< ? > Nr. 4014 Besch. Mr Machielse Parket Conclusie inzake: Cameo Media Support B.V. Edelhoogachtbaar College,
- De rechtbank te Amsterdam heeft op 21 januari 1999 het klaagschrift van verzoekster tegen inbeslagneming van onder haar berustend beeldmateriaal gegrond verklaard voorzover het de gebeurtenissen van 14 december 1998 betreft, en ongegrond verklaard voorzover het de gebeurtenissen van 20 december 1998 aangaat. De beschikking van de rechtbank is inmiddels gepubliceerd (NJ 19999,357).
- Mr H.F. Doeleman, advocaat te Amsterdam, heeft namens verzoekster cassatie ingesteld. Ook de officier van justitie heeft cassatie aangetekend. De officier van justitie heeft een schriftuur ingezonden, houdende één cassatiemiddel. Ook is een schriftuur ontvangen van mr D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, houdende drie middelen van cassatie. 3.
- Het inbeslaggenomen beeldmateriaal bevat opnamen die gemaakt zijn bij ongeregeldheden te Amsterdam op 14 resp. 20 december
- De rechter-commissaris heeft op de voet van art.105 Sv de uitlevering van het materiaal bevolen en het materiaal inbeslaggenomen. Het klaagschrift stelde dat de inbeslagneming in strijd is geweest met het recht op vrije nieuwsgaring en dat de rechter-commissaris onvoldoende dat belang heeft afgewogen tegen het belang van de strafvordering. Een correcte afweging van die belangen zou in het voordeel van het eerste zijn uitgevallen, aldus het klaagschrift. Ook zouden eisen van evenredigheid en noodzakelijkheid zijn geschonden. Het recht op vrije nieuwsgaring zou gevaar lopen als het publiek tot de conclusie zou kunnen komen - zo parafraseer ik de kern van het klaagschrift - dat opnamen door journalisten gemaakt, zouden kunnen strekken ter opheldering van strafbare feiten. Het werk van de journalist wordt bemoeilijkt als hij tijdens zijn werk als een (mogelijke) "verlengde arm" van justitie wordt beschouwd. 3.
- De rechtbank toonde zich gevoelig voor dit pleidooi voor een speciale positie van de pers. Zij stelde vast dat de inbeslaggenomen videobanden uitgezonden, maar ook niet uitgezonden beeldmateriaal bevatten. Zij heeft voorts overwogen: Naar het oordeel van de rechtbank kan inbeslagneming van journalistiek materiaal als thans in het geding echter eveneens tot een inbreuk op het recht op vrije nieuwsgaring en aldus tot strijdigheid met het bepaalde in artikel 10 EVRM leiden. De publieke functie van de joumalistiek kan immers in het gedrang komen, indien de joumalist, cameraman of fotograaf in zijn werkzaamheden wordt belemmerd of een dergelijke belemmering te vrezen heeft, doordat hij wordt beschouwd als potentiele "verlengde arm" van justitie. Dit impliceert dat een bevel tot uitlevering van journalistiek materiaal slechts dan gerechtvaardigd is, indien het belang van een vrije nieuwsgaring achtergesteld dient te worden bij het belang van de strafvordering bij het aan de dag brengen van misdrijven die de rechtsorde emstig aantasten. Het middel van de officier stelt dat de rechtbank is uitgegaan van een verkeerd begrip van het recht van vrije nieuwsgaring. Dat recht houdt in dat de burger vrij is in het vergaren van nieuws en het doorgeven van nieuws en daarin niet door de overheid mag worden belemmerd. Als het opvragen van beeldmateriaal kan leiden tot represailles en dreigementen jegens journalisten, cameramensen, fotografen, waardoor dezen in hun werkzaamheden worden belemmerd, dan is deze hindernis, aldus de officier, niet door de overheid opgeworpen. Die inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring wordt niet gepleegd door de overheid en daarom kan de rechter ook niet toekomen aan een afweging als bedoeld in het tweede lid van art.10 EVRM. De vraag die moet worden beantwoord is inderdaad of door de inbeslagneming inbreuk is gemaakt op het recht op vrije nieuwsgaring. Daarna verdient de vraag naar een eventuele rechtvaardiging van zo een ingreep de aandacht.
- Maar het lijkt mij zinvol een opmerking vooraf te maken naar aanleiding van de voor de rechtbank verdedigde sleutelstelling dat inbeslagneming van beeldmateriaal het werk van de pers bemoeilijkt omdat het publiek daardoor de pers als een verlengstuk van justitie gaat zien. Journalisten nemen waar en verzamelen gegevens om die of om daarover te publiceren. Als zich een cameraploeg van een tv-station vertoont bij een gebeurtenis dan is het voor eenieder duidelijk dat die ploeg daar is om de gebeurtenissen te verslaan, en niet om de gemaakte opnamen in het familiearchief te stoppen en aan de openbaarheid te onthouden. Hetzelfde geldt voor opnamen die worden gemaakt bij gebeurtenissen die de rechtsorde schenden. Als camera's op rellen worden gericht door journalisten dan zullen de relschoppers er vanuit mogen gaan dat die opnamen onderdeel van een uitzending worden. Zo een uitzending kan iedereen, ook politie en justitie, vrijelijk opnemen en bestuderen. Het risico dat verzameld beeldmateriaal een rol gaat spelen bij de opsporing is dus steeds aanwezig. Een journalist die opnamen maakt ter uitzending neemt dit risico. Een relschopper die ziet dat een journalist een camera op hem richt weet óók dat uitzending hem misschien herkenbaar in beeld brengt en dat een strafvervolging dan waarschijnlijk is.<
(1)Het risico dat de pers als "verlengde arm" van politie en justitie wordt gezien door vandalen, relschoppers, vernielers etc. kan worden versterkt als de politie de belaagde pers te hulp schiet en ontzet. Is dan - rhetorische vraag - het beschermen van de pers tegen raddraaiers ook een aanslag op het recht van vrije nieuwsgaring? Ook kan de vraag rijzen of hetzelfde wantrouwen jegens de pers ook niet wordt gevoed wanneer de pers - klaarblijkelijk tevoren door de politie of justitie ingeseind - een geruchtmakende aanhouding of huiszoeking bijwoont. > Ik kan mij eerlijk gezegd - mij stellend op het standpunt van de relschopper - nauwelijks voorstellen waarin het verschil schuilt tussen de gevallen waarin de opnamen van rellen in handen komen van politie en justitie omdat zij door de media zélf in de publiciteit worden gebracht en door de autoriteiten worden gecopiëerd, en de gevallen waarin politie en justitie het beeldmateriaal in handen krijgen met gebruikmaking van een strafvorderlijk dwangmiddel, nadat de uitzending van (een deel van) dat materiaal al heeft plaatsgevonden. De relschopper die ziet dat journalisten arriveren kan zich geroepen voelen 'preventief' op te treden om te voorkomen dat zijn handelen wordt geregistreerd en dat - op welke manier ook, door uitzending of inbeslagneming - zijn identiteit nadien aan de politie zal kunnen blijken. Hieruit volgt mijns inziens al dat het risico voor journalisten gegeven is met het feit dat zij materiaal vervaardigen met het oog op openbaarmaking daarvan. Maakt het verschil of het in de openbare ruimte verzameld materiaal dat wordt inbeslaggenomen wel of niet is gepubliceerd? De beslissing om het een wel en het ander niet te openbaren is meestal gebaseerd op de nieuwswaarde van het materiaal. Die beslissing heeft doorgaans niets te maken met de wens de anonimiteit van relschoppers te garanderen, met de bescherming van bronnen of met het instandhouden van het vermogen van de journalist om ook in de toekomst informatie te verkrijgen. Alleen wanneer het niet openbaren is ingegeven door de wens een belofte van anonimiteit na te komen of anderszins de anonimiteit van relschoppers verborgen te houden kan het anders liggen.<
(2)Aldus W.F. Korthals Altes, Naar een journalistiek privilege, 1989, p.73, 75, 78, waar de auteur de toestand in de VS bespreekt, maar wel in algemene bewoordingen. Voor Nederland blijkt de auteur dezelfde mening aan te hangen, p.
- > Maar deze scepsis over de sleutelstelling van verzoekster heeft niet als noodzakelijk gevolg dat een beroep op art.10 EVRM in een geval als het onderhavige aan de pers zou moeten worden ontzegd. Het recht van vrije nieuwsgaring zou immers kunnen omvatten de vrijwaring tegen inbeslagneming van verzameld beeldmateriaal op andere gronden dan die beweerde bemoeilijking van het werk van de pers in de openbare ruimte. De vraag is of zulke andere gronden zijn aan te wijzen. 5.
- Het recht van vrije nieuwsgaring wordt geacht besloten te liggen in art.10 EVRM. Het eerste lid daarvan luidt als volgt:
- Everyone has the right to freedom of expression. This right shall include freedom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference by public authority and regardless of frontiers. This Article shall not prevent States from requiring the licensing of broadcasting, television or cinema enterprises. Het tweede lid voorziet in uitzonderingen op het eerste lid:
- The exercise of these freedoms, since it carries with it duties and responsibilities, may be subject to such formalities, conditions, restrictions or penalties as are prescribed by law and are necessary in a democratic society, in the interests of national security, territorial integrity orf public safety, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, for the protection of the reputation or rights of others, for preventing the disclosure of information received in confidence, or for maintaining the authority and impartiality of the judiciary. 5.
- Een rijke stroom jurisprudentie is inmiddels gevloeid over de inhoud van art.10 EVRM. In het kader van de persvrijheid zijn grosso modo twee categorieën arresten van het EHRM te onderscheiden. De eerste groep kenmerkt zich door overheidsbemoeienis die zich hetzij vooraf hetzij achteraf tegen een openbaarmaking keert. De tweede groep staat in de sleutel van de bronbescherming en is totnutoe veel geringer in omvang. In de eerste groep gaat hetHet gaat steeds om ingrijpen van de overheid dat erop is gericht om publikatie te voorkomen of te bestraffen. Ik wijs op - EHRM 7 december 1976, NJ 1978,236 (Handyside), waarin de uitgever van het "Rode Boekje voor scholieren" werd vervolgd. Inbeslagneming en vernietiging van het boekje en van de matrijs waren geen schendingen van art.10 EVRM; EHRM 26 april 1979, NJ 1980,146 (Sunday Times); aan de Sunday Times werd een verbod opgelegd een artikel te publiceren over het gevolg voor hun ongeboren kinderen van het gebruik van thalidomide door zwangere vrouwen voor hun ongeboren kinderen. Het verbod was een schending van art.10 EVRM. Het was niet gerechtvaardigd door een "pressing social need"; - EHRM 8 juli 1986, NJ 1987,901; veroordeling wegens smaad aan het adres van de Oostenrijkse kanselier was onevenredig en daarom een schending van art.10 EVRM; - EHRM 22 februari 1989, NJ 1991,686 (Barfod), waarin een veroordeling wegens laster volgde op een publikatie in een Groenlandse krant. Interessant in dit arrest zijn de volgende zinnen: the Court is satisfied that the interference with his freedom of expression did not aim at restricting his right under the Convention to criticise publicly the composition of the High Court in the 1981 tax case. Indeed, his right to voice his opinion on this issue was expressly recognised by the High Court in its judgment of 3 July
- Furthermore, the applicant's conviction cannot be considered even to have had the result of effectively limiting this right.<
(3)Op deze plaats past het aandacht te vragen voor de opmerkingen van M. Viering in zijn commentaar op art.10 EVRM in 'Theory and Practice of the European Convention on Human Rights' (1998, p.564), waar hij de zaken Kosiek, Glasenapp en Vogt bespreekt. De eerste twee zaken betroffen personen die vanwegen hun sympathieën voor extreme politieke partijen niet in aanmerking kwamen voor een overheidsbenoeming in het onderwijs, de zaak Vogt hield verband met een ontslag van een leerkracht die al als ambtenaar in het onderwijs voor onbepaalde tijd was aangesteld, maar vanwege haar activiteiten voor de Duitse communistische partij is ontslagen. In de laatste zaak nam het EHRM een schending aan van art.10 EVRM. De zaken Kosiek en Glasenapp (EHRM NJ 1987,943) onderscheidden zich van de zaak Vogt (EHRM NJ 1996,545) omdat in de eerste twee gevallen het recht op toegang tot overheidsdienst centraal stond, waarbij van belang was of de kandidaten voldeden aan alle persoonlijke kwalifikaties. In de zaak Glasenapp overwoog het EHRM: "
- It follows from the foregoing that access to the civil service lies at the heart of the issue submitted to the Court. In refusing Mrs. Glasenapp such access, the Land authority took account of her opinions and attitude merely in order to satisfy itself as to whether she possessed one of the necessary personal qualifications for the post in question." Daarom was er zelfs geen 'interference' met het in art.10 EVRM gewaarborgde recht. In de zaak Vogt was klaagster al lang werkzaam in het onderwijs, benoemd voor onbepaalde tijd, en waren haar politieke activiteiten bij haar benoeming bekend geweest. Dat zij geschorst en ontslagen werd omdat uiteindelijk haar werd verweten geen afstand te hebben genomen van het gedachtegoed van haar partij was wél een 'interference", die bovendien niet noodzakelijk was in een democratische samenleving. Viering schrijft over de zaak Vogt: "The Court held Article 10 to be applicable because `civil servants do not fall outside the scope of the Convention' but, nevertheless, stuck to its point of view in the Kosiek Case and Glasenapp Case by stressing that the Vogt Case did not concern the right to recruitment to the civil service. In our opinion, the Court should have followed the opinion of the Commission in the Kosiek Case and Glasenapp Case. Not the intended purpose of a certain regulation and its application, but their effects on the freedom of expression of the person concerned are decisive for the question whether Article 10 is applicable." Viering ontwaart dus een verschil tussen de opvatting van de Commissie en die van het Hof. Het Hof nam geen schending aan omdat het niet de bedoeling was de vrijheid van meningsuiting van mevrouw Glasenapp te beknotten, maar om te bezien of zij in aanmerking kwam voor een vast dienstverband. De Commissie ging ervan uit dat er wél een schending was omdat een vast dienstverband alleen mogelijk was als zij afstand zou nemen van haar uitlatingen. > Het Hof nam geEen schending van art.10 EVRM werd niet aangenomen; - EHRM 26 november 1991, NJ 1992,457 (Guardian); publikatieverbod van delen uit een boek over de Britse geheime Dienst was na een bepaalde datum - waarop het boek Spycatcher in de VS was verschenen - een schending van art.10 EVRM; - EHRM 20 september 1994, NJ 1995,366 (Otto-Preminger-Institut); een film, waarvan de inhoud kwetsend was voor religieuze gevoelens, was inbeslaggenomen en vernietigd. Het EHRM nam geen schending aan van art.10 EVRM. - EHRM 9 februari 1995, NJCM Bulletin 1995, p.480 e.v. (Bluf!); de onttrekking aan het verkeer van een aantal exemplaren van het blad Bluf! was niet noodzakelijk in een democratische samenleving, omdat de preventieve pretentie van die maatregel door de herduk en verspreiding van het nummer ná de inbeslagneming in rook was opgegaanlost; - EHRM 25 november 1996, NJ 1998,359 (Wingrove); een verspreidingsverbod voor een videofilm vanwege het blasfemisch/ pornografisch karakter ervan leverde geen schending van art.10 EVRM op; - EHRM 24 februari 1997, NJ 1998,360 (De Haes/Gijsels); een journalist en de redacteur van het blad Humo waren in een civiel geding veroordeeld wegens onrechtmatige daad. Zij hadden ongezouten kritiek op rechters en een A-G vanwege de beslissingen die dezen hadden genomen. Gelet op het belang dat de veroordeelden wilden dienen was de veroordeling niet noodzakelijk. De tweede groep, waarin de bronbescherming het centrale thema is, wordt gevuld doorBijzondere aandacht verdient in dit verband de zaak Goodwin (EHRM 27 maart 1996, NJ 1996,577). In die zaak wilde de journalist Goodwin een publikatie wijden aan de situatie bij het bedrijf Tetra, dat juist in onderhandeling was met het oog op de sanering van de labiele financiële situatie van het bedrijf. Goodwin had van een bron informatie verkregen over het bedrijfsplan van Tetra en had bij Tetra om bevestiging gevraagd. Tóoen bleek, dat de informatie afkomstig was uit vertrouwelijke stukken waarvan een exemplaar was ontvreemd. Tetra vroeg en kreeg een verbod op publikatie, maar en wilde ook dat Goodwin zijn bron bekend zou maken. Goodwin weigerde en werd veroordeeld. Het EHRM overwoog: Protection of journalistic sources is one of the basic conditions for press freedom, as is reflected in the laws and the professional codes of conduct in a number of Contracting States and is affirmed in several international instruments on journalistic freedoms (see, amongst others, the Resolution on Journalistic Freedoms and Human Rights, adopted at the 4th European Ministerial Conference on Mass Media Policy (Prague, 7-8 December 1994) and Resolution on the Confidentiality of Journalists' Sources by the European Parliament, 18 January 1994, Official Journal of the European Communities No. C 44/34). Without such protection, sources may be deterred from assisting the press in informing the public on matters of public interest. As a result the vital public-watchdog role of the press may be undermined and the ability of the press to provide accurate and reliable information may be adversely affected. Having regard to the importance of the protection of journalistic sources for press freedom in a democratic society and the potentially chilling effect an order of source disclosure has on the exercise of that freedom, such a measure cannot be compatible with Article 10 of the Convention unless it is justified by an overriding requirement in the public interest. Het EHRM stelde vervolgens dat bekendmaking van de vertrouwelijke gegevens via de pers door het publikatieverbod voldoende werd voorkomen. Het belang van Tetra bij onthulling van de identiteit van de bron bestond er verder in dat aldus Tetra stappen kon ondernemen om direkte bekendmaking - dus niet via de pers - door die bron van de gegevens te voorkomen, maatregelen kon nemen tegen ontrouw personeel en eventueel de bron aansprakelijk kon stellen. Maar dit bijkomend belang was volgens het EHRM onvoldoende om de weegschaal ten nadele van "the interest of democratic society in securing a free press" te doen doorslaan en, "to outweigh the vital public interest in the protection of the applicant journalist's source." was sprake van een onevenredig middel en het bevel de identiteit van de bron te onthullen was niet noodzakelijk in een democratische samenleving. In HR NJ 1996,578 volgde de Hoge Raad het door het EHRM uitgezette spoor, in een zaak waarin van twee journalisten van "De Limburger" in een voorlopig getuigeverhoor onthulling van de identiteit van hun bronnen werd verlangd. Het arrest is voorafgegaan door een rijk gedocumenteerde conclusie van A-G Koopmans. De Hoge Raad overwoog: 3.
- Voormeld arrest brengt mee dat moet worden aanvaard dat uit het eerste lid van art. 10 EVRM voor een journalist in beginsel het recht voortvloeit zich te verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag indien hij daardoor het bekend worden van zijn bron zou riskeren, maar dat de rechter een beroep op dit recht niet behoeft te honoreren wanneer hij van oordeel is dat in de bijzondere om standigheden van het gegeven geval openbaring van die bron in een democratische samenleving noodzakelijk is met het oog op een of meer van de in het tweede lid van voormelde verdragsbepaling bedoelde, door degene die de journalist als getuige doet horen, te stellen en, zonodig, aannemelijk te maken belangen. In zijn noot schrijft Dommering:
- Geldt dit nu ook voor de informatiedragers waarvan de pers zich bedient (films, geluidstapes, videobanden)? Het komt regelmatig voor dat justitie banden in beslag neemt naar aanleiding van uit de hand gelopen demonstraties om bewijs tegen relschoppers te vergaren. Naar mijn mening geldt hier eenzelfde belangenafweging als bij de geheimhouding van de bron. Het werk van de pers wordt ernstig bemoeilijkt als de informatiedragers waar zij zich bij de nieuwsgaring van bedient, als regel in plaats van bij uitzondering, moeten worden ingeleverd. Jjournalisten zullen dan immers geweerd worden bij manifestaties. Deze gedachten worden door de annotator verder niet uitgewerkt en stuiten op het bezwaar dat ik eerder ontvouwde.<
(4)Ook Korthals Altes komt naar mijn mening wel erg gemakkelijk tot de slotsom dat ook hier een journalistiek privilege moet gelden, p.
- > Mij is overigens geen rechtspraak van het EHRM bekend waarin de door de annotator aangesneden vraag is beantwoord. Tenslotte vraag ik de aandacht voor de opmerkingen van M. Viering in zijn commentaar op art.10 EVRM in Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, waar hij de zaken Kosiek, Glasenapp en Vogt bespreekt. De eerste twee zaken betroffen personen die vanwegen hun sympathieën voor extreme politieke partijen niet in aanmerking kwamen voor een overheidsbenoeming in het onderwijs, de zaak Vogt hield verband met een ontslag van een leerkracht die al als ambtenaar in het onderwijs voor onbepaalde tijd was aangesteld, maar vanwege haar activiteiten voor de Duitse communistische partij is ontslagen. In de laatste zaak nam het EHRM een schending aan van art.10 EVRM. De zaken Kosiek en Glasenapp onderscheidden zich van de zaak Vogt omdat in de eerste twee gevallen het recht op toegang tot overheidsdienst centraal stond, waarbij van belang was of de kandidaten voldeden aan alle persoonlijke kwalifikaties. In de zaak Glasenapp overwoog het EHRM:
- It follows from the foregoing that access to the civil service lies at the heart of the issue submitted to the Court. In refusing Mrs. Glasenapp such access, the Land authority took account of her opinions and attitude merely in order to satisfy itself as to whether she possessed one of the necessary personal qualifications for the post in question.<
(5)EHRM NJ 1987,943. > Daarom was er zelfs geen 'interference' met het in art.10 EVRM gewaarborgde recht. In de zaak Vogt was klaagster al lang werkzaam in het onderwijs, benoemd voor onbepaalde tijd, en waren haar politieke activiteiten bij haar benoeming bekend geweest. Dat zij geschorst en ontslagen werd omdat uiteindelijk haar werd verweten geen afstand te hebben genomen van het gedachtegoed van haar partij was wél een 'interference", die bovendien niet noodzakelijk was in een democratische samenleving.<
(6)EHRM NJ 1996,
- > Viering schrijft over de zaak Vogt: The Court held Article 10 to be applicable because `civil servants do not fall outside the scope of the Convention' but, nevertheless, stuck to its point of view in the Kosiek Case and Glasenapp Case by stressing that the Vogt Case did not concern the right to recruitment to the civil service. In our opinion, the Court should have followed the opinion of the Commission in the Kosiek Case and Glasenapp Case. Not the intended purpose of a certain regulation and its application, but their effects on the freedom of expression of the person concerned are decisive for the question whether Article 10 is applicable.
- Dat het woord 'verschoningsrecht' in verband met de bronbescherming regelmatig valt is niet verwonderlijk. Ook de geciteerde overwegingen van het EHRM in de zaak Goodwin doen denken aan een soort verschoningsrecht. Bronnen met belangrijke informatie zouden er voor terug kunnen deinzen hun informatie met het oog op bekendmaking ervan aan de pers door te spelen als de journalist gedwongen zou zijn te zijner tijd de identiteit van de informant prijs te geven. Het professionele verschoningsrecht berust eveneens op de wens dat de hulpbehoevende burger niet ervan wordt weerhouden zich tot de hulpverlener te wenden door de vrees dat wellicht de hulpverlener kan worden gedwongen het hem toevertrouwde te openbaren.<
(7)Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 2e druk, p.130; HR NJ 1991,124; HR NJ 1994,
- > De professionele hulpverlener zou zijn taak niet naar behoren kunnen uitoefenen als het risico van openbaarmaking niet is geëlimineerd. Evenmin kan de journalist zijn "vital public-watchdog role" vervullen als informanten zouden droogvallen uit vrees voor onthulling van hun identiteit. Maar het verschoningsrecht is wat anders dan inbeslagneming van beeldmateriaal. In het geval waarin de journalist een verschoningsrecht toekomt ter bronbescherming, zal doorgaans de bron anonimiteit hebben bedongen uit angst voor repercussies. Het is - voorzover mij bekend - nog niet voorgekomen dat raddraaiers en relschoppers onherkenbaarheid hebben bedongen alvorens de pers te hebben toegestaan opnamen van de rellen te maken. Maar dat is wat anders dan het gevaar dat voor journalisten dreigt uit hoofde van hun beroepsactiviteiten. 7.
- In Duitsland en Frankrijk is inmiddels wetgeving van kracht die is toegesneden op inbeslagneming van journalistiek materiaal en waarin een link met het journalistiek verschoningsrecht wordt gelegd. In een uitspraak van 1 oktober 1987 heeft het Bundesverfassungs- gericht zich uitgesproken over de rechtmatigheid van de inbeslagneming van beeldmateriaal.<
(8)BVerfG 1 oktober 1987, BVerfGE 77,
- Zie ook al eerder BVerfG 4 maart 1981, NJW 1981, Heft 18, p.
- De laatste uitspraak is ook besproken door Korthals Altes, p.199 e.v. > De persvrijheid in Duitsland is gewaarborgd in art.5 Grundgesetz:
(1)Jeder hat das Recht, seine Meinung in Wort, Schrift und Bild frei zu äußern und zu verbreiten und sich aus allgemein zugänglichen Quellen ungehindert zu unterrichten. Die Pressefreiheit und die Freiheit der Berichterstattung durch Rundfunk und Film werden gewährleistet. Eine Zensur findet nicht statt.
(2)Diese Rechte finden ihre Schranken in den Vorschriften der allgemeinen Gesetze, den gesetzlichen Bestimmungen zum Schutze der Jugend und in dem Recht der persönlichen Ehre.
(3)Kunst und Wissenschaft, Forschung und Lehre sind frei. Die Freiheit der Lehre entbindet nicht von der Treue zur Verfassung.<
(9)Omdat in Duitsland art.5 GG geacht wordt betere waarborgen aan de pers te bieden dan art.10 EVRM doet, staat art.10 EVRM daar in de schaduw van de nationale wetgeving. Aldus Bullinger, in Löffler, Presserecht, München 1997, Anm.29 bij § 1. > In de strafwetgeving zijn voorzieningen getroffen die aan de vrijheid van de pers gestalte geven. Zo zijn in de Strafprozessordnung speciale bepalingen te vinden ter bescherming van de pers. In § 53 StPO is te lezen:
(1)Zur Verweigerung des Zeugnisses sind ferner berechtigt () 5. Personen, die bei der Vorbereitung, Herstellung oder Verbreitung von periodischen Druckwerken oder Rundfunksendungen berufsmäßig mitwirken oder mitgewirkt haben, über die Person des Verfassers, Einsenders oder Gewährsmanns von Beiträgen und Unterlagen sowie über die ihnen im Hinblick auf ihre Tätigkeit gemachten Mitteilungen, soweit es sich um Beiträge, Unterlagen und Mitteilungen für den redaktionellen Teil handelt. In § 97 StPO is een vijfde lid opgenomen waarin naar § 53 StPO wordt verwezen: Soweit das Zeugnisverweigerungsrecht der in § 53 Abs. 1 Nr. 5 genannten Personen reicht, ist die Beschlagnahme von Schriftstücken, Ton-, Bild- und Datenträgern, Abbildungen und anderen Darstellungen, die sich im Gewahrsam dieser Personen oder der Redaktion, des Verlages, der Druckerei oder der Rundfunkanstalt befinden, unzulässig. Absatz 2 Satz 3 gilt entsprechend. Het verschoningsrecht van de journalist als getuige zou inderdaad zinloos zijn als niet tevens bescherming werd geboden aan het materiaal dat het antwoord bevat dat de journalist als getuige in de rechtszaal niet wil geven.<
(10)Achenbach in Löffler, Presserecht, Anm.4 bij § 23; idem dr. Jörg Soehring, Presserecht, Stuttgart 1995, 8.24 e.v.; BVerfG 5 augustus 1966, BVerfGE 20, 188/
- > 5.
- De regeling van het verschoningsrecht ('Zeugnisverweigerungs- recht') is in Duitsland nauwelijks omstreden. Wél is er telkens beroering als justitie de hand tracht te leggen niet op toevertrouwd materiaal, maar op het "selbstrecherchierten Material".<
(11)Zie de gevallen genoemd door Achenbach, in Löffler, Presserecht, Anm.23 bij § 23. > In een uitspraak van 1 oktober 1987 heeft het Bundesverfassungsgericht (BVerfG) zich uitgesproken over de rechtmatigheid van de inbeslagneming van dergelijk beeldmateriaal.<
(12)BVerfG 1 oktober 1987, BVerfGE 77,
- Zie ook al eerder BVerfG 4 maart 1981, NJW 1981, Heft 18, p.
- De laatste uitspraak is ook besproken door Korthals Altes, p.199 e.v. > Het oordeel van het Bundesverfassungsgericht BVerfG betrof een zaak waarin televisieopnamen waren gemaakt van ernstige rellen. Het openbaar ministerie wilde de beschikking krijgen over kopieën van dat beeldmateriaal. De zendgemachtigde ZDF wilde enkel kopieën ter beschikking stellen van reeds uitgezonden materiaal. Onder dreiging van een huiszoeking ging hij echter overstag. Voor het BVerfG werd het volgende bezwaar tegen de inbeslagneming geformuleerd: Wenn selbstrecherchiertes Filmmaterial über Demonstrationen dem Zugriff von Staatsanwaltschaft und Polizei unbeschränkt zugänglich wäre, würden die Kameraleute und Fotografen in die Rolle von Hilfsorganen der Strafverfolgungsbehörden gedrängt. Militante Demonstrationsteilnehmer könnten möglicherweise gewaltsam gegen die Mitarbeiter von Presse und Rundfunk vorgehen, um Aufnahmen zu verhindern. Damit würde die Berichterstattung der Medien erheblich erschwert. De politie is ook, aldus de grief, in staat zélf beeldmateriaal te vervaardigen omdat deze rellen in het openbaar plaatsvinden. Het BVerfG sloot zich niet bij deze bezwaren aan. Het overwoogeegt wel hoe belangrijk het is als de vertrouwelijkheid tussen journalist en informant wordt gewaarborgd en benadrukte aldusroept aldus een associatiede verwantschap op met het professionele verschoningsrecht: Das Verhältnis der Vertraulichkeit zwischen dem Rundfunk und seinen Informanten ist grundsätzlich zu respektieren, da dieses Medium auf private Mitteilungen nicht verzichten kann, diese unentbehrliche Informationsquelle aber nur dann ergiebig fließt, wenn sich der Informant auf die Wahrung der Vertraulichkeit verlassen darf ().<
(13)p.74/75. Deze link wordt ook door anderen gelegd. Ik citeer Hans-Christian Ströbele die als referent optrad voor de "Arbeitsgemeinschaft 10, Schutz der Presse vor dem Staat" (Das Recht der Informationsgesellschaft - Datenschutz und neue Medien, congres van Bundesarbeitskreis Kritischer Juragruppen, gehouden te Keulen van 7 tot en met 9 juni 1998): "Die Presse wird allgemein, und speziell auch vom BVerfG als "vierte Gewalt" bezeichnet. Sie ist als öffentliches Informations- und Kontrollorgan Grundlage für ein demokratisches Gemeinwesen. Sie ist ein Wesenselement des freiheitlich organisierten Staates. Für die Erfüllung dieser grundlegenden demokratischen Funktion ist es notwendig, daß die Presse an umfassende Informationen gelangt. Das gelingt der Presse jedoch nur, wenn sie ihre Informantionen vertraulich behandelt. Die Situation ist vergleichbar mit der des Pfarrers, dem sich der Beichtende auch nur anvertraut, weil er sich der vertraulichen Behandlung seiner Beichte sicher sein kann." (http://www.uni- koeln.de/studenten/akj/kongress/index.htm) > Maar het BVerfG wees er ook op dat bij de totstandkoming van de §§ paragrafen 53 en 97 StPO uitdrukkelijk de vraag aan de orde is gesteld of door journalisten opgemaakt beeldmateriaal ook niet van inbeslagneming uitgezonderd moest zijn. De wetgever heeft daar niet aan gewild.<
(14)p.73/74. > Wat betreft het door journalisten te lopen risico merkt het BVerfG op: Die hier möglicherweise auftretenden Hindernisse für die Medien sind nicht dem Staat, sondern dem von der Recherche Betroffenen zuzurechnen. Es handelt sich überdies um Probleme, die typischerweise mit der journalistischen Tätigkeit verbunden sind und die sich auch durch eine Erweiterung des strafprozessualen Beschlagnahmeverbots nicht umfassend lösen ließen. Die Kontrollfunktion von Presse und Rundfunk bezieht sich in weiten Bereichen auf Mißstände, an deren wahrheitsgemäßer Darstellung die Betroffenen naturgemäß kein Interesse zeigen. Es ist deshalb nicht ungewöhnlich, wenn den Angehörigen des Rundfunks beim Zugang zum Objekt der Recherche Schwierigkeiten bereitet werden oder wenn dieser gar verweigert wird. Ob und in welchem Umfang eine solche Haltung des Betroffenen dadurch mitbestimmt wird, daß die Strafverfolgungsbehörden grundsätzlich Zugriff auf das recherchierte Material nehmen können, läßt sich nicht abschätzen. Da die Recherchen der Medien, Filmaufnahmen eingeschlossen, nicht um ihrer selbst willen vorgenommen werden, wird der Betroffene ohnehin mit einer entsprechenden Veröffentlichung rechnen müssen, die heute von nahezu jedermann aufgezeichnet werden kann und selbstverständlich auch den staatlichen Zugriff auf das publizierte Material und dessen Auswertung ermöglicht.<
(15)p.80. > Voorts wijst het BVerfG op het belang dat ook een verdachte kan hebben bij kennisneming van wellicht ontlastende registraties.<
(16)p.77. > Ook kan het door de pers vervaardigde beeldmateriaal van belang zijn om door de politie gepleegde onregelmatigheden te ontdekken en te analyseren.<
(17)p.79. > Niet kan volgens het BVerfG gesteld worden dat de politie maar op voorhand bij iedere demonstratie zelf opnamen moet maken voor het geval die demonstratie uit de hand gaat lopen.<
(18)p.77/78. > Achenbach meldt dat er sindsdien verschillende initiatieven zijn genomen om ook het "selbstrecherchierten Material" onder het verschoningsrecht te brengen, maar deze hebben nog niet tot resultaat geleid.<
(19)Achenbach in Löffler, Presserecht, Anm.24 bij §23. > Het BVerfG brengt overigens - in een eerdere beslissing - een zekere tempering aan door het overheidsoptreden jegens de pers aan de normale rechtsstatelijke beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid te toetsen, waarbij het belang van een adequate informatievoorziening aan het publiek gewicht in de schaal legt: Schließlich hat das LG bei seiner Entscheidung auch berücksichtigt, daß selbst eine prinzipiell zulässige Beschlagnahme von Material, das die Presse zur Erfüllung des ihr obliegenden Auftrags erarbeitet hat und benötigt, die Presse in ihrer durch Art. 5 I 2 GG grundrechtlich geschützten Tätigkeit beeinträchtigt und daß daher jede solche Maßnahme sowie der mit ihr bezweckte Erfolg gegen ihre nachteiligen Auswirkungen auf die Pressefreiheit abgewogen und insbesondere auch am Maßstab des verfassungskräftigen Verhältnismäßigkeitsprinzips gemessen werden müssen (vgl. BVerfGE 20, 162 = NJW 1966, 1603). Seine Feststellung, daß der Verhältnismäßigkeitsgrundsatz hier nicht verletzt sei, weil es sich nicht nur um die Aufklärung von bloßen Baágatelldelikten, sondern von mehreren, teilweise besonders schweren Fällen des Landesfriedensbruchs handele und die Bf. andererseits durch die Durchsuchung und Beschlagnahme in ihrer Berichterstattung nicht gehindert werde sowie auch keinerlei wirtschaftliche Nachteile erleide, läßt keinen Verstoß gegen spezifisches Verfassungsrecht erkennen.<
(20)BVerfG 4 maart 1981, NJW 1981, Heft 18, p.
- In gelijke zin, zij het wat beknopter, liet het BVerfG zich uit in BVerfGE 77, 65 (82/83). Zie voorts de lofzang op de vrije pers in de Spiegelzaak, BVerfG 5 augustus 1966, BVerfGE 20,
- > Kortom, in Duitsland vindt een journalistiek verschoningsrecht wel erkenning, maar niet zodanig dat ook opnames die buiten iedere vertrouwensrelatie zijn gemaakt van inbeslagneming gevrijwaard zouden zijn. Wel wordt het overheidsoptreden jegens de pers extra tegen het licht van de rechtsstatelijke criteria gehouden. 5.
- In Frankrijk is bij wet van 4 januari 1993 in de Code de procédure pénale art.56-2 opgenomen: Les perquisitions dans les locaux d'une entreprise de presse ou de communication audiovisuelle ne peuvent être effectuées que par un magistrat qui veille à ce que les investigations conduites ne portent pas atteinte au libre exercice de la profession de journaliste et ne constituent pas un obstacle ou n'entraînent pas un retard injustifié à la diffusion de l'information. Art.56-2 is opgenomen na bepalingen die het verschoningsrecht van advocaten, medici en notarissen betreffen, en vertoont een grote gelijkenis met het verschoningsrecht van deze geheimhouders. In een circulaire van 1 maart 1993 is een toelichting op het nieuwe artikel te vinden. Volgens de circulaire beoogt art.56-2 een evenwicht te vinden tussen het belang van het onderzoek en de persvrijheid. Het optreden van de gerechtelijke autoriteiten mag geen obstakel vormen of vertraging opleveren voor de verspreiding van informatie. Vermeden moet daarom worden dat het inbeslagnemen van materiaal dat bewijs vormt van een delikt wordt gerealiseerd zonder dat een copie wordt achtergelaten. Art.56-2 CPP dient te worden gelezen tegen de achtergrond van art.109 CPP, dat betrekking heeft op de verplichting als getuige te verklaren. Het tweede lid kent een uitzonderingspositie toe aan de journalist: Tout journaliste, entendu comme témoin sur des informations recueillis dans l'exercice de son activité, est libre de ne pas en révéler l'origine. De twee bepalingen vullen elkaar aan. De journalist hoeft evenmin als de advocaat, de geestelijke of de notaris te verklaren over wat hem in die hoedanigheid is medegedeeld en inbeslagneming van materiaal dat de bronnen van de verkregen informatie aanwijst is ook uit den boze. Art.56-2 is weliswaar opgenomen na bepalingen die het verschoningsrecht van advocaten, medici en notarissen betreffen, maar is met deze andere bepalingen niet gelijk te stellen. De opnamen die door bijvoorbeeld een omroep zijn gemaakt mogen immers in beslag worden genomen, er mag kennis van worden genomen, mits een uitzending van dat materiaal niet wordt belemmerd of vertraagd en mits het beslag geen betrekking heeft op materiaal waaruit de identiteit van geheime bronnen is af te leiden. De rechtspraak heeft anderzijds het verschoningsrecht van de advocaat eveneens aldus ingevuld dat een huiszoeking bij bijvoorbeeld een advocaat moet plaatsvinden met respect voor zijn verschoningsrecht. Vandaar dat zo een huiszoeking steeds geschiedt in aanwezigheid van de deken van de Orde, opdat geheimhouding verzekerd zij.<
(21)Zie de arresten Gérin en Rochenoir, onder nr.14 in essentie weergegeven en besproken in Jean Pradel/André Varinard, Les grands arrêts du droit criminel, Tome 2, 1998, p.148 e.v. > Wel heeft de Franse wetgever in art.109 CPP aan de journalist het recht toegekend om, als getuige, te weigeren zijn bronnen te noemen. Een ander interessant punt dat in het Franse recht wordt opgeworpen is, of niet iedere publikatie op het iInternet als een publikatie in de zin van de perswetgeving is te beschouwen, te vergelijken met publikatie in een ander medium.<
(22)Zie Jean-Yves Dupeux in Droit de la presse, Recueil Dalloz 1998, 9e cahier Sommaires commentés, p.79, naar aanleiding van een beschikking van het TGI Paris van 30 april
- > De burger die een maatschappelijke misstand op het spoor komt en geen gehoor vindt bij de media kan zijn toevlucht zoeken op Internet om zijn ontdekkingen aan de grote klok te hangen. Maar het is niet waarschijnlijk dat deze burger van een verschoningsrecht kan profiteren omdat hij niet als 'journalist' is aan te merken in de betekenis die de circulaire van 1 maart 1993 daaraan geeft; degeen die professioneel journalist is en daarmee de kost verdient. Het belang dat de ene persoon zich tot de andere persoon wendt om die ander deelgenoot te maken van bepaalde ervaringen of misstanden staat natuurlijk ook in de schaduw van het grote goed van de vrije pers. Samenvattend; in het Franse recht ligt de nadruk evenals in het Duitse recht op het verschoningsrecht van de journalist en het belang van de bronbescherming. Inbeslagneming van vergaard beeldmateriaal is niet verboden, mits zij openbaarmaking niet belemmert of verhindert. 6.
- De situatie in het Nederlandse recht vertoont een grote gelijkenis met die in het Duitse en Franse recht. Eerder is al gememoreerd dat de Hoge Raad in navolging van het EHRM een verschoningsrecht aan de journalist heeft toegekend in een zaak waarin verzocht was om een voorlopig getuigeverhoor van twee journalisten.<
(23)HR NJ 1996,
- > Daarbij past een vrijwaring voor inbeslagneming van materiaal dat bronnen openbaart die de journalist juist wil beschermen. De Hoge Raad heeft in 1991 echter niet willen weten van een algeheel verbod tot inbeslagneming van in de openbare ruimte vergaard beeldmateriaal. Het betroffen opnamen van ernstige ongeregeldheden. De rechtbank had erkend dat de vrije nieuwsgaring in het geding was: De rechtbank onderkent het belang van klaagster bij een vrije nieuwsgaring, zoals door haar in haar klaagschrift omschreven en bij de behandeling in raadkamer uiteengezet, doch is van oordeel dat dit belang bij het belang van de strafvordering (het aan de dag brengen van deze misdrijven, die de nationale en internationale rechtsorde ernstig aantasten) ten achter gesteld moet worden. Over de afweging werd in cassatie geklaagd, maar de Hoge Raad verwierp het middel en overwoog daartoe: 9.
- De rechtbank heeft in haar hiervoren onder 4.2 weergegeven overweging onder "Beoordeling van de derde klacht" als haar oordeel tot uiting gebracht dat bij afweging in het onderhavige geval - hetwelk zich o.m. hierdoor kenmerkt dat veel van de gebeurtenissen vielen buiten het bereik van de optredende politiefotograaf, en dat er geen andere mogelijkheid meer was dan de inbeslagneming van de onderwerpelijke banden om de identiteit van de desbetreffende daders te achterhalen - het belang van RTL-V bij een vrije nieuwsgaring ten achter gesteld moet worden bij het belang van de strafvordering (het aan de dag brengen van misdrijven die de nationale en internationale rechtsorde ernstig aantasten (etc.). 9.
- Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk, en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Aldus lijkt de Hoge Raad een standpunt in te nemen dat gelijkenis vertoont met het standpunt van het BVerfG. 6.
- Ik wil nog nauwer bij de gedachten, door het BVerfG in BVerfGE 77, 65 ontwikkeld, aansluiten en de stelling verdedigen dat de inbeslagneming van gegevensdragers als videobanden, foto's etc., niet om publikatie te voorkomen, maar om strafbare feiten op te helderen geen 'interference' is als waarop art.10 lid 1 EVRM slaat, mits de mogelijkheid om het verzamelde materiaal te publiceren niet wordt aangetast. De rechtspraak van het EHRM over art.10 EVRM toont aan dat art.10 EVRM in het geding is als van overheidswege maatregelen worden genomen om publikatie te voorkomen, te bemoeilijken of te bestraffen. Daarnaast heeft de bronbescherming erkenning gevonden omdat anders verborgen zou kunnen blijven wat openbaar gemaakt dient te worden en waarover een publiek debat wenselijk gesmoord zou kunnen wordenis. Opdat gepubliceerd kan worden moet een gegeven geheim kunnen blijven. Als de journalist geen geheimhouding zou hebben beloofd zou hij de hand niet hebben kunnen leggen op de informatie waarvan het gewenst is dat het publiek ervan kennis neemt. De bronbescherming staat dus in direkt verband met de "freedom to receive and impart information". Wanneer overheidsoptreden voor derden aanleiding vormt het de pers moeilijk te maken is er niet van een doelbewuste inbreuk door de overheid op de vrije nieuwsgaring sprake. De hinder die de pers ondervindt zou kunnen ondervinden bij haar werkzaamheden is een niet beoogd en zelfs speculatief gevolg. Hetzelfde geldt voor de maximumsnelheid die ook voor de journalist van kracht is als hij snel bij een nieuwsfeit aanwrezig wil zijn. Overschrijding van de maximumsnelheid kan ook niet met een beroep op art.10 EVRM worden gerechtvaardigd. Erkenning van een journalistiek privilege, dat zich ook zou uitstrekken tot in de openbare ruimte verzameld beeldmateriaal zou ertoe leiden dat het recht van de journalist om gevrijwaard te blijven van strafvorderlijk overheidsingrijpen aanmerkelijk verder zou reiken dan dat van de arts, de advocaat, de geestelijke en de notaris. De arts die direkt waarneemt dat een patiënte door haar partner wordt mishandeld zal zich voor de rechter niet op een verschoningsrecht kunnen beroepen, indien hem wordt gevraagd wat hij heeft zien gebeuren en of hij een aanwezige verdachte herkent als degeen die de patiënte heeft mishandeld, ook al wordt door de verklaring van de arts zijn zorgmogelijkheid voor het slachtoffer er niet rooskleuriger op. Als een journalistiek privilege zich zou uitstrekken tot het materiaal dat in de openbare ruimte is vergaard zou er van een uitholling van dat privilege sprake zijn als van de journalist zou kunnen worden gevergd een verklaring af te leggen over wat of wie hij heeft waargenomen, ja zelfs over wat of wie hij heeft opgenomen. Evenals een verschoningsrecht jegens justitie enkel waterdicht kan zijn als inbeslagneming van verschoningsgevoelige bescheiden uitgesloten is, zou andersom vrijwaring van inbeslagneming van zulke bescheiden worden uitgehold als wel over de inhoud van die bescheiden zou moeten worden verklaard. Anders dan Korthals Altes<
(24)Naar een journalistiek privilege, p.263. > komt het mij voor dat een journalistiek privilege incompleet is als het zich niet zou uitstrekken tot de getuigplicht. Anders dan de arts in het zojuist gegeven voorbeeld zal de journalist zich dus wél moeten kunnen verschonen van het beantwoorden van vragen over zijn waarnemingen, als zijn geregistreerde waarnemingen uit handen van justitie moeten blijven om te voorkomen dat het werken voor de journalist moeilijker wordt gemaakt. En dan is er, zoals gezegd, een kloof geslagen met de andere verschoningsgerechtigden die niet te verdedigen is. Die hinder is onvoldoende om een journalistiek privilege te rechtvaardigen.<
(25)Anders Korthals Altes, p.
- > 6.
- De rechtbank heeft daarom naar mijn mening een verkeerd uitgangspunt gehanteerdnomen. Er zijn geen feiten of omstandigheden vastgesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat door de inbeslagnemingen het recht van art.10 EVRM zou zijn geschonden. Dat door overheidsoptreden reacties van anderen denkbaar zijn die nadelig zijn voor de uitoefening van journalistieke werkzaamheden is vormt niet zo een aantasting. Het belang der vrije nieuwsgaring, begrepen als onderdeel van art.10 EVRM, is evenmin in het geding als wanneer aan een journalist de toegang tot een besloten familiebijeenkomst wordt ontzegd. Door het belang van vrije nieuwsgaring toch in de afweging te betrekken heeft de rechtbank een verkeerde interpretatie gegeven aan art.10 EVRM en een schending van art.10 EVRM aangenomen waar die niet bestond. Dat neemt niet weg dat het ingrijpen van justitie aan toetsing onderhevig is, maar dan niet in het kader van art.10 EVRM. 7.
- Dit alles gezegd zijnde kom ik toe aan de bespreking van de cassatiemiddelen. Het middel van de officier, dat zich beperkt tot de beslissing van de rechtbank voorzover daarbij het beklag gegrond is verklaard, stelt dat de rechtbank is uitgegaan van een verkeerd begrip van het recht van vrije nieuwsgaring. Dat recht houdt de vrijheid in om nieuws te vergaren en door te geven zonder belemmering door de overheid. Als het opvragen van beeldmateriaal kan leiden tot represailles en dreigementen jegens journalisten, cameramensen, fotografen, waardoor dezen in hun werkzaamheden worden belemmerd, dan is deze hindernis, aldus de officier, niet door de overheid opgeworpen. Die inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring wordt niet gepleegd door de overheid en daarom kan de rechter ook niet toekomen aan een afweging als bedoeld in het tweede lid van art.10 EVRM. Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat ik de conclusie van de officier deel. De rechtbank had art.10 EVRM niet in haar motivering mogen betrekken, tenzij de rechtbank zou hebben vastgesteld dat door het ingrijpen van de overheid de publikatie van opgenomen materiaal is vertraagd of verhinderd. Pas dan zou de rechtbank kunnen zijn toegekomen aan een afweging van het belang bij vrije nieuwsgaring tegen het belang van strafvordering. Maar zo een constatering is in de beschikking niet te lezen. 7.2.
- Maar wellicht bieden de vaststellingen van de rechtbank aanknopingspunten voor de stelling dat het bevel tot uitlevering onder de omstandigheden van het geval met beginselen van een goede procesorde in conflict komt omdat het bevel niet noodzakelijk of evenredig was. Ieder overheidsingrijpen dient immers aan bepaalde eisen te voldoen.<
(26)Vgl. HR NJ 1979,
- > 7.2.
- De rechtbank heeft de gegrondverklaring als volgt gemotiveerd: Met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie nagenoeg geen ander bewijsmateriaal ten aanzien van op 14 en 20 december 1998 gepleegde strafbare feiten heeft, dan hetgeen mogelijkerwijs op de inbeslaggenomen videobanden en foto's kan worden waargenomen. Ten aanzien van de ongeregeldheden op 14 december 1998 is de rechtbank echter van oordeel dat, gelet op het proportionaliteitsbeginsel, het belang van strafvordering achter dient te blijven bij het belang van een vrije nieuwsgaring. Weliswaar is uit de hiervoor onder 2a. genoemde nota van de politie duidelijk geworden dat er sprake was van een ernstige situatie, waarbij enkele politieambtenaren gewond zijn geraakt, doch niet is gebleken dat op die datum zodanig emstige misdrijven zijn gepleegd, die rechtvaardigen dat joumalistiek materiaal in beslag is genomen.Ten aanzien van de inbeslaggenomen videobanden en foto's met betrekking tot de ongeregeldheden op 14 december 1998 dient het klaagschrift dan ook gegrond te worden verklaard. 7.2.
- Eerder in haar beschikking heeft de rechtbank de gebeurtenissen op 14 december als volgt beschreven: Op 14 december 1998 vonden ongeregeldheden plaats in de buurt van de Balistraat te Amsterdam naar aanleiding van het feit dat er twee jongens waren aangehouden op verdenking van het plegen van een poging tot diefstal van, dan wel uit een auto. Uit de door de politie hiervan op 29 december 1998 opgemaakte nota blijkt dat een deel van de omstreeks 250 omstanders, weten ongeveer 25 personen, naar aanleiding van deze aanhouding politieambtenaren en medewerkers van de Dienst Stadstoezicht met geweld heeft aangevallen. Tengevolge van dit geweld zijn vier politieambtenaren gewond geraakt. Ik maak uit deze omschrijving op dat er geweldsdelikten zijn gepleegd tegen politieambtenaren en medewerkers van de Dienst Stadstoezicht, die zouden kunnen varieren van openlijke geweldpleging en wederspannigheid tot misschien poging tot zware mishandeling of zelfs poging tot doodslag. Uit de omschrijving der feiten valt niet op te maken dat het enkel zou zijn gegaan om wat duw- en trekwerk, maar wel dat het een massaal en gewelddadig verzet betrof tegen de overheid naar aanleiding van de aanhouding van twee verdachten. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de inbeslagneming klaarblijkelijk niet het gevolg is geweest van een huiszoeking op redactieruimten van journalisten of omroepen, maar is voorafgegaan door een bevel tot uitlevering. Bij een huiszoeking op de burelen van de journalist bestaat het gevaar dat de blik ook valt op materiaal dat wél onder de bronbescherming valt.<
(27)Achenbach in Löffler, Presserecht, Anm.61b bij §
- > Vandaar dat een huiszoeking ten burele een zwaardere belasting is dan een bevel tot uitlevering. 7.2.
- Uit de vaststellingen van de rechtbank valt niet op te maken dat en waarom het optreden van justitie een schending van beginselen van een goede procesorde zou inhouden. De enkele constatering, dat niet is gebleken dat zodanig ernstige misdrijven zijn gepleegd dat inbeslagneming van journalistiek materiaal gerechtvaardigd zou zijn, dient te worden bezien tegen de achtergrond van de belangen die de rechtbank in haar afwegingen heeft betrokken. De rechtbank heeft, zoals gezegd, naar mijn mening ten onrechte acht geslagen op het belang van de vrije nieuwsgaring als gewaarborgd in art.10 EVRM. Als dat belang niet meespeelt en alleen aan de "gewone" beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en adequatie wordt getoetst valt mijns inziens niet in te zien hoe en waarom de vaststellingen van de rechtbank tot de slotsom zouden moeten leiden dat het bevel tot uitlevering en de inbeslagneming ongeoorloofd zou zijn geweest. Het middel is gegrond.
- Inzake de cassatiemiddelen door verzoekster voorgesteld zal het duidelijk zijn dat zij, voorzover zij ervan uitgaan dat het recht op vrije nieuwsgaring is geschonden en dat deze schending niet is gerechtvaardigd, een stelling als vertrekpunt nemen die ik niet deel. Ook in mijn opvatting zal het overheidsoptreden getoetst moeten worden aan beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en adequatie, maar deze toetsing torst niet de last van een meewegend art.10 EVRM. Voorzover de voorgestelde middelen inhouden dat de rechtbank onvoldoende recht heeft gedaan aan het belang dat het EVRM hecht aan de vrije nieuwsgaring zal mijn bespreking kort kunnen zijn. 9.
- Het eerste middel van verzoekster klaagt dat de toetsing door de rechtbank aan het subsidiariteitsbeginsel ontoereikend en onjuist is geweest en dat aldus onder meer art.10 EVRM is geschonden. Ten onrechte zou de rechtbank hebben overwogen dat aan de subsidiariteitseis is voldaan omdat het openbaar ministerie geen ander bewijsmateriaal hééft. Het gaat er niet om of het openbaar ministerie ten tijde van de beoordeling door de rechtbank geen ander materiaal heeft, maar of het bevel tot uitlevering en de inbeslagneming indertijd nodig waren. Voorts zou de overweging van de rechtbank voorbij gaan aan de mogelijkheid op andere wijze dan door inbeslagneming van beeldmateriaal aan bewijs te komen. 9.
- Voorzover het middel het optreden van de politie op 14 december 1998 in zijn beschouwingen betrekt ontbeert het belang, omdat de rechtbank het beklag in zoverre immers gegrond heeft verklaard. 9.
- Voorzover het middel bedoelt te zeggen dat er voldoende ander materiaal moet zijn waarop het openbaar ministerie en de politie kunnen afgaan staat het haaks op de overweging van de rechtbank dat het openbaar ministerie nagenoeg geen ander bewijsmateriaal ten aanzien van op 20 december 1998 gepleegde strafbare feiten heeft, dan hetgeen mogelijkerwijs op de inbeslaggenomen videobanden en foto's kan worden waargenomen. Daarbij heeft de rechtbank natuurlijk gedoeld op de situatie waarin het bevel tot uitlevering is gedaan. Ik kan niet zeggen dat dat oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is. De steller van het middel wijst er wel op dat de hoeveelheid potentiële getuigen bijna onuitputtelijk is, maar de rechtbank is er wellicht van uitgegaan dat het erg veel moeite zal kosten betrouwbare verklaringen van getuigen te verkrijgen. Dat laat zich wel zeggen, gelet op de hoeveelheid mensen die aan de tocht deelnam en de anonimiteit van de mogelijke getuigen. Voorts leert de ervaring dat beeldmateriaal zoals videopnamen dikwijls een betrouwbaarder beeld geeft van de gebeurtenissen - geen wonder dat de advocatuur er zich terecht zo sterk voor maakt om verhoren van verdachten en getuigen op videoband op te nemen - dan verklaringen van getuigen over een hectische en, naar ik aanneem, verwarrende situatie. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat er aanhoudingen zijn verricht, dus de stelling dat bewijs kan worden geput uit de verklaringen van verdachten mist feitelijke grondslag. Wél heeft de rechtbank vastgesteld dat politieambtenaar A.H.J. Barten door stenen op zijn rug is geraakt en dat politieambtenaar Ferron met stenen is begooid terwijl zij op de grond lag. Ik kan mij niet voorstellen dat déze ambtenaren voldoende gegevens zullen kunnen verschaffen om degenen die tegen hen geweld hebben gebruikt te kunnen ontmaskeren. Dat andere politieambtenaren voldoende duidelijke waarnemingen hebben kunnen doen blijkt nergens uit. Eén herkenning van iemand in een hesje zegt mij eerlijk gezegd niet zoveel. 9.
- Het verwijt dat uit gemakzucht maar gegrepen is naar de journalistieke informatie ziet volgens mij over het hoofd dat, wanneer art.10 EVRM zoals hier geen rol speelt, inbeslagneming van beeldmateriaal in gevallen als deze juist de minst kostbare en derden belastende wijze van bewijs verzamelen is die men zich kan indenken. Ik wil niet bepleiten dat zodra er beeldopnames blijken te bestaan van strafbare feiten altijd inbeslagneming zal kunnen volgen en andere opsporingsactiviteiten kunnen uitblijven. De pers mag niet structureel een Fundgrube worden van bewijsmateriaal omdat dan de onafhankelijkheid van de pers al te zeer onder druk zou komen te staan. Als steeds wanneer camera's door de pers worden ingezet de politie, zogauw strafbare feiten zijn gepleegd, de opnames in beslag zou nemen zou dat een druk kunnen leggen op de pers. Het geeft immers altijd minstens rompslomp en scheve gezichten. Wellicht dreigt dan inderdaad het risico dat de pers door burgers geweerd gaat worden of dat de komst van de pers ertoe leidt dat de relschoppers ophouden. Het eerste is minder verkieslijk dan het tweede. De pers mag geen instrument worden van de politie en van justitie in die zin, dat de pers op uitnodiging van de politie verschijnt en aldus bewijsmateriaal verzamelt waarvan vervolgens de autoriteiten dankbaar gebruik maken; terwijl wellicht elders de pers door de autoriteiten overal buiten zal worden gehouden omdat publikatie van gebeurtenissen hun onwelgevallig is. Maar in een situatie zoals door de rechtbank in haar beschikking is geschetst, van een grootschalig oproer, waarbij politieambtenaren door stenen gewond raken en waarbij feiten als poging tot zware mishandeling volgens de rechtbank zijn gepleegd, leert de ervaring dat bewijsverzameling een moeilijke, arbeidsintensieve en kostbare zaak is. Dat dán het beschikbaar zijn van beeldmateriaal een uitkomst is valt niet te ontkennen. 9.
- Over de in de inhoud van de in de toelichting op het middel gereleveerde "Nota Aanvraag Bevel Uitlevering Stukken" van 22 december 1998 heeft de rechtbank feitelijk niet meer vastgesteld dan uit de beschikking kan blijken, en dat is volgens mij niets. De rechtbank verwijst enkel kort naar de inhoud van een andere nota van 29 december
- Vermoedens die te maken hebben met de Nota van 22 december 1998 baseren zich dus niet op feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld. De rechbank heeft feitelijk vastgesteld dat zonder het beeldmateriaal ernstige delikten onbestraft zouden blijven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor een verdere toetsing in cassatie. Het eerste middel faalt. 10.
- Het tweede middel maakt bezwaar tegen de evenredigheidstoetsing zoals door de rechtbank uitgevoerd. De rechtbank zou over het hoofd hebben gezien dat het materiaal dat de rechtbank zelf in ogenschouw neemt bij die toetsing, op het moment van het bevel tot uitlevering nog niet bestond. 10.
- Dit bezwaar kan ik niet delen. De rechtbank heeft de gebeurtenissen van 20 december 1998 geschetst in haar beschikking en heeft klaarblijkelijk de aangevochten verklaringen gebezigd als bevestiging van wat uit andere bron reeds op het moment dat het bevel tot uitlevering werd gegeven bekend was. Te denken is aan de uitzendingen van de omroepen, de berichten in de kranten, wellicht ook aan rapportage door de politie, zoals in het op 22 december 1998 door G.J. Smit, hoofdinspecteur van politie opgemaakte proces- verbaal inhoudende zijn bevindingen op 20 december 1998, of het proces-verbaal van 21 december 1998 van A.G. Lockx, inspecteur van politie. 10.
- Voorts klaagt het middel volgens de toelichting over het feit dat de rechtbank van oordeel bleek dat aan eisen van evenredigheid was voldaan omdat er verdenking was van het plegen van poging tot zware mishandeling, terwijl het openbaar ministerie slechts een gerechtelijk vooronderzoek had gevorderd op verdenking van openlijke geweldpleging. En in dát gerechtelijk vooronderzoek vond het bevel tot uitlevering en de inbeslagneming plaats. 10.
- Ook dat onderdeel kan ik niet onderschrijven. De rechtbank heeft als haar mening tot uitdrukking gebracht dat de pogingen tot zware mishandeling onderdeel uitmaakten van het feitencomplex waarnaar onder de noemer van art.141 Sr een gerechtelijk vooronderzoek was begonnen.<
(28)Zie bijv. DD 94.312, waarin de voorlopige hechtenis was bevolen in verband met de verdenking van een Opiumwetmisdrijf. Verdachte werd daarvoor gedagvaard en ook voor het misdrijf van art.140 Sr, waarvoor de voorlopige hechtenis niét was bevolen. De rechtbank sprak vrij van het opiumwetmisdrijf en veroordeelde voor art.140 Sr. De voorlopige hechtenis werd evenwel door de rechtbank niet opgeheven en werd daarna door het hof verlengd. Het hof overwoog daartoe dat het feit waarvoor de verdachte wél was veroordeeld behoorde tot hetzelfde materiële feitencomplex waarvoor het gerechtelijk vooronderzoek was ingesteld en waarop de voorlopige hechtenis was gebaseerd; het opzettelijk verder vervoeren van cocaïne. Het hiertegen gerichte cassatiemiddel werd door de Hoge Raad verworpen. > Aldus verstaan zijn de overwegingen van de rechtbank niet onbegrijpelijk. Het tweede middel faalt. 11.
- Het derde middel klaagt dat de rechtbank de toetsing of aan de vereisten van het tweede lid van art.10 EVRM is voldaan, onjuist heeft uitgevoerd. 11.
- Het zal duidelijk zijn dat in mijn opvatting dit middel zonder meer niet opgaat, omdat er geen 'interference' in de zin van art.10 EVRM heeft plaatsgevonden. En dan komt een toetsing aan het tweede lid van art.10 EVRM niet te pas. 10.
- Overigens zou als er wel een 'interference' met art.10 EVRM zou hebben plaatsgevonden het bezwaar van het derde middel mijns inziens evenmin opgaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat er bijna geen ander bewijsmateriaal was waarmee gepleegde ernstige delikten tot klaarheid konden worden gebracht. Ik kan niet inzien waarom art.10 lid 2 EVRM enkel zou zien op de opheldering van 'halsmisdrijven' zoals de steller van het middel verdedigt. De toetsing die in HR NJ 1992,50 uitviel ten gunste van de inbeslagnemende autoriteit zou in de onderhavige casus niet anders behoren uit te pakken gelet op de vergelijkbare ernst der gepleegde delikten. Hetgeen ik hiervoor heb aangevoerd leidt mij tot de conclusie dat de zaak Goodwin voor de onderhavige materie van minder belang is dan de steller van het middel wil doen voorkomen. Ik wijs er nog maar eens op dat het gevaar voor de vrije nieuwsgaring in de zaak Goodwin veel pregnanter aanwezig was en dat de daar spelende problematiek veel direkter verwant was met al lang erkende verschoningsrechten dan hier het geval is. Dat beeldmateriaal wordt inbeslaggenomen heeft niets met een vertrouwensrelatie te maken. Dat raddraaiers zich tegen de pers zullen keren - of, vanuit journalistiek oogpunt misschien nog wel erger, zullen ophouden met hun misdrijven en ervandoor zullen gaan - is nog maar speculatief, zeker als men daarbij in aanmerking neemt dat de politie zich inzet voor het aanmaken van eigen registraties wanneer rellen dreigen. Daardoor zal in de toekomst de druk op de pers worden verlicht, waardoor een nu al schimmig gevaar nog verder zal vervagen. Het derde middel faalt.
- Ambtshalve heb ik behoudens hetgeen ik heb aangevoerd in verband met het door de officier van justitie voorgestelde middel, geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank voorzover daarin het beklag gegrond is verklaard en tot verwijzing in zoverre naar het gerechtshof te Amsterdam, en overigens tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden