Nr. 342 Mr. Ilsink Derde Kamer A Conclusie inzake: Algemene Kinderbijslagwet X tegen Parket, 31 maart 1999 de Sociale Verzekeringsbank Edelhoogachtbaar College,
- Feiten en procesverloop 1.
- Bij beschikking van 10 augustus 1994 heeft de Sociale Verzekeringsbank X (hierna: belanghebbende) mededeling gedaan van het volgende: "Sinds 1 augustus 1992, bent u in het genot van een VUT[vervroegd uittreden]-uitkering. Uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat u sindsdien woonachtig bent in Marokko, en slechts nog een postadres in Nederland heeft. Nu gesteld kan worden dat u uw maatschappelijk leven niet meer in Nederland heeft en Nederland metterwoon heeft verlaten bent u niet meer als ingezetene aan te merken. Evenmin bent u op grond van uw VUT-uitkering verzekerd. Om deze redenen bestaat met ingang van het vierde kwartaal 1992, geen recht op kinderbijslag." 1.
- Bij brief met dagtekening 13 september 1994 is namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen voornoemde beschikking. Bij uitspraak van 20 december 1994 heeft de Sociale Verzekeringsbank het bezwaar ongegrond verklaard. 1.
- Bij brief, ingekomen op 3 januari 1995, is namens belanghebbende tegen die uitspraak op bezwaar, bij de Arrondissementsrechtbank te Utrecht beroep ingesteld. Bij uitspraak van 26 januari 1996, Reg.nr. 95/30 AKW, waarvan het afschrift is verzonden op 30 januari 1996, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Van deze uitspraak is belanghebbende bij een schrijven ingekomen op 5 maart 1996, in hoger beroep gekomen bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). Bij uitspraak van 15 januari 1998, kenmerk 96/2459 AKW, waarvan een afschrift is verzonden op 30 januari 1998, heeft de CRvB de aangevallen uitspraak bevestigd. 1.
- Tegen deze laatste uitspraak is namens belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is op 25 maart 1998 ingekomen bij de CRvB; het bevat twee middelen. 1.
- De Sociale Verzekeringsbank heeft een vertoogschrift ingediend. < ? >
- Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie 2.
- De uitspraak van de CRvB is op 30 januari 1998 per post aan partijen verzonden. Gelet op het bepaalde in de art. 6:7, 6:8 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met art. 17, lid 4, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (Wet ARB), was 13 maart 1998 de laatste dag van de beroepstermijn. Aangezien het beroepschrift in cassatie bij de CRvB op 25 maart is binnengekomen, is het niet tijdig ingediend. De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zake niet om opheldering verzocht. In de uitspraak van de CRvB is vermeld dat beroep in cassatie kan worden ingesteld binnen twee maanden nadat het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd. De gemachtigde van belanghebbende zal daarom vermoedelijk ervan zijn uitgegaan dat de termijn voor het indienen van het beroep in cassatie op 30 maart 1998 eindigde. 2.
- In Van Wijk, Hoofdstukken van administratief recht, tiende, geheel herziene druk door W. Konijnenbelt en R.M. van Male, hoofdstuk 13, is te lezen: "37 Verschoonbare termijnoverschrijding - Artikel 6:11 Awb bepaalt dat niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege blijft indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.(?) Twee groepen van situaties zijn hierbij te onderscheiden. In de eerste plaats die waarin het verzuim aan de indiener moet worden toegerekend; in de tweede plaats die waarin toerekening aan de administratie behoort plaats te vinden. (?) Voor rekening van het bestuur komt een ontbrekende of gebrekkige rechtsmiddelvoorlichting, het verzuim bij de bekendmaking of mededeling van het besluit melding te maken van de mogelijkheid van bezwaar of beroep (artikelen 3:45, 6:23, 7:12, vierde lid en 7:26, vijfde lid, Awb). Niettemin moet hierbij volgens de MvT<
(1)Ik verwijs in dit verband naar PG Awb I blz. 299 lk. > ook rekening worden gehouden met de mate van deskundigheid die de indiener van het bezwaar- of beroepschrift heeft." 2.
- In HR 15 februari 1995, nr. 30 089, BNB 1995/96, is overwogen; "
- (?) Vaststaat dat aan belanghebbende in de door het Hof met uitspraak van het Hof meegezonden brief is medegedeeld dat het beroep in cassatie wordt ingesteld binnen twee maanden nadat het afschrift van de uitspraak van het Hof ter post is bezorgd. Aangezien blijkens het tot de stukken van het geding behorende afschrift van de uitspraak van het Hof dit op 11 januari 1994 ter post is bezorgd, is belanghebbende ervan uitgegaan dat de termijn voor het indienen van het beroep in cassatie op 11 maart 1994 eindigde. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest." 2.
- In de conclusie van A-G Loeb bij HR 8 juli 1997, nr. 278, RSV 1997/266, § 3.1, is vermeld: "Het beroepschrift in cassatie is in elk geval niet binnen daartoe gestelde termijn ingediend. De griffier heeft de gemachtigde van [belanghebbende] ter zake niet om opheldering verzocht. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de CRvB, zoals artikel 8:77, lid 1, onder f, Awb, eveneens ingevolge artikel 21 van de Beroepswet van overeenkomstige toepassing, voorschrijft, heeft aangegeven, dat en binnen welke termijn cassatieberoep kon worden ingesteld. Hierop lettend en in aanmerking nemend dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift in cassatie vóór 1994 twee maanden bedroeg, meen ik dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [belanghebbende] in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 Awb [noot: Vgl. HR 15 februari 1995, nr. 30089, BNB 1995/96 voor een geval waarin een onjuiste mededeling werd gedaan omtrent de termijn voor het instellen van cassatieberoep. In dat verband valt in deze zaak op te merken dat onder een eveneens op 17 december 1993 door de CRvB uitgesproken uitspraak (bij Uw Raad aanhangig onder nr. 277), waarin dezelfde gemachtigde optrad, een termijn van twee maanden is vermeld.], zodat niet-ontvankelijkverklaring wegens het na afloop van de termijn indienen van het beroepschrift in cassatie achterwege moet blijven. [noot: Zie voor een andere benadering: HR 4 oktober 1996, nr. 8793, [NJ 1997/63], na conclusie van de A-G Asser waarin (de Eerste Kamer van) Uw Raad overwoog dat de onjuiste "Rechtsmittelbelehrung" verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding opleverde, gelet op de deskundigheid van de optredende gemachtigde. Mij lijkt dit te zeer gesubjectiveerd.]" 2.
- In RSV 1997/266 gaat Uw Raad niet in op de kwestie van de ontvankelijkheid. Kennelijk was Uw Raad met de A-G van oordeel dat art. 6:11 Awb kon worden toegepast, omdat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Mede gelet op BNB 1995/96 ben ik dan ook van mening dat belanghebbende in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen. 2.
- Ik heb mij nog afgevraagd of daaraan - zoals in NJ 1997, 63 - zou moeten afdoen dat belanghebbende werd bijgestaan door een advocaat, van wie niet alleen redelijkerwijs mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende cassatietermijn maar ook dat hij zich niet van de wijs laat brengen door een onjuiste rechtsmiddelverwijzing. Een bevestigend antwoord impliceert dat een belanghebbende met een onwetende advocaat slechter af zou zijn dan een belanghebbende zonder advocaat en dat acht ik uit oogpunt van rechtsbescherming niet aanvaardbaar. Bovendien zou telkenmale de deskundigheid van de rechtshulpverlener moeten worden getoetst en dat is onbegonnen werk op een rechtsgebied waar geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt en vogels van diverse pluimage hun diensten aanbieden, terwijl doorgaans een adequate, in een publiekrechtelijke regeling neergelegde tuchtrechtspraak ontbreekt. NJ 1997, 63 verdient in sociale zekerheids- en belastingzaken dan ook geen navolging.
- Niet-ingezeten verzekerden voor de AKW 3.
- Art. 6 van de Algemene Kinderbijslagwet<
(2)Stb. 1962, 160. > (AKW) (tekst 1993<
(3)Ingevolge de wet van 27 april 1989, Stb. 127, luidt de tekst aldus sinds 1 jan.
- Bij wet van 26 maart 1998, Stb, 203 (Koppelingswet) is dit artikel gewijzigd. >) luidt "
- Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden." 3.
- In de MvT<
(4)Kamerstukken II 1957/58, 4953, nr. 3, blz. 25 rk. > is vermeld: "In het onderhavige wetsontwerp is (?) in artikel 6 omschrijving van degenen, die tot de verzekerden behoren, gelijk aan de overeenkomstige omschrijving in artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet. Slechts op één punt bestaat tussen de gebezigde omschrijving van de kring der verzekerden een afwijking. Deze afwijking betreft de duur van de verzekeringsperiode. In de Algemene Ouderdomswet is bepaald, dat men verzekerd is van de 15- jarige tot de 65-jarige leeftijd; in het ontwerp-Algemene Kinderbijslagwet loopt de verzekeringsduur van de 15-jarige leeftijd af onbeperkt door." 3.3. In de MvT<
(5)Kamerstukken II 1954/55, 4009, nr. 3, blz. 28. > inzake de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1956, 281) is vermeld: "(blz. 28,
- rk)d. Niet-ingezetenen De opzet van de regeling brengt mede, dat in beginsel ieder, die hier te lande woont, verzekerd zal dienen te zijn. Voorts zullen ook degenen, die niet hier te lande, hun woonplaats hebben, doch die hier te lande als werknemer werkzaam zijn, onder de verzekering dienen te vallen. Met name wordt hier gedacht aan de grensarbeiders. Internationaal wordt immers algemeen als gedragslijn aanvaard, dat een werknemer zijn pensioen opbouwt in het land, waar hij werkt. Het opnemen in de verzekering van alle hier te lande werkzame werknemers is bovendien wenselijk ter vermijding van ongelijke concurrentie-verhoudingen, welke zouden ontstaan, indien niet-ingezetenen van de verzekering en derhalve van de daaraan verbonden premiebetaling zouden worden vrijgesteld. (?). (blz. 54,
- rk)Aangezien de premie-inning voor de loontrekkenden zal geschieden op analoge wijze als is voorgeschreven voor de inning van de loonbelasting, is in het eerste lid onder b, enerzijds door het vereiste van het onderworpen zijn aan de loonbelasting, anderzijds door het woord "dienstbetrekking", aansluiting gezocht bij de terminologie van de artikelen 2 en 3 van het Besluit op de Loonbelasting 1940. Van onderworpen zijn aan de loonbelasting is ook sprake, wanneer ten aanzien van een loonbelastingplichtige op grond van een verdrag, ter voorkoming van dubbele belastingheffing, de feitelijke heffing van loonbelasting ingevolge de Nederlandse wet achterwege blijft. Ten aanzien van het begrip "dienstbetrekking" dient te worden opgemerkt, dat het onderhavige wetsontwerp alleen het grondbegrip "dienstbetrekking" met het Besluit op de Loonbelasting 1940 gemeen heeft. De in dat Besluit genoemde gevallen, waarin men steeds geacht wordt zijn arbeid in dienstbetrekking te verrichten, zijn in dit wetsontwerp niet overgenomen. Zo bepaalt artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit op de Loonbelasting 1940, dat aan de loonbelasting onderworpen zijn de niet binnen het Rijk wonende bestuurders en commissarissen van vennootschappen, verenigingen en maatschappijen, welke binnen het Rijk zijn gevestigd. Artikel 3, tweede lid van meergenoemd Besluit bepaalt, dat commissarissen van vennootschappen, verenigingen en andere rechtspersonen, steeds geacht worden hun arbeid als zodanig in dienstbetrekking te verrichten. Ten aanzien van genoemde personen is voor de loonbelastingheffing derhalve niet vereist, dat zij in feite in dienstbetrekking werken. Zij zijn, ook als ze niet in dienstbetrekking werkzaam zouden zijn, toch onderworpen aan de loonbelasting. Artikel 6, eerste lid, onder b, van het onderhavige wetsontwerp is evenwel slechts dan op hen van toepassing, indien een werkelijke dienstbetrekking aanwijsbaar is. Voorts dient nog te worden opgemerkt, dat de in de artikelen 2 en 3 van het Besluit op de Loonbelasting voorkomende term "vroeger verrichte arbeid" niet is overgenomen, zodat het in artikel eerste lid, onder b, van het wetsontwerp bepaalde zich niet uitstrekt tot degenen, die terzake van vroeger binnen het Rijk verrichte arbeid pensioen genieten. Door de aangegeven afwijkingen van het Besluit op de Loonbelasting 1940 wordt bereikt, dat van de niet-ingezetenen slechts zij, die werkelijk tot de categorie der loontrekkenden behoren, door de onderhavige bepaling in de verzekering worden opgenomen." 3.4. Het voorgaande maakt duidelijk dat, wil een niet-ingezetene op de voet van art. 6, lid 1, aanhef en onderdeel b, AKW verzekerd zijn, hij aan de loonbelasting moet zijn onderworpen op grond van een actuele, daadwerkelijk in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking. 3.5. Niet-ingezetenen kunnen vervolgens nog wel als verzekerden worden aangemerkt ingevolge het (mede) op het tweede lid van art. 6 AKW gebaseerde Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989.<
(6)Voor de volledigheid merk ik op dat het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk Der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, alleen ziet op werknemers en daarmee gelijkgestelden, waaronder VUT-ters niet zijn begrepen. >
- Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164) 4.
- De Sociale Verzekeringsraad heeft op 25 februari 1986, kenmerk 86/1101, aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een advies uitgebracht inzake de voorgenomen wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (KB van 19 oktober 1976, Stb. 557, kortweg KB 557). Met betrekking tot de niet in dat besluit voorkomende groep van niet-ingezetenen met een VUT-uitkering is in dat advies te lezen: "7.
- Vut-uitkeringen of equivalenten daarvan Mede naar aanleiding van de behandeling van de problematiek rond artikel 1, eerste lid sub k, alsmede artikel 2, eerste lid, sub c (en d), van het KB 557 (niet-ingezetenen met AOW-uitkering resp. ingezetenen met buitenlandse ouderomsuitkeringen c.q. Belgische mijnwerkers-rustpensioenen) heeft de Raad zich afgevraagd of er eventueel aanleiding zou kunnen bestaan om de gerechtigden tot zgn. VUT-uitkeringen eveneens in het KB 557 te betrekken. Dit moet aldus worden verstaan dat de vraag is opgeworpen: 1 of er verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringswetten ingevoerd zou moeten of kunnen worden ten aanzien van niet-ingezetenen die gebruik hebben gemaakt van een Nederlandse regeling inzake vrijwillig vervroegde uittreding c.q. enige jaren vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd een VUT- uitkering gaan genieten en dus niet meer aan het Nederlandse arbeidsproces deelnemen, met als variant daarop degenen die reeds een aantal jaren vóór genoemde leeftijd de arbeid in Nederland beëindigen en functioneel leeftijdsontslag bekomen met vervroegde pensionering. Een en ander kan zowel betrekking hebben op grensarbeiders (in België of Duitsland wonend, in Nederland gewerkt) als op ingezetenen (Nederlanders) die zich met bedoelde uitkeringen metterwoon in het buitenland vestigen. 2 (?). De Raad is ten aanzien van de situatie ad 1 van mening dat er géén aanleiding bestaat de hierbedoelde personen, die vrijwillig vervroegd uittreden en een op privaatrechtelijke regelingen gebaseerde VUT-uitkering ontvangen, bij wonen buiten het Rijk in de verplichte verzekering te betrekken, hetgeen ook geldt ten aanzien van personen die via functioneel leeftijdsontslag op privaatrechtelijke basis met vervroegd pensioen zijn gegaan, zoals in sommige beroepen of ondernemingen voorkomt. De uitbreiding van de kring van verzekerden ten aanzien van onder meer gerechtigden tot langlopende Nederlandse uitkeringen wegens leeftijd wenst de Raad beperkt te houden tot de wettelijke uitkeringen; een nog verdergaande uitbreiding van de kring acht hij niet of minder gewenst. Ook internationaal-rechteliijk bezien acht de Raad dit standpunt verdedigbaar, waarbij wordt opgemerkt dat betrokkenen in aansluiting op hun verplichte verzekering desgewenst een vrijwillige verzekering AOW/AWW kunnen sluiten voor de resterende periode tot het 65e jaar." 4.
- Aan de Tweede Kamer is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 27 augustus 1986 een nota aangeboden inzake herziening van KB
- Hierin is vermeld<
(7)Kamerstukken II 1985/86, 19 615, nrs. 1-2, blz.
- >: "§ 5.
- VUT-uitkeringen of daarmee gelijk te stellen uitkeringen SVr-advies In zijn advies werpt de SVr de vraag op of enerzijds verplicht verzekerd moeten blijven niet-ingezetenen die gebruik maken van een Nederlandse regeling inzake vrijwillig vervroegde uittreding, vervroegd pensioen, functioneel leeftijdsontslag e.d. en anderzijds van de verzekering moeten worden uitgezonderd ingezetenen, die een buitenlandse VUT-uitkering, vervroegd pensioen of equivalent daarvan ontvangen. De Raad ziet ten aanzien van de uitbreiding van de kring van verzekerden geen aanleiding de hiervoor bedoelde personen verzekerd te houden. Hij baseert zijn standpunt op het feit dat het om privaatrechtelijke regelingen gaat; de Raad wil de uitbreiding beperkt houden tot wettelijke regelingen. (?). Kabinetsstandpunt Het advies van de SVr en de gebruikte argumenten, kunnen worden onderschreven, evenwel onder de voorwaarden die het kabinet er aan geeft. Ook het kabinet wenst de uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden ingevolge de volksverzekeringen te beperken tot gevallen, waarin het gaat om uitkeringen krachtens wettelijke regelingen. Deze bieden in de regel meer waarborgen dan privaatrechtelijke regelingen met betrekking tot de duur en hoogte van de uitkering." 4.
- Uit het Verslag van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat onder andere de volgende vraag is gesteld<
(8)Kamerstukken II 1986/87, 19 615, nr. 3, blz.
- >: "32 Kunnen niet-ingezetenen die gebruikmaken van een Nederlandse regeling inzake vrijwillig vervroegd uittreden, functioneel leeftijdsontslag, etc., in de visie van de staatssecretaris vrijwillig hun AOW/AWW verzekering voortzetten? (?)." 4.
- Hierop is van regeringszijde in de Nota naar aanleiding van het verslag geantwoord<
(9)Kamerstukken II 1986/87, 19 615, nr. 4, blz.
- >: "32 De niet-ingezetene die uit hoofde van zijn in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen, is verplicht verzekerd krachtens de volksverzekeringen. De Nederlandse dienstbetrekking en daarmede de Nederlandse verzekeringsplicht eindigt zodra die persoon gebruik maakt van een regeling inzake vrijwillig vervroegd uittreden of inzake functioneel leeftijdsontslag. Een ieder die niet langer verplicht verzekerd is krachtens de volksverzekeringen kan zich, ongeacht zijn nationaliteit, binnen één jaar na beëindiging van die verplichte verzekering, vrijwillig verzekeren ingevolge de AOW en de AWW. Deze mogelijkheid bestaat reeds op grond van de huidige wetgeving. (?)." 4.
- In een Lijst van vragen is vervolgens te lezen<
(10)Kamerstukken II 1987/88, 19 615 nr. 12, blz.
- >: "
- Wordt onder artikel 7 of onder artikel 8 ook begrepen een Nederlandse VUT-uitkering? En hoe is dit geregeld voor personen met vervroegd pensioen krachtens een bedrijfs- of ondernemingspensioenregeling?" 4.
- Hierop is in de lijst van antwoorden als volgt gereageerd<
(11)Kamerstukken II 1987/88, 19 615, nr. 13, blz.
- >; "In de artikelen 7 en 8 wordt niet gesproken over Nederlandse VUT- uitkeringen of uitkeringen in het kader van vervroegde pensionering. Bij het verlenen van deze uitkeringen is er geen sprake van een tijdelijke onderbreking van de in Nederland verrichte arbeid in de zin van artikel
- Personen in het buitenland met dergelijke uitkeringen worden niet op grond van artikel 8 verplicht verzekerd gehouden voor de volksverzekeringen. Artikel 8 beperkt zich tot een opsomming van uitkeringen die krachtens wettelijke sociale verzekeringsregelingen worden verleend. Het ligt niet in mijn voornemen de verplichte verzekering uit te breiden tot niet- ingezetenen die uitkeringen ontvangen op grond van privaatrechtelijke afspraken met bij voorbeeld een voormalige werkgever." 4.
- Tijdens de beraadslagingen in de UCV is door mevr. Groenman (D66) nog opgemerkt<
(12)Handelingen II 20 mei 1987, UCV 73-13 lk. >: "ik [wil] nog een vraagteken zetten bij de VUT-regelingen voor deze werknemers. Het standpunt dat alleen verzekeringsplicht kan bestaan op grond van wettelijke regelingen, vind ik wat gekunsteld. Dat geldt zowel voor de uitbreiding als voor de beperking. Wat het eerste betreft: wat is er tegen om mensen die naar het buitenland vertrekken, verzekerd te houden krachtens de AOW, de ten aanzien van deze groep meest relevante verzekering?" 4.8. In de schriftelijke reactie van Staatssecretaris De Graaf is geantwoord<
(13)Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-21 mk en rk. >: "16 Zowel ten aanzien van de uitbreidingskant als van de beperkingskant van de kring van verzekerden heeft het kabinet in de beleidsnota als standpunt ingenomen, dat privaatrechtelijke regelingen niet bij de beoordeling van iemands verzekeringspositie dienen te worden betrokken. Dit heeft onder meer consequenties voor buitenlanders die een Nederlandse dan wel Nederlanders die een buitenlandse VUT-uitkering ontvangen. Dit standpunt wordt door de SVr gedeeld en ook internationaalrechtelijk verdedigd. Bij beoordelingen van de toepasselijkheid van de sociale verzekeringswetgeving van één bepaald land ligt het niet voor de hand niet-wettelijke aanspraken te betrekken. Dat geldt zowel voor VUT-uitkeringen, als ook bijvoorbeeld voor andere (secundaire) arbeidsvoorwaarden, vermogensposities e.d. Indien een dergelijk onderscheid niet zou worden gemaakt, zou de verzekeringssituatie onderworpen zijn aan (mogelijk) telkens wisselende omstandigheden in inkomensposities, exclusief de wettelijke sociale uitkeringscomponenten. Bovendien ontstaat een systeem van coördinatieregels, dat vele uitvoeringstechnische problemen oproept." 4.9. Tijdens de bijeenkomst van de Vaste Commissie is door de Staatssecretaris nog gesteld<
(14)Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-16 mk. >: "Mevrouw Oomen vraagt nogmaals waarom mensen met een VUT-uitkering niet worden meegenomen. Ik heb mijn argumenten hiervoor al schriftelijk gegeven. Wat moet ik er nog meer van zeggen? Ik verwijs naar mijn schriftelijke reactie." 4.10. Mevrouw Oomen-Ruijten repliceerde<
(15)Handelingen II 25 mei 1987, UCV 74-16 mk. >: "De staatssecretaris heeft daarbij niet gereageerd op mijn vraag over de pensioenuitkeringen. Immers, ook in het buitenland kent men bedrijfspensioenen en die zijn natuurlijk wel vast. Het probleem blijft zich voordoen zolang hij niet ook voor deze categorie vaststelt dat er geen premieplicht is." 4.11. De Staatssecretaris beëindigde de discussie met<
(16)Handelingen II, 25 mei 1987, UCV 74-16 mk. >: "Ik heb er in mijn schriftelijk antwoord al op gewezen dat wij maken hebben met verzekeringen en verplichte verzekeringen. Dat is iets anders dan VUT-regelingen. Op dit ogenblik heb ik daaraan niets meer toe te voegen." 4.
- In het op 1 juli 1989 inwerking getreden Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164) is in art. 8 bepaald welke personen die buiten Nederland zijn gaan wonen, verzekerd blijven ingevolge de volksverzekeringen. Tot die opsomming van personen behoren inderdaad niet VUT-gerechtigden. Dat was ook wel te verwachten, gelet op het standpunt van de Regering in het voorafgaande overleg met de Tweede Kamer. In de nota van toelichting bij KB 164 wordt aan niet-ingezetenen met een VUT-uitkering geen aandacht meer besteed met dien verstande dat onder "Algemeen" is opgemerkt: "(blz. 13) De volgende hoofdlijnen zijn in het onderhavige besluit te onderkennen. Uitbreiding van de kring van verzekerden vindt thans in de regel plaats ten aanzien van personen, die met Nederland in het verleden een band hebben gehad in de vorm van verzekering ingevolge de volksverzekeringen. Met betrekking tot deze uitbreiding tot buiten Nederland wonende personen zijn tot nu toe de volgende redenen te onderscheiden: - het wonen in het buitenland is van tijdelijke aard, zodat een onderbreking van de verzekering voor korte duur niet zinvol is, en - er ontbreekt een adequate buitenlandse voorziening of deze is onvol (blz. 14) ledig, terwijl een bepaalde band met Nederland is blijven bestaan (ontvangen van een Nederlandse uitkering). Voorgesteld wordt in het vervolg strikter vast te houden aan het uitgangspunt dat bij vertrek uit Nederland in beginsel de verzekering eindigt. Een uitzondering willen de ondergetekenden slechts maken voor degenen van wie de verzekering kort wordt onderbroken. Met name zouden dan blijvend buiten Nederland wonende personen, die een langlopende Nederlandse sociale verzekeringsuitkering ontvangen, niet langer verplicht verzekerd zijn. Zoals gezegd zullen ten aanzien van deze categorie van personen echter de ontwikkelingen in EG-verband worden afgewacht." 4.
- Het KB 164 leidt derhalve alleen voor niet-ingezetenen met een publiekrechtelijke sociale zekerheidsuitkering<
(17)Dit geldt overigens niet voor alle sociale zekerheidsuitkeringen. In HR 2 juli 1997, nr. 282, RSV 1997/240, is geoordeeld dat het KB 164 beperkt uitgelegd moet worden en dat een uitkering ingevolge de Toeslagenwet niet in ogenschouw kan worden genomen bij de vaststelling of een sociale zekerheidsuitkering van voldoende omvang wordt genoten. > (met een bepaalde omvang) tot verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen in Nederland, maar niet voor niet-ingezetenen met een privaatrechtelijke uitkering, zoals een VUT-uitkering<
(18)Ook in het op 1 januari 1999 in de plaats van voornoemd KB 164 inwerking getreden Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) vallen VUT-gerechtigden buiten de uitbreiding. Sterker nog, in KB 746 is ook geen sprake meer van verzekerd zijn voor de volksverzekeringen van niet-ingezetenen met een uitkering ingevolge de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Wel is in art. 27 een overgangsbepaling opgenomen op grond waarvan deze personen voor de AKW verzekerd blijven indien zij dat reeds waren, tot het tijdstip waarop het jongste kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. >.
- De middelen 5.
- De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende in de betrokken periode niet in Nederland woonde en hij dus geen ingezetene was. De CRvB heeft zich met dat oordeel verenigd. Voorafgaand aan de middelen, als het ware in de considerans van het beroepschrift, geeft belanghebbende een korte samenvatting van de zaak, waarin ik lees dat hij betwist dat hij zijn woonplaats van Nederland naar Marokko heeft verplaatst. Daaruit begrijp ik dat hij klaagt over 's Raads oordeel dat hij in de betrokken periode geen ingezetene in de zin van art. 6, lid 1, aanhef en onderdeel a, AKW was. 5.
- De klacht faalt aangezien dat oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie onaantastbaar is. 5.
- Middel I gaat uit van de opvatting dat een niet-ingezetene met een VUT-uitkering, zijnde een uitkering die wordt genoten als gevolg van het verrichten van arbeid in dienstbetrekking, die is onderworpen aan de loonbelasting, voor de AKW is verzekerd ingevolge art. 6, lid 1, aanhef en onderdeel b, AKW. 5.
- Zoals hiervoor in § 3.4 is geconcludeerd, is die opvatting onjuist. Onderdeel b is alleen van toepassing op actieve werknemers met loon uit een actuele, daadwerkelijk in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking en niet op post-actieve werknemers die loon genieten uit een vroegere dienstbetrekking. In dit verband wijs ik erop dat - naar van algemene bekendheid is - een voorwaarde voor deelneming aan een VUT-regeling is dat de dienstbetrekking wordt beëindigd<
(19)Zie hiervoor: C.W.M. van Ballegooijen, De VUT-regelingen en de loonbelasting, WFR 23 augustus 1979, nr. 5416, blz. 877 ev. en W. Rodenhuis, Kluwer belastingwijzers 8, VUT en fiscus, hfst. 1.
- >. Dat belanghebbendes dienstbetrekking is geëindigd ligt overigens besloten in de feitelijke vaststellingen van Rechtbank en CRvB dat: "(e)iser (?) van 28 februari 1973 tot 1 augustus 1992 (heeft) gewerkt bij Van Broekhoven B.V. te Utrecht" en dat "(hij ingang van laatstgenoemde datum (?) met de VUT (is) gegaan en vervolgens [is] vertrokken naar Marokko, waar hij het merendeel van zijn tijd heeft doorgebracht". 5.
- Middel I kan derhalve niet tot cassatie leiden. 5.
- In middel II wordt betoogd dat sprake is van schending van internationaalrechtelijke antidiscriminatiewetpalingen nu de Besluitgever VUT-gerechtigden buiten de kring van in art. 8 KB 164 genoemde verzekerden heeft gehouden. Het middel faalt aangezien een gerechtigde tot een privaatrechtelijke VUT-uitkering - mede gelet op doel en strekking van KB 164 (zie § 4 hiervoor) - niet vergelijkbaar is met een gerechtigde tot één van de in art. 8 KB 164 genoemde publiekrechtelijke sociale verzekeringsuitkeringen<
(20)In dit verband wijs ik erop dat op verzoek van de CRvB namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid schriftelijke informatie verschaft, waarop door partijen schriftelijk is gereageerd. Van de zijde van de Sociale Verzekeringsbank is dienaangaande in haar brief van 5 september 1997 aangevoerd: "Het antwoord dat u op uw vraagstelling heeft gekregen van het Min. van SoZa is naar onze mening alleszins duidelijk. Het verzekerd blijven met een VUT-uitkering is expliciet aan de orde geweest. Duidelijk is dat het kabinet zich toentertijd wilde beperken tot wettelijke regelingen, een privaatrechtelijke regeling zoals die van een VUT-uitkering paste niet in dat beeld. De SVB is evenwel van mening dat zeker een VUT-uitkering gezien moet worden als een "beloning" voor de staat van dienst van iemand, daarbij past ook het verzekerd blijven, uiteraard mits men onderworpen blijft aan de loonbelasting. De SVB is verder van mening dat een voorstel van deze strekking naar de huidige omstandigheden (terugtrekkende overheidsbemoeienis en de daarmee gepaard gaande toename van privaatrechtelijke regelingen) een grotere kans van slagen zou hebben gehad. Misschien is het de moeite waard om de kwestie alsnog aan de orde te stellen." Aldus heeft belanghebbende steun uit onverwachte hoek gekregen, evenwel - wat mij betreft - tevergeefs. >. Bovendien zijn er goede gronden aangevoerd om de VUT-uitkeringen buiten de uitbreiding te houden zodat, mocht toch sprake zijn van gelijke gevallen, voor de ongelijke behandeling een redelijke rechtvaardiging bestaat. 5.7. Overigens is het zo dat van regeringszijde werd beoogd de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen niet uit te breiden met niet-ingezetenen die niet voor een korte duur buitenslands zouden verblijven. Dat in het KB 164 ook andere niet- ingezetenen tot de kring van verzekerden worden gerekend komt omdat de Tweede Kamer hierop heeft aangedrongen aangezien men van mening was dat daartoe een verplichting bestond op grond van het arrest van het HvJ EG 12 juni 1986, de zaak 302/84 (Ten Holder, RSV 1987/24). Later is gebleken dat die opvatting onjuist is.<
(21)Zie het sinds 29 juli 1991 toegevoegde tweede lid, onderdeel f, van art. 13 van de EG V0 1408/71 en de arresten van HvJ EG 21 februari 1991 (Daalmeijer en Noij), RSV 1991/200-201 m.nt. F.W.M. Keunen. > 5.
- Middel II wordt derhalve eveneens tevergeefs voorgesteld.
- Conclusie Ik concludeer tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G