← Nederland

ECLI:NL:PHR:1999:AG2341

Rolnr. 16.700 Zt. 13 nov. 1998 Mr Strikwerda conclusie inzake Stichting Reclassering Nederland tegen [verweerder] Edelhoogachtbaar College, 1. Het gaat in deze zaak om de uitleg van art. 7A:1638x (oud) BW en, meer bepaald, om de betekenis van de in het tweede lid daarvan gebezigde woorden "in de uitoefening zijner dienstbetrekking". 2. De feiten liggen, kort weergegeven, als volgt. (

  1. i)Verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], was als sociaal- psychiatrisch werker in dienst van (de rechtsvoorgangster van) de Stichting Reclassering Nederland, eiseres tot cassatie, hierna: de Stichting. (
  2. ii)[verweerder] heeft in de uitvoering van zijn werkzaamheden voor de Stichting contact gehad met een client, genaamd [client]. (iii) Op vrijdagavond 14 december 1990 te circa 23.00 uur is [verweerder] in de deuropening van zijn woning aangevallen door [client]. Daarbij is [verweerder] ongeveer 40 keer met een ijzeren hamer op het hoofd geslagen. Als gevolg hiervan heeft [verweerder] zwaar letsel opgelopen. (
  3. iv)In verband met dat letsel is [verweerder] tot 24 december 1990 opgenomen geweest in een ziekenhuis. Per 1 september 1993 is [verweerder] volledig arbeidsongeschikt verklaard. (
  4. v)[client] heeft na de aanslag een aanklacht wegens ontucht tegen [verweerder] ingediend. Naar aanleiding daarvan is [verweerder] strafrechtelijk vervolgd, maar vrijgesproken. Nadien is [verweerder] naar aanleiding van een ontuchtklacht van een andere reclasseringscliënt wel veroordeeld. 3. [verweerder] heeft de Stichting gedagvaard voor de Kantonrechter te Eindhoven en schadevergoeding gevorderd. Voor zover thans in cassatie van belang heeft [verweerder] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Stichting tekort is geschoten in haar verplichtingen uit art. 7A:1638x (oud) BW. De Stichting heeft de vordering van [verweerder] bestreden. 4. Bij vonnis van 26 oktober 1995 heeft de Kantonrechter de vordering van [verweerder] afgewezen. Naar het oordeel van de Kantonrechter is de schade [verweerder] niet overkomen in de uitoefening van zijn dienstbetrekking. 5. [verweerder] is van het vonnis van de Kantonrechter in hoger beroep gegaan bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. Hij had succes. De Rechtbank achtte bij vonnis van 4 april 1997 (gepubliceerd in NJkort 1997, 40; besproken door Chr.H. van Dijk in Bb 1997, blz.155-158) het oordeel van de Kantonrechter, dat er geen sprake is van een ongeval dat in de uitoefening van de dienstbetrekking aan [verweerder] is overkomen, onjuist. De Rechtbank stelde in r.o. 3.15 van haar vonnis als algemeen uitgangspunt voorop: "Wanneer de aard van de werkzaamheden een verhoogd risico met zich meebrengt dat iemand met wie de werknemer bij de uitvoering van die werkzaamheden contact heeft hem in zijn privé-situatie schade toebrengt, dan moet worden aangenomen dat als die betrokken derde inderdaad aan de werknemer schade toebrengt in de privé-situatie, die schade de werknemer is overkomen in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, tenzij de werkgever bewijst dat het optreden van die betrokken derde in geen enkel verband is te brengen met de uitvoering van de werkzaamheden (met andere woorden: dat het feit dat juist de werknemer van het optreden van de betrokkene het slachtoffer is geworden op louter toeval berust) ." Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Stichting niet aan haar zorgverplichting voldaan, omdat zij geen maatregelen heeft getroffen die betrekking hebben op de veiligheid van haar sociaal-psychiatrische werkers (zoals [verweerder]) buiten werktijd en buiten kantoor. Voorts was de Rechtbank van oordeel dat veiligheidsmaatregelen, zoals nader in het vonnis omschreven, de aanslag hadden kunnen voorkomen en dat [verweerder] geen grove schuld kan worden verweten. Onder aanhouding van iedere verdere beslissing verwees de Rechtbank de zaak naar de rol teneinde [verweerder] in de gelegenheid te stellen bij nadere conclusie zijn stellingen inzake het causale verband tussen het ongeval en de omvang van de schade nader uit te werken. 6. De Stichting is tegen het vonnis van de Rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. [verweerder] heeft het middel bestreden met conclusie tot verwerping van het door de Stichting ingestelde cassatieberoep. Voorts heeft [verweerder] voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld met één middel. De Stichting heeft dit middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping. Het principaal beroep 7. Het in het principaal beroep voorgestelde middel is opgebouwd uit drie onderdelen, telkens verdeeld in subonderdelen. Onderdeel I keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het ongeval [verweerder] is overkomen in de uitoefening van zijn dienstbetrekking. Onderdeel II bestrijdt, subsidiair, het oordeel van de Rechtbank dat de Stichting tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens [verweerder]. Onderdeel III richt zich, meer subsidiair, tegen het oordeel van de Rechtbank dat de schade te wijten is aan het tekortschieten van de Stichting in haar zorgplicht jegens [verweerder]. 8. Centraal in onderdeel I staat de klacht dat het door de Rechtbank in r.o. 3.15 van het bestreden vonnis vooropgestelde algemene uitgangspunt voor de toepassing van art. 7A:1638x (oud) BW onjuist is, althans veel te ruim geformuleerd is. 9. De klacht acht ik gegrond. Het door de Rechtbank geformuleerde algemene uitgangspunt, dat erop neerkomt dat de veiligheidsverplichting van de werkgever zich ook uitstrekt tot de privé-situatie van de werknemer, als er maar enig verband (niet louter toeval) bestaat met de werkzaamheden, gaat te ver. Het is niet alleen in strijd met de bewoordingen, maar ook met de strekking van art. 7A:1638x (oud) BW. 10. Naar de letterlijke tekst van art. 7A:1638x (oud) BW betreft de zorgplicht van de werkgever ten aanzien van de veiligheid van de werknemer "de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmede hij den arbeid doet verrichten". Bij schending van die zorgplicht, strekt de aansprakelijkheid van de werkgever zich uit tot "vergoeding der schade aan den arbeider in de uitoefening zijner dienstbetrekking overkomen". Het huidige art. 7:658 BW stelt in iets andere bewoordingen dezelfde beperkingen aan zorgplicht en aansprakelijkheid van de werkgever. 11. In de recente rechtspraak en literatuur wordt het door het eerste lid gestelde werkplek-vereiste en het door het tweede lid gestelde vereiste dat de schade de werknemer moet zijn overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, ruim uitgelegd. Zie met name HR 1 juli 1993, NJ 1993, 687, waarin werd geoordeeld dat de zorgplicht van de werkgever niet beperkt is tot de eigenlijke werkplek, maar zich in beginsel ook uitstrekt tot locaties waar door derden werkzaamheden worden verricht. Zie nader T. Hartlief, NTBR 1996, blz. 61-62; dez., in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 5 jaar Nieuw Burgerlijk Recht

(1997), blz. 594- 509; W.C.L. van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 18e dr. bew. door J.W.M. van der Grinten met medewerking van mr. W.A.H. C.M. Bouwens
(1997), blz. 134-139; C.J.M. Klaassen, NTBR 1997, blz. 105-110; Arbeidsovereenkomst, losbl., Art. 7:658, aant. 3 (D. Christe). Het geheel weg-interpreteren van de genoemde beperkingen, wordt echter door niemand verdedigd. Dat zou ook niet stroken met het feit dat de wetgever in het huidige art. 7:658 BW uitdrukkelijk aan het werkplek-vereiste en het vereiste dat de schade toegebracht moet zijn in de uitoefening van de werkzaamheden heeft vastgehouden. Het door de Rechtbank geformuleerde uitgangspunt lijkt verwant aan het door Klaassen, a.w., blz. 109, voorgestelde criterium van de kansvergroting: de werkgever is aansprakelijk voor de door de werknemer geleden schade, indien de kans op deze schade door de aan de ondergeschikte opgedragen taak is vergroot. Het door de Rechtbank geformuleerde algemene uitgangspunt gaat echter beduidend verder dan het toch al ruime criterium van Klaassen. Het door Klaassen voorgestelde criterium van de kansvergroting komt immers pas aan de orde, indien vaststaat dat de werkgever tekort is geschoten in zijn zorgplicht (blz. 109 r.k.). Uit de door haar besproken gevallen blijkt dat Klaassen die zorgplicht beperkt acht tot plaatsen waar de werknemer zich in het kader van zijn functie bevindt. Geen van de gevallen speelt zich af in de privé-situatie van de werknemer. Ook de door Hartlief bepleite uitbreiding van de werkgeversaansprakelijkheid (door het oprekken van het werkplekbegrip) gaat niet zo ver dat de zorgplicht van de werkgever zich zou kunnen uitstrekken tot de privé-situatie van de werknemer. In de door hem genoemde gevallen gaat het steeds om werknemers die zich voor hun werk buiten de eigenlijke werkplek begeven. Zie NTBR 1996, blz. 62; Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht, blz. 507/
  1. Het voormalige art. 7A:1638x BW heeft, evenals het huidige art. 7:658 BW, de strekking de werknemer te beschermen tegen de aan het werk en de werkomgeving verbonden veiligheidsrisico's. Daartoe wordt op de werkgever de verplichting gelegd om zodanige veiligheidsmaatregelen te treffen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geen schade lijdt. Deze veiligheidsverplichting van de werkgever is niet gericht op alle risico's welke de werknemer in verband met de aard van zijn werkzaamheden waar dan ook loopt, maar is speciaal gericht op de aan het werk zelf en aan de werkomgeving verbonden risico's. De vraag of de werkgever aansprakelijk kan worden gehouden voor door de werknemer geleden schade die op enigerlei wijze verband houdt met de aard van zijn werkzaamheden, maar buiten het werkmilieu is toegebracht, zal beantwoord moeten worden aan de hand van de algemene regels inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad; zij valt buiten het toepassingsgebied van de speciaal op de veiligheid van het werkmilieu gerichte regeling van art. 7A:1638x oud/art. 7:658 huidig BW. Vgl. de conclusie OM (A-G Hartkamp) onder 6 voor HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 264 nt. PAS. Vgl. voorts Van Dijk, a.w., blz.
  2. Daarbij komt nog het volgende. Volgens de regeling van art. 7A:1638x oud/7:658 huidig BW rust op de werkgever een inspanningsverplichting om de werknemer te beschermen tegen veiligheidsrisico's. Het ligt niet voor de hand dat deze verplichting zich ook uitstrekt tot situaties waarover de werkgever geen zeggenschap heeft en waar de werkgever zijn verantwoordelijkheid dus niet kan waarmaken. Aangezien de werkgever geen zeggenschap heeft over de privé-situatie van de werknemer, kan niet worden volgehouden dat de door art. 7A:1638x oud/7:658 huidig BW op hem gelegde veiligheidsverplichting zich ook tot die situatie dient uit te strekken. Vgl. de conclusie OM (A-G Koopmans) onder 7 voor HR 1 juli 1993, NJ 1993, 687 nt. PAS en Ma. Zie ook A.T. Bolt, Preadvies NJV 1996, blz. 88/
  3. De centrale klacht van onderdeel I treft derhalve naar mijn oordeel doel. De overige klachten van het onderdeel behoeven dan geen behandeling. Dit geldt ook voor de subsidiair en meer subsidiair voorgestelde middelonderdelen II en III. Het bestreden vonnis zal niet in stand kunnen blijven. Na vernietiging kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door op het bestaande hoger beroep grief 3 alsnog te verwerpen en het beroepen vonnis van de Kantonrechter te Eindhoven van 26 oktober 1995 te bekrachtigen. Het incidenteel beroep
  4. Als het principaal beroep slaagt, is de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld in vervulling gegaan en dient het in het incidenteel beroep voorgestelde cassatiemiddel behandeld te worden.
  5. Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank in r.o. 3.13 van het bestreden vonnis. Het middel verwijt de Rechtbank te hebben miskend dat van een schadevergoedingsplicht op grond van het tweede lid van art. 7A:1638x (oud) BW ook sprake kan zijn als de schade niet aan de werknemer is overkomen "in" of "tijdens" de uitoefening van de dienstbetrekking, maar wel op een wijze die in een voldoende verband bestaat met de uitoefening van de dienstbetrekking.
  6. Het middel zal reeds wegens gebrek aan belang moeten falen. Wat er ook zij van de strekking van de door het middel gewraakte r.o. 3.13, in het door de Rechtbank in r.o. 3.15 geformuleerde algemene uitgangspunt ligt besloten dat de Rechtbank de in het tweede lid van art. 7A:1638x (oud) BW gebezigde woorden "in de uitoefening zijner dienstbetrekking" in de door het middel gewenste ruime zin heeft opgevat. De conclusie strekt in het principaal beroep: tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als is weergegeven onder 13; in het incidenteel beroep: tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.