Rolnr. C98/035 Mr. Bakels Zitting 17 september 1999 Conclusie inzake [Eiser] tegen De naamloze vennootschap NIEUWE HOLLANDSE LLOYD LEVENSVERZEKERINGMAAT- SCHAPPIJ N.V. en [Verweerder] (niet verschenen) Edelhoogachtbaar College, 1. Het verdere verloop van de procedure 1.1 Voor het verloop van de procedure tot aan 23 april 1999 verwijs ik naar het op die datum door de Hoge Raad gewezen tussenarrest. Ook voor de terzake dienende feiten en de rechtsvraag die inzet is van het geding (veroordeling van een advocaat tot voldoening van proceskosten uit eigen beurs) verwijs ik kortheidshalve naar dit arrest en mijn daarbij behorende conclusie, die ik beide aan de onderhavige conclusie hecht. 1.2 In genoemd tussenarrest heeft de Hoge Raad kort gezegd geoordeeld dat de advocaat ten onrechte heeft nagelaten zijn cliënt J. in het beroep in cassatie te betrekken. Anders dan door verweerster in cassatie (NHL) was betoogd, behoefde dit verzuim echter niet tot niet-ontvankelijkheid te leiden. In plaats daarvan heeft de Hoge Raad de advocaat in staat gesteld J. langs de weg van art. 12a Rv alsnog bij het geding in cassatie te betrekken. 1.3 Bij exploit van 11 mei 1999 heeft de advocaat J. opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 4 juni 1999 om zich uit te laten over het aanhangige cassatieberoep en daarin voort te procederen. J. is op deze oproep niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. De advocaat en NHL hebben vervolgens wederom de stukken gefourneerd en arrest gevraagd. 2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Bij de bespreking van de onderdelen bouw ik voort op de algemene uiteenzetting die ik in mijn vorige conclusie onder 2.1-2.6 heb gegeven. Daarvan haal ik met name aan dat de Hoge Raad voor de veroordeling van een advocaat tot voldoening van de proceskosten uit eigen beurs, slechts aanleiding ziet indien
(2)aangehaalde arrest van de Hoge Raad, niet al aanstonds tot succes leidt. In deze overweging besliste Hoge Raad dat het hof, door de advocaat van de man in de proceskosten van de vrouw te veroordelen omdat het appèl van de man kansloos was, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Maar ik geloof niet dat deze overweging een andere betekenis heeft, dan dat het hof in die zaak een onjuist toetsingskader heeft aangelegd omdat het had moeten uitgaan van de driedelige, onder 2.1 van deze conclusie aangehaalde, maatstaf. 2.11 Het onderdeel keert zich op het eerste gezicht tegen een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op juistheid valt te toetsen, maar slechts op begrijpelijkheid. De rode draad door de recente rechtspraak van de Hoge Raad, de literatuur en het ontwerpartikel 58 Rv, is er echter één van grote terughoudendheid ten aanzien van het eigen beursje. Daarmee strookt niet dat de Hoge Raad een oordeel als het onderhavige zou willen beschouwen als louter feitelijk. Hij kan zijn greep verstevigen door een subregel te formuleren die op het onderhavige geval is toegesneden. Deze zou bijvoorbeeld kunnen luiden dat een advocaat die, na met zijn cliënt de risico's daarvan te hebben besproken, welbewust tracht een tot dan toe (nog) niet aanvaarde rechtsopvatting omtrent een procesrechtelijk voorschrift ingang te doen vinden welke niet op het eerste gezicht volstrekt kansloos is te achten, in beginsel geen beroepsfout maakt die een kostenveroordeling uit eigen beurs rechtvaardigt. 2.12 Om de genoemde reden zou ik ervoor voelen als de Hoge Raad - als hij daaraan zou toekomen - deze of een soortgelijke subregel inderdaad zou aanvaarden. Hij kan dan vervolgens oordelen dat het hof in zijn arresten hetzij die subregel kennelijk heeft miskend, hetzij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval daarop een uitzon-dering moet worden gemaakt. 2.13 Als de Hoge Raad zich in het onderhavige geval echter zou beperken tot toetsing van de begrijpelijkheid van 's hofs feitelijke oordeel, kan het onderdeel m.i. geen doel treffen. Zelfs al zou de poging van de advocaat om het hof door de vaste jurisprudentie wat betreft termijnsoverschrijdingen heen te laten breken, optimaal succes hebben gehad, dan nog had hij op niet méér mogen hopen dan op (overeenkomstige) toepassing van de norm van art. 6:11 Awb, luidende dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft "indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener (van het beroepschrift) in verzuim is geweest". Ook aan die norm getoetst is het m.i. niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het appèl kansloos was zodat de advocaat een (ernstige) beroepsfout heeft gemaakt. Het hof heeft immers overwogen dat J. elf tot vijftien dagen voor het verstrijken van de appèltermijn in vrijheid is gesteld, terwijl het appèl ruim een maand na het verstrijken van die termijn is ingesteld. Daarbij valt voorts te bedenken dat J’s detentie - die niet aan de Nederlandse overheid is toe te rekenen - naar het mij voorkomt in beginsel in J.’s eigen risicosfeer ligt. Dit laatste geldt eens temeer voor het gestelde gebrek aan financiële middelen dat J. gedurende enkele weken na ontslag uit zijn detentie zou hebben verhinderd naar Nederland terug te keren. Gesteld noch gebleken is voorts dat een "apparaatsfout" een rol heeft gespeeld bij het te late instellen van het beroep. 2.14 Naar ik meen is het lot van het onderdeel dus afhankelijk van de vraag voor welke van de onder 2.8 aangegeven benaderingen wordt gekozen. Zoals opgemerkt onder 2.9, zou ik het onderdeel willen laten slagen. 2.15 Onderdeel 3 verwijt het hof niet te hebben gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet kan worden aanvaard dat J. zelf wegens de niet-ontvankelijkheid van het appèl, in de proceskosten van NHL wordt veroordeeld. 2.16 Het onderdeel leidt niet tot vernietiging. Weliswaar heeft het hof niet expliciet gemotiveerd waarom een kostenveroordeling van de cliënt zelf in de gegeven omstandigheden niet kan worden aanvaard, maar uit de bestreden arresten, in hun geheel gelezen, blijkt dat het hof van oordeel is dat de advocaat (
- i)een ernstige beroepsfout heeft gemaakt, (
- ii)de kosten van het door hem ingestelde - kansloze - appèl nodeloos hoog heeft doen oplopen en (iii) bovendien optrad voor een cliënt die, naar te vrezen valt, geen verhaal biedt. Ik laat nu in het midden dat dit laatste argument, zoals bij de bespreking van onderdeel 2 is opgemerkt, door de Hoge Raad niet valide wordt geacht. Hoe dat zij, gemotiveerd heeft het hof zijn oordeel wél en reeds zijn eerste twee argumenten volstaan. 2.17 Volgens onderdeel 4 “vitieert” het in de onderdelen 1 t/m 3 gestelde ook hetgeen het hof overigens in de bestreden arresten over de toepassing van art. 58 Rv heeft overwogen en beslist. 2.18 Deze klacht, die ook bij pleidooi niet nader is toegelicht, voldoet niet aan de eisen die aan (een onderdeel van) een cassatiemiddel mogen worden gesteld, nu niet wordt aangegeven tegen welke onderdelen van de bestreden arresten zij is gericht en welke specifieke bezwaren daartegen bestaan. Het onderdeel loopt dus vast op art. 407 Rv. 2.19 Onderdeel 5 is gericht tegen het dictum van het eindarrest van 16 december 1997 en klaagt over de veroordeling tot voldoening van de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf de datum van het eindarrest tot aan de dag van de algehele voldoening. Het onderdeel betoogd dat het hof hiermee uit het oog heeft verloren dat wettelijke rente slechts verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is. Op het moment dat het arrest werd gewezen, was hiervan echter geen sprake. 2.20 Het onderdeel faalt reeds omdat NHL uitdrukkelijk om een zodanige veroordeling had gevraagd, welke vordering door de advocaat niet specifiek was betwist. Ik teken daarbij aan dat, anders dan naar oud recht, de rechter thans ook een veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren omdat art. 52 lid 2 Rv (“De uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan de gehele uitspraak betreffen (...)”) dienaangaande geen uitzondering bevat en de MvT op deze gewijzigde bepaling die bevoegdheid impliceert, ook wat de proceskosten betreft. Nu de door het onderdeel aangesneden vraag voor de praktijk interessant is, zeg ik er daarnaast nog het volgende over. De veroordeling in de proceskosten roept een verbintenis tot betaling van een geldsom in het leven, waarop afdeling 6.1.11 BW van toepassing is. Het onderdeel stelt dan ook terecht dat ingevolge art. 6:119 de wettelijke rente - als (gefixeerde) schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom - slechts is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De vraag wanneer de schuldenaar in verzuim is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 6:81 e.v. BW. Zoals bekend is de hoofdregel dat verzuim intreedt na een vergeefs verstreken ingebrekestelling (art. 6: 82 lid 1 BW). In een aantal gevallen treedt echter bij uitzondering het verzuim zonder ingebrekestelling in, zoals wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad (art. 6: 83 aanhef en onder (
- b)BW). 2.21 Anders dan NHL bij pleidooi heeft betoogd, kan een veroordeling tot voldoening van de proceskosten m.i. niet naar haar aard worden gelijkgesteld met een verbintenis uit onrechtmatige daad. De enkele omstandigheid dat een procespartij een standpunt verdedigt dat door de rechter niet wordt aanvaardt, brengt immers nog niet mee dat die partij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover haar wederpartij. 2.22 In de rov. 7 en 8 van het eindarrest ligt echter besloten dat het hof in de handelwijze van de advocaat niet alleen een beroepsfout zag, maar in de specifieke omstandigheden van het gegeven geval, tevens een onrechtmatige daad jegens NHL. Aldus begrepen geeft `s hofs beslissing geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is zij evenmin. Onderdeel 5 faalt derhalve. 3. Verdere afdoening Nu de onderdelen 1 en 2 doel treffen kunnen de bestreden arresten, voor zover deze de proceskostenveroordeling betreffen, niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door alsnog J. - die in de gelegenheid is gesteld zich hiertegen te verdedigen, maar van dat recht geen gebruik heeft gemaakt - te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De kosten van het geding in cassatie dienen n.m.m. echter voor rekening van NHL te komen. Het is immers NHL geweest die de bestreden beslissingen heeft uitgelokt en vervolgens in cassatie heeft verdedigd. 4. Conclusie Deze strekt tot vernietiging van de bestreden arresten voor zover de advocaat daarbij is veroordeeld de proceskosten van het geding in hoger beroep persoonlijk en uit eigen beurze te voldoen, met veroordeling van J. in de kosten van het hoger beroep. NHL dient in de kosten van het geding in cassatie te worden verwezen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,