengt mede dat goed koopmansgebruik niet toestaat enig bestanddeel van over verstreken verzeke ringstijdvakken ontvangen premies als nog niet verdiend te passiveren. 5.
  3. Vervolgens zal het hof bezien of goed koopmansgebruik toestaat per de balansdatum op andere gronden een voorziening (...) te vormen ter zake van een te verwachten toeneming van schades bij vergrij zing van de verzekerden. Goed koopmansgebruik staat zulks toe indien op de balansdatum objectief bezien juridisch afdwingbare verplichtingen bestaan. Dit is mede het geval indien op de balansdatum een rechtsverhouding bestaat en er op die datum een behoorlijke kans aanwezig is dat daaruit in de toekomst betalingsverplichtingen zullen voortvloeien, die door de bedrijfsuitoefening van ver streken jaren zijn opgeroepen. In dit verband stelt belanghebbende (...) dat Schade<
(18)Hof Amsterdam onderscheidt de moedermaatschappij in de betrokken fiscale eenheid ("belanghebbende") en de dochtermaatschappij ("Schade") die met de vergrijzingsproblematiek te maken heeft. > gehouden zou zijn na de balansdatum verzekeringen te continueren tegen een niet kostendekkend of niet of minder rendabele premie, daar deze verzekeringen niet door haar kunnen worden opgezegd en in feite premieverhoging niet of niet volledig moge lijk is. 5.
  1. Nu Schade de voorwaarden van de afgesloten verzekeringsovereenkomsten, waaronder het bedrag van de verschuldigde premie, onder omstandigheden kan wijzigen is niet aannemelijk dat Schade gehouden is om na de balansdatum haar (onopzegbare) portefeuille verzekerings overeenkomsten tegen een voor die portefeuille als geheel verliesgevende of onvoldoende rendabele premie voort te zetten. Van een verplichting in bovengenoemde zin, laat staan van een behoorlijke kans dat daaruit betalingsver plichtingen zouden voortvloeien, is derhalve geen sprake. (...) Niet is aannemelijk gemaakt dat op de balansdatum een behoorlijke kans aanwezig was dat de portefeuille van belanghebbende meer zou vergrijzen dan de Nederlandse verzekerde bevolking als geheel. (...) (blz. 238) (...) 5.
  2. De omstandigheid dat de Verzekeringskamer om rede nen van solvabiliteit de vorming van een vergrijzingsre serve heeft geëist, is voor het goede koopmansgebruik (...) niet bepalend. (...)" 5.
  3. Bij de voorbereiding van de Wet toezicht natura-uit vaartverzekeringsbedrijf, Stb. 1995, 368, werd het volgende gezegd (Handelingen Eerste Kamer, 4 juli 1995): "(blz. 36-1426, rechterkolom, 1e al.) De heer Van Dijk (...): (...) (blz. 1427, middenkolom, 5e en laatste al.) (...) De wet verplicht de verzekeraar om toereikende technische voorzieningen aan te houden, die prudent zijn vastgesteld. (...) Deze technische voorzieningen hebben (...) het karakter van een wettelijk verplichte voorzie ning ter hoogte van de berekende of geschatte verplich tingen van de verzekeraar tegenover zijn polishouders. Op de balans vormen zij daarmee geen onderdeel van het eigen vermogen van de verzekeraar maar van zijn toekomstige verplichtingen. Deelt de minister mijn mening dat de jaarlijkse mutaties in deze voorzieningen in de verlies- en winstrekening ten volle mogen worden afgetrokken voor de berekening van de vennootschaps- (rechterkolom, 1e al.) belasting? (...) (3e al.) Minister Zalm: (...) (blz. 1428, linkerkolom, 4e en laatste al.) (...) Wij moeten een goed onderscheid maken. Zo ziet de Verzekeringskamer vooral op de soliditeit van de verzekeraar. Dus de toe voegingen aan de reserves kunnen in de ogen van de (mid denkolom, 1e al.) Verzekeringskamer nooit groot genoeg zijn. Dat is altijd goed voor de soliditeit en de conti nuïteit. (2e al.) De belastingdienst (...) moet ook bekijken of de winst niet te veel gedrukt wordt door grote toevoegingen aan de reserves. Dus de belastingdienst heeft uit een andere invalshoek een afzonderlijk oordeel met als basis het goed koopmansgebruik. (...) Overigens is in de jurisprudentie dit zelfstandige beoor delingsrecht van de fiscus op de redelijkheid van de getroffen voorziening erkend. (...) (3e al.) De heer Van Dijk (...): (...) (6e en laatste al.) (...) Als blijkt dat die technische voorzieningen op goede gronden, geba seerd op een actuariële verklaring, zijn vastgesteld en een goede afspiegeling zijn van de toekomstige verplich tingen van het verzekeringsbedrijf, is de minister dan niet met mij van mening dat die niet als eigen kapitaal beschouwd moeten worden, maar de vorm van een schuld hebben en zodanig in de verlies- en winstrekening ver werkt dienen te worden dat zo'n bedrijf over een deel van die voorzieningen geen vennootschapsbelasting betaalt? (rechterkolom, 2e al.) Minister Zalm: (...) Het antwoord hierop is mijns inziens zonder meer bevestigend. (3e al.) De kwesties met de fiscus gaan over de onmatigheid, dus over de vraag of het inderdaad een redelijke voorziening is. Daarbij kan niet gevaren worden op het oordeel van de Verzekeringskamer, omdat deze louter minimale eisen stelt. Als een bedrijf meer wil reserveren, is dat in de optiek van de Verzekeringskamer winst. Maar de belasting dienst kan de mening zijn toegedaan dat het grenzen overschrijdt. Uiteindelijk is een beroep op de rechter mogelijk. Het gaat erom of de vraag die wij in abstracto met "ja" beantwoorden in concreto in die zin wordt beant woord dat er van prudente voorziening sprake is dan wel van een overmatige voorziening." 5.
  4. HR 8 juli 1996, nr. 31.422, met mijn conclusie, BNB 1997/37 met noot Slot, onder 3.3, blz. 239, regels 38-44, overwoog: "Indien de uitoefening van een onderneming noodzakelij kerwijze leidt tot kosten die worden opgeroepen door de productie in enig jaar van de in de onderneming voortge brachte zaken, doch pas in een volgend jaar tot een uitgaaf leiden (...) handelt een belastingplichtige niet in strijd met goed koopmansgebruik door die kosten toe te rekenen aan de productie van bedoelde zaken, en zonodig daartoe in de eindbalans van het desbetreffende jaar tot het bedrag van die kosten een voorziening op te nemen." 5.
  5. Fiscale encyclopedie De Vakstudie, deel 2, art. 9 Wet IB 1964, aant. 152, blz. 165 (Suppl. 1017 (juli 1996)), betoogt<
(19)Cursiveringen van De Vakstudie.>: "(...) Zijn (...) pensioenverplichtingen aangegaan worden deze in eigen beheer gehouden (...), dan kan de werkgever verschillende stelsels volgen om de pensioen last ten laste van zijn winst te brengen. Te weten: - het omslagstelsel, waarbij de pensioenlast wordt gebracht ten laste van het jaar waarin de pensioenuitkeringen werke lijk plaatsvinden. (...); - het kapitaaldekkingstelsel, waarbij tijdens de actieve periode van de werknemer jaarlijks de aangroei van de verplichtingen door passive ring ten laste van de winst wordt gebracht, zodat een kapitaal wordt opgebouwd dat voldoende is om de werkne mers te zijner tijd het hun toekomende pensioen te kunnen uitkeren. (...)" 5.
  1. HR 4 september 1996, nr. 31.077, BNB 1996/356, onder 3.4, blz. 2918, regels 8-12, overwoog, "(...) dat de onderhavige tantièmes werden toegekend bij de vaststelling van de definitieve jaarrekening over het jaar
  2. Hieruit volgt dat - nu (...) de tantièmes betrekking hadden op werkzaamheden verricht in het jaar 1991 - belanghebbende niet handelde in strijd met goed koopmansgebruik door die tantièmes ten laste van de winst van dat jaar te brengen." 5.
  3. HR 26 februari 1997, nr. 31.803, met mijn conclusie, BNB 1997/218 met noot Aardema. 5.44.
  4. Ik betoogde (blz. 1655, regels 7-22): "-7.
  5. Het gaat er (...) om dat de ondernemer gelijkmatig vloeiende betalingen ontvangt voor een prestatie of prestaties die hem normaliter met het tijdsverloop stij gende bedragen kosten. -7.
  6. In die situatie vindt de ondernemer in de eerdere betalingen mede de vergoeding voor de latere uitgaven. -7.
  7. (...) Wat goed koopmans gebruik voor de belanghebbende betekent, moet afgemeten worden aan haar eigen bedrijfshuishouding. -7.
  8. Het dunkt mij derhalve naar goed koopmansgebruik, minst genomen, geoorloofd met het hiervóór onder 7.10 bedoelde verband rekening te houden op een wijze die een ongelijk matigheid in de periodieke winstbepaling zo goed mogelijk voorkomt dan wel corrigeert." 5.44.
  9. Uw Raad overwoog (onder 3.4.2, blz. 1647, tot en met regel 6): "Indien een ondernemer een vergoeding ontvangt, die (...) niet ten volle betrekking heeft op reeds geleverde pres taties, doch mede in de toekomst nog te verrichten pres taties betreft, staat goed koopmansgebruik toe ter zake van het aan de toekomstige prestaties toe te rekenen deel van die vergoeding een voorziening te vormen en aldus de met laatstbedoelde prestaties te behalen winst pas te verantwoorden naarmate deze worden verricht." 5.
  10. A. J. van Soest, a. w., nr. 1.3.10.10, blz. 116, be toogt: "(...) Worden verplichte pensioenen ten laste van het ondernemingsvermogen (...) uitgekeerd (...), dan zal men een keuze hebben uit twee methoden (...): men kan eenvou dig elk jaar de uitgekeerde pensioenen ten laste van de winst brengen (het zogenaamde omslagstelsel (...)), ofwel men kan op het ogenblik waarop de verplichting ontstaat, ter zake een post onder het passief opnemen (...); deze post moet aangroeien naarmate de verplichting op een hoger bedrag moet worden geschat, en afnemen naarmate door de uitbetaling van pensioen en het ouder worden van gepensioneerden de verplichting een lagere schatting rechtvaardigt; deze toenemingen en afnemingen zullen dan respectievelijk ten laste en ten bate van de winst moeten komen (het zogenaamde kapitaaldekkingsstelsel). (...)" 5.
  11. Hofstra en Stevens, Inkomstenbelasting, 5e druk, 1998, nr. 294, betogen: "(blz. 281) Bij de waardering van de (...) pensioenver plichtingen komen (...) vragen aan de orde. De eerste is welke systemen - ter keuze van de belastingplichtige - kunnen worden toegelaten. (...) toegelaten systemen worden onderscheiden in het omslagstelsel [en] het kapi taaldekkingsstelsel (...) (blz. 282) Het omslagstelsel houdt in dat tijdens de diensttijd niet wordt gereser veerd, maar dat de pensioenuitkeringen worden gebracht ten laste van het jaar waarin zij worden uitbetaald. De Hoge Raad erkende dit stelsel als (fiscaal) goed koop mansgebruik (...)" 5.
  12. HR 26 augustus 1998, nr. 33.417, BNB 98/409<
(20)Futd 20 oktober 1998, blz. 5, punt 98-1676; De naamlooze vennootschap, november 1998, blz. 262, met noot H. G. M. Dijstelbloem; Weekblad voor fiscaal recht 1998/6318, blz. 1723 met noot P. F. Goes; MBB, december 1998, blz. 399 met noot P. H. M. Flipsen; Fiscaal ondernemingsrecht, december 1998, blz. 247 met noot P. H. J. Essers.>, onder 3.6, blz. 3384, regels 17-24, overwoog, "(...) dat (...) moet worden toegestaan dat bij de bepa ling van de winst voor een zeker jaar ter zake van toe komstige uitgaven een passiefpost wordt gevormd, indien die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandig heden, die zich in de periode voorafgaande aan de balans datum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend, en ter zake waarvan een rede lijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen."
  1. Middel 1.1 en de beoordeling ervan. 6.
  2. De belanghebbende heeft gesteld dat zij ziektekostenver zekeringscontracten afsluit, waarbij de ziektekosten van een ouder wordende verzekerde gedekt worden tegen een jaarlijkse, niet met de leeftijd van de verzekerde stijgende, premie. 6.
  3. De Inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat bij zulke contracten premieverhoging op grond van veroudering niet is uitgesloten. 6.
  4. Het Hof is op dit geschilpunt niet ingegaan met betrek king tot afzonderlijke contracten, maar slechts met betrekking tot "de portefeuille als geheel", de "totale portefeuille" van de belanghebbende en "een algehele vergrijzing van de Neder landse bevolking". 6.
  5. Voorzover de inhoud van de afzonderlijke contracten ter beoordeling van middel 1.1 van belang is, zal er dus veronder stellenderwijs van uitgegaan moeten worden dat de stellingen van de belanghebbende juist zijn. 6.
  6. Het aldus opgevatte contract zal, op zichzelf beoordeeld, bij overigens evenwichtige verhoudingen naar verwachting in de eerste jaren de belanghebbende meer premie dan schade opleve ren (onderschade) en in latere jaren meer schade dan premie (overschade). 6.
  7. Goed koopmansgebruik zal, toegepast op dit ene contract, toestaan dat uit de onderschade een voorziening wordt gevormd: aan het eind van elk van de eerste jaren moet de belanghebben de erop rekenen dat zij in de toekomst schade moet vergoeden waar geen even hoge premie tegenover staat. 6.
  8. De gevormde voorziening zal alsdan opgeheven moeten worden, naar gelang de latere jaren verstrijken, uiteindelijk voor het geheel bij de beëindiging van het contract voor hetgeen alsdan nog mocht resteren. 6.
  9. Dienaangaande voert de belanghebbende in middel 1.1 aan (blz. 10), "(...) dat ná de balansdatum de schade-uitkeringen ten gevolge van de door [de belanghebbende] afgesloten verze keringsovereenkomsten zullen toenemen tengevolge van het ouder worden van de betreffende verzekerden. Uit de berekeningen (...) blijkt dat de verwachte toename van de premies die ter zake van de betreffende verzekeringsover eenkomsten nog zullen worden betaald, zal achterblijven ten opzichte van de verwachte toename van de schade- uitkeringen. Het optredend tekort betreft een verlies dat zijn oorsprong vindt in de bestaande rechtsverhouding tussen [de belanghebbende] en haar verzekeringsnemers. (...)" 6.
  10. De Staatssecretaris stelt daartegenover (vertoogschrift in cassatie, blz. 1): "(...) Onjuist is belanghebbendes mening dat de schade- uitkeringen na balansdatum door het ouder worden van de verzekerden zullen toenemen (...) Elk jaar zullen er immers nieuwe jonge verzekerden bijkomen en oudere verze kerden overlijden. De gemiddelde leeftijd zal ongeveer gelijk blijven (...) en daarmee zal ook het schadebedrag behoudens bijzondere omstandigheden jaarlijks ongeveer gelijk zijn. (...)" 6.
  11. Het Hof acht in dit opzicht klaarblijkelijk beslissend hoe de belanghebbende van jaar tot jaar haar premie op de gehele categorie van contracten bepaalt. Het stelt vast dat dit het omslagstelsel is en maakt daaruit de gevolgtrekking dat goed koopmansgebruik niet gedoogt de methodiek van het kapitaaldekkingstelsel toe te passen. 6.
  12. Naar het mij voorkomt, is het goede koopmansgebruik, dat de belastingrechtelijke jaarwinstbepaling beheerst, niet afhankelijk van het bedrijfsbeleid dat de onderneming in haar prijsstelling volgt. 6.
  13. Met andere woorden: ook al regelt de schadeverzekerings onderneming haar premietarieven naar het omslagstelsel, dan nog is het haar toegestaan voor de winstbepaling op haar afzonderlijke contracten het kapitaaldekkingstelsel te volgen. 6.
  14. Zou men daartegenover de redenering van de Staatssecre taris volgen, dan zou de belanghebbende gedwongen worden bestaande verplichtingen te verwaarlozen op grond dat andere contracten haar op dat ogenblik lagere lasten bezorgen. 6.
  15. Indien goed koopmansgebruik een dergelijke verevening al gedoogt, ertoe dwingen doet het naar mijn oordeel zeker niet. 6.
  16. Immers is deze verevening afhankelijk van het blijven binnenkomen van zulke andere contracten, een veronderstelling die uitgaat van een optimisme dat aan goed koopmansgebruik niet inherent is. 6.
  17. Nu hebben de partijen ook gestreden over het antwoord op de vraag of de door de belanghebbende getroffen voorziening voorzag in afbraakregels die met goed koopmansgebruik stroken. 6.
  18. Ook in dit opzicht heeft het Hof in het midden gelaten hoe de feitelijke situatie was. 6.
  19. Naar ik meen, volgt uit het vorenstaande dat de erken ning van de voorziening noodzakelijkerwijs meebrengt op welke wijze zij wordt afgebroken. 6.
  20. Ik meen daarom dat middel 1.1 in beginsel opgaat. 6.
  21. Nu bestrijdt de belanghebbende in middel 1.1 mede dat zij het omslagstelsel zou hebben toegepast. 6.
  22. Mij dunken 's Hofs overwegingen in dit opzicht niet afdoende met redenen omkleed. 6.
  23. Met name zie ik niet in waarom hetgeen het Hof onder 5.4.2 overweegt, op zou gaan: indien aangenomen wordt dat in een aantal polissen de premiestelling leeftijdafhankelijk was, te weten afhankelijk van de entreeleeftijd, dan is toch al thans voor die polissen het kapitaaldekkingstelsel gevolgd. 6.
  24. Naar mijn oordeel gaat derhalve middel 1.1 op.
  25. Middel 1.2 en de beoordeling ervan. 7.
  26. Middel 1.2 heeft betrekking op de en-bloc-clausule. 7.
  27. Naar het mij voorkomt, gaat middel 1.2 in zoverre op dat ook in dit opzicht niet relevant is wat met de portefeuille als geheel kan gebeuren. 7.
  28. Ik meen dan ook dat het voor de beslissing op het thans aanhangige beroep in cassatie niet van belang is in te gaan op al hetgeen voor het Hof dienaangaande is aangevoerd, en ik zal er derhalve mee volstaan middel 1.2 gegrond te bevinden. 7.
  29. Mocht Uw Raad daaromtrent nadere beschouwingen op prijs stellen, dan zal het Openbaar Ministerie zich daartoe met genoegen zetten.
  30. Reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten. 8.
  31. Art. 5, lid 4, Besluit op de Winstbelasting 1940 hield in: "Tot de passiva (...) behooren reserves tot (...) gelijk matige verdeeling van kosten en lasten." 8.
  32. Raad van Beroep (R.v.B.) Alkmaar 9 maart 1942, B. 7638, overwoog, "(blz. 90) (...) dat het risicofonds is gevormd door exploitatieoverschotten in goede jaren te reserveeren (...); dat dit fonds (...) dient om eventueele tekorten en buitengewone bedrijfsuitgaven op te vangen, teneinde dan in staat (blz. 91) te zijn den melkleveranciers steeds een prijs te betalen (...), die aan de marktnotee ringen beantwoordt (...)", en verwierp de kwalificatie van dit risicofonds als reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten. 8.
  33. R.v.B. Arnhem 15 december 1942, M.v.B., jaargang 12, nr. 2, blz. 31, overwoog<
(21)Naar mijn indruk zijn bij de redactie van de uitspraak enkele misslagen begaan. Deze doen evenwel, ook zonder correctie, aan de begrijpelijkheid nauwelijks afbreuk.>, "(blz. 31) (...) dat appellante het bedrijf uitoefent van verzekeraar tegen (...) schaden (...); dat appellante stelt het noodig te hebben geoordeeld een voorziening te treffen tegen den invloed van mogelijk abnormale schade in eenig jaar en, teneinde te bereiken dat in den loop der jaren de verhouding van de schaden tot de premiën zoo gelijkmatig mogelijk blijven, een reservefonds heeft gevormd, waaraan worden toegevoegd de bedragen waarmede de in eenig jaar betaalde en per ultimo December van dat jaar nog onvereffende schaden onder het gemiddelde scha debedrag der voorafgaande 20 jaren blijven, terwijl op deze reserve in mindering zullen worden gebracht de bedragen waarmede die schaden in eenig jaar het gemiddel de bedrag overtreffen. (...) (blz. 32) (...) Overwegende, dat de (...) reserve door appellante is gevormd met de bedoeling de uit toekomstige onzekere gebeurtenissen voortvloeiende, ieder jaar sterk wisselende schaden te egaliseeren, nu een dergelijke bedoeling naar een techni sche en wetenschappelijke maatstaf beoordeeld, in het belang van den goeden gang van appellant's verzekerings bedrijf kan worden geacht en daarom aanvaardbaar is en aanvaard moet worden (...)" 8.
  1. HR 5 oktober 1955, nr. 12.401, BNB 1955/346, blz. 786, regels 10-18, overwoog, "(...) dat een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten (...) dient om kosten en lasten, die door de bedrijfsuitoefening over enig jaar noodzakelijk zijn geworden, ten laste van dat jaar te brengen ook al zijn zij daarin niet in uitgaaf gekomen; dat echter de in de jaren na 1946 te betalen bijslagen op pensioen, die belanghebbende door middel van een reserve tot gelijkma tige verdeling van kosten en lasten ten laste van het jaar 1946 wil brengen, niet door de bedrijfsuitoefening van dat jaar noodzakelijk zijn geworden (...)" 8.
  2. Art. 13, lid 1, Wet IB 1964 houdt in de voor 1987 gelden de tekst in: "Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst kan worden gereserveerd tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten (...)" 8.
  3. HR 8 juni 1977, nr. 18.110, met mijn conclusie, BNB 1979/5, betrof een middel van cassatie waarin Hof Amsterdam 20 februari 1976 schending of verkeerde toepassing van art. 13 Wet IB 1964 werd verweten. 8.6.
  4. Ik concludeerde tot verwerping van het middel en tot vernietiging ambtshalve van de bestreden uitspraak op grond van schending of verkeerde toepassing van art. 9 Wet IB
  5. 8.6.
  6. Uw Raad verwierp het beroep op basis van overwegingen die uitsluitend betrekking hadden op de toepassing van art. 13 Wet IB
  7. 8.
  8. HR 20 augustus 1980, nr. 19.897, BNB 1981/1 met noot Verburg, blz. 9, regels 5-8, overwoog, "dat een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten lasten, zoals bedoeld in artikel 13 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, slechts kan worden gevormd voor zover het gaat om kosten welke zijn opgeroepen door de bedrijfsuitoefening van een bepaald jaar doch die eerst in een later jaar tot een piek in de uitgaven leiden (...)" 8.
  9. HR 11 juli 1984, nr. 22.146, met mijn conclusie, BNB 1985/1 met noot Slot, onder 4.3, blz. 21, regels 7-18, over woog: "Indien en voor zover ultimo 1979 met betrekking tot 1979 vallende jaren de stellige verwachting bestond dat voor werknemers van belanghebbende de mogelijkheid zal blijven bestaan bij het bereiken van een bepaalde leef tijd gebruik te maken van een regeling welke voorziet in periodieke uitkeringen na vrijwillig vervroegd uittreden (hierna aan te duiden als een VUT-regeling), is het belanghebbende toegestaan op de voet van artikel 13 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten te vormen voor de in bedoelde jaren aan een VUT-regeling verbonden uitgaven. Een dergelijke reserve wordt opgebouwd door voor ieder der werknemers, die in de jaren waarop een stellige verwachting als hiervoor omschreven betrekking heeft de leeftijd zullen bereiken waarop zij van de VUT- regeling gebruik kunnen maken, jaarlijks een gedeelte van de totale kosten van de VUT-regeling te reserveren. (...)" (vergelijk Hof Amsterdam 27 februari 1985, nr. 3097/84, Vak studie Nieuws 25 mei 1985, blz. 1055, punt 15). 8.
  10. HR 6 november 1991, nr. 27.602, BNB 1992/9, blz. 71, regels 12-40, overwoog: "3.
  11. (...) Volgens (...) de regeling (...) dienen werkgevers aan B een bijdrage te betalen van 0,6 percent van de loonsom. Deze gelden dienen ter financiering van de kosten in verband met vrijwillig vervroegd uittreden van werknemers die van de regeling gebruik willen maken. (...) 3.
  12. (...) belanghebbende [heeft] door de betaling van een percentage van de loonsom volledig aan de uit de bedrijfsuitoefening van het betrokken jaar voortvloeiende verplichting (...) voldaan, en aldus [vindt] de verplich ting tot toekomstige premiebetalingen haar grondslag (...) in de bedrijfsuitoefening van toekomstige jaren. Hieruit vloeit voort dat het belanghebbende niet is toegestaan te dier zake een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten te vormen." 8.
  13. HR 25 augustus 1993, nr. 28.872, BNB 1993/338 met noot Slot, onder 3.3, blz. 2427, regels 42-51, overwoog: "(...) De betalingen van belanghebbende aan de Stichting worden (...) aldus bepaald dat zij een benadering vormen van de bedragen die jaarlijks ter zake van de ingegane VUT-verplichtingen door de Stichting worden uitgekeerd. Aldus blijven verplichtingen die voor belanghebbende naar stellige verwachting in de toekomst zullen ontstaan ter zake van in het onderhavige jaar nog niet ingegane VUT- uitkeringen haar zelve aangaan, hetgeen meebrengt dat het haar vrijstaat een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten, als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, te vormen voor deze verplich tingen, voor zover zij worden opgeroepen door de be drijfsuitoefening in het onderhavige jaar, doch pas in de toekomst tot uitgaven zullen leiden." 8.
  14. Het Hof heeft overwogen (onder 5.8, blz. 16): "(...) Een dergelijke reserve kan worden gevormd voor toekomstige uitgaven die door de bedrijfsuitoefening in enig jaar zijn opgeroepen en die in de toekomst tot een piek in de uitgaven zullen leiden. Niet is aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich voordoet." 8.
  15. Middel 1.3 houdt in (blz. 15), "(...) dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheid dat de ziektekosten van een verzekerde stijgen naar mate deze verzekerde ouder wordt (...) Alsdan valt niet in te zien dat geen sprake is van een piek in de uitgaven (...)" 8.
  16. Naar het mij voorkomt, gaat het middel niet op: al zou juist zijn dat de uitgaven de premie overtreffen, dan nog gebeurt dat niet bij wijze van "piek".
  17. De inzake het materiële geschil te nemen beslissing. 9.
  18. Ik bevind de middelen 1.1 en 1.2 gegrond. 9.
  19. Dit impliceert dat een "vergrijzingsreserve" in de brede betekenis die de partijen aan dit begrip hebben toege kend, bij de winstbepaling van de belanghebbende over 1987 gevormd mag worden. 9.
  20. Over de uitgangspunten en berekeningen, die aan die vorming ten grondslag gelegd zouden moeten worden, zouden nog vele beschouwingen gehouden kunnen worden. 9.
  21. Ik begrijp echter overweging 2.1 van het Hof, alsmede de terugneming van middel 1.4 door de belanghebbende, aldus dat de partijen bewust voor het geval dat enige vergrijzingsreser ve erkend wordt, hebben afgezien van verdere geschilpunten over de uitwerking daarvan. 9.
  22. Zulks brengt mee dat Uw Raad, middel 1.1 gegrond bevin dende, ten principale recht kan doen in de door de belangheb bende nader voorgestane zin. 9.
  23. Dienovereenkomstig zal ik concluderen.
  24. Conclusie. De middelen 1.1 en 1.2 gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 6.538.168,-, met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.