Nr. 111.066 Zitting 1 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College,
- Wegens brandstichting is verzoeker bij arrest van het gerechtshof te Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
- Namens verzoeker heeft mr R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag een middel van cassatie voorgesteld.
- Het middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat verdachte niet strafbaar was nu het feit hem niet kon worden toegerekend. 3.
- Het hof heeft het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen: "Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte ontslag van alle rechtsvervolging bepleit op grond dat het onderhavige feit niet aan verdachte kan worden toegerekend aangezien verdachte als gevolg van medicijngebruik in een schemertoestand verkeerde, waarbij geen sprake meer was van een vrije wilskeuze. Dit verweer treft geen doel. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte, toen hij alcohol ging drinken, niet meer heeft beseft dat de combinatie alcohol/Temesta het risico van onberekenbaar en onlogisch gedrag in zich hield. Door aldus te handelen heeft verdachte zich verwijtbaar in een situatie gemanoeuvreerd, waarin het plegen van delict het redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoorde. De conclusie van het rapport van de psychiater [deskundige] ( "niet toerekenbaar") wordt daarom niet overgenomen." 3.
- Volgens de steller van het middel gaat het hof hiermee voorbij aan het verweer zoals dat gevoerd is, te weten dat de schemertoestand niet noodzakelijk door het alcoholgebruik behoeft te zijn opgetreden, maar dat dat ook een gevolg zou kunnen zijn van de (voorgeschreven hoeveelheid) tabletten zelf en dat verdachte dus al op het moment dat hij de alcohol nuttigde in een schemertoestand verkeerde. 3.
- Voor de beantwoording van de vraag of het hof toereikend gemotiveerd heeft gereageerd op het verweer moet allereerst worden gekeken wat de verdediging precies heeft aangevoerd. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep gehechte pleitnotitie is in het kader van het verweer dat verdachte moest worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid het volgende aangevoerd: Het is goed mogelijk dat de schemertoestand waarbij geen sprake meer was van een vrije wilsbepaling, is ingetreden als gevolg van de inname van de voorgeschreven medicijnen (drie tabletten) zonder dat de alcohol daarbij een rol speelde, waarbij de verdediging verwijst naar overgelegde documentatie waaruit zou volgen dat bij bepaalde mensen een paradoxale reactie mogelijk is ook als deze mensen zich houden aan de gebruikersvoorschriften. Het hof heeft dit samengevat als hiervoor weergegeven. Naar mijn mening treft het middel doel. Het hof reageert immers niet op het verweer zoals dat is gevoerd, te weten dat de schemertoestand al is opgetreden na inname van de medicijnen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de door de raadsman overgelegde bijsluiter bij het medicijn vermeldt dat het kan voorkomen - ook als de door een arts voorgeschreven hoeveelheid medicijnen wordt aangehouden - dat een patiënt zich na inname niets meer weet te herinneren van de periode na de inname. Dat laat op zichzelf onverlet dat je op het moment van het handelen nog weet wat je doet; dit verlies van herinnering zegt namelijk alleen iets over de situatie achteraf. Maar verder maakt de bijsluiter melding van de mogelijkheid van paradoxale reacties, waaronder woede-aanvallen, waandenkbeelden etc. Gelet op deze ter zitting overgelegde informatie, kan mijns inziens niet zonder nader onderzoek gezegd worden dat deze schemertoestand niet bestond voordat verdachte de alcoholhoudende drank ging nuttigen. Het hof heeft het verweer in feite onbesproken gelaten. 3.
- Ik wil toch nog een aantal opmerkingen plaatsen. Mij was niet direkt duidelijk waar de verdediging met haar verweer op doelde, maar ik ga er van uit dat er in de ogen van de verdediging met de schemertoestand die is ontstaan na de inname van medicijnen, sprake zou zijn geweest van een ziekelijke stoornis bij verdachte waardoor het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. Dat er als gevolg van die stoornis geen opzet was, heeft de verdediging niet aangevoerd. Nu zal dat ook niet snel kunnen worden aangenomen; de Hoge Raad heeft immers gesteld dat opzet pas vervalt "als elk inzicht in de draagwijdte van (de) gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan" ontbreekt en dat zal niet snel het geval zijn. Voor de vraag of het feit als gevolg van een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend is van belang wat precies onder een ziekelijke stoornis moet/kan worden verstaan. Bijvoorbeeld of en in hoeverre intoxicatie door alcoholhoudende drank, medicijnen en drugs daaronder vallen. Ook daarvoor geldt dat dit naar alle waarschijnlijkheid niet snel zal worden aangenomen. In ieder geval heeft de wetgever geen bepaling willen opnemen over toerekening bij dronkenschap, hoewel er medisch gezien bij dronkenschap wel gesproken kan worden over een acute ziekelijke stoornis. Met name in het geval dat er sprake is van een combinatie van een ziekelijke stoornis en dronkenschap en gedwongen dronken worden gevoerd zou artikel 39 Sr wellicht in aanmerking kunnen komen. Bij dronkenschap en drugsgebruik zal toch echter veelal het verwijt (kunnen) worden gemaakt dat men zich vrijwillig en welbewust in een toestand heeft gebracht die het gevaar voor onverantwoord handelen met zich bracht; de zogenaamde culpa/dolus in causa-redenering. 't Hart heeft in een annotatie onder een arrest van de Hoge Raad in 1983 een nuancering aangebracht op de toepassing van de culpa in causa-redenering. Volgens hem zijn er een aantal gevallen die onder omstandigheden buiten toepassing van de redenering moeten vallen, waarin ik mij met name voor wat betreft het laatste geval zoals door hem genoemd in kan vinden. Kort samengevat komen die door 't Hart genoemde gevallen op het volgende neer: de gevallen waarin de wetenschap van zelfintoxicatie wordt ontkend; als er wel sprake is van zelfintoxicatie, maar deze een verslaving is geworden en de gevallen waarin het concrete gevolg redelijkerwijs niet kon of moest worden overzien. Bijvoorbeeld bij onverwachte reacties na alcohol, drug- of medicijngebruik. Vooral dit laatste kan van belang zijn voor de beoordeling van het verweer in deze zaak. Er van uitgaand dat de medicijnen die verzoeker heeft geslikt slechts de voorgeschreven hoeveelheid betreffen en dat zij inderdaad een reactie te weeg hebben gebracht waardoor hij geen controle meer had over de dingen die hij deed en dat op dat moment gesproken kan worden van een ziekelijke stoornis, dan kan men dit - zeker gelet op de in de bijsluiter vermelde mogelijke bijwerkingen en gelet op hetgeen in het door de raadsman overgelegde farmaceutisch kompas wordt gezegd over het in dit medicijn werkzame bestanddeel benzodiazepine - niet zonder meer met een culpa in causa redenering terzijde schuiven. Dat de bijsluiter vermeldt dat bepaalde reacties tot de mogelijkheden behoren en dat mag worden aangenomen dat degene die de medicijnen inneemt van deze bijsluiter kennis neemt, doet daar, mede gelet op de omstandigheid dat dit een medicijn betreft dat in de ingenomen dosering is voorgeschreven door een arts, mijns inziens niet aan af.
- Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve op andere gronden te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof dat de strafzaak in hoger beroep opnieuw zal hebben te berechten en af te doen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, De verdediging doet kennelijk een beroep op art. 39 Sr. Denkbaar zou ook zijn een beroep op verontschuldigbare onmacht; een vorm van avas die van toepassing is voor het geval waarin men buiten zijn schuld in een toestand is geraakt waarin men lichamelijk en/of geestelijk niet meer in staat was goed te functioneren. Zie Tekst en Commentaar aant. 18 van de inleidende opmerkingen bij titel III van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat mij te ver om de overweging van het hof zo te lezen dat daarin besloten ligt dat niet aannemelijk is dat de schemertoestand al is opgetreden direct na het innemen van de medicijnen, dus voordat de verdachte de alcoholhoudende drank ging nuttigen. Weliswaar heeft de raadsman daar enige passages uit gelicht, maar dat betekent mijns inziens niet dat slechts deze passages als door de raadsman voorgedragen moeten worden beschouwd. HR NJ 1999,
- In tegenstelling tot art. 23 van het Crimineel Wetboek van 1809 en in het Ontwerp van 1859 waarin stond dat een misdrijf in dronkenschap gepleegd alleen dan niet toerekenbaar is als de dader in die toestand is gebracht door dwang of misleiding van anderen en niet met oog op het te plegen misdrijf de drank had gebruikt of reeds voor die tijd het voornemen tot het misdrijf had opgevat. Hetzelfde geldt denk ik ook wel bij intoxicatie door het gebruik van drugs en medicijnen. Zie Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht door mr J. Remmelink, 15e, p.
- De overweging van het hof komt daar ook op neer. Zie ook Eigen schuld !? , "Culpa in causa" bij wettelijke strafuitsluitingsgronden, WODC K34
- Bijvoorbeeld DD 93.
- Noot onder HR NJ 1983,
- Ter ondersteuning van de stelling heeft de raadsman de bijsluiter en het farmaceutisch kompas 1998 overgelegd. De bijsluiter vermeldt dat het bij hoge dosering kan voorkomen dat men zich niet meer herinnert wat er in de periode na inname van het middel heeft meegemaakt en dat dit ook kan gebeuren bij de door de arts voorgeschreven dosering. Verder kunnen er bijwerkingen optreden als verwardheid, onrust, opwinding, woedeaanvallen en waandenkbeelden. Het farmaceutisch kompas 1998 spreekt over paradoxale reacties met acute opwinding, verwarring en verandering van psychische toestand bij de inname van Benzodiazepinen [de werkzame stof in het medicijn Temesta]. Of deze bijwerkingen zich ook al kunnen voordoen bij inname van de voorgeschreven dosering van drie pillen, zoals in casu, is op basis van deze gegevens niet vast te stellen. Voorts kan ik me voorstellen dat voor beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat die pillen een dergelijke reactie hebben gegeven ook van belang kan zijn hoe lang verdachte deze medicijnen al slikte. Dat verdachte deze pillen op de dag van het plegen van het feit voor het eerst in deze hoeveelheid heeft gebruikt, zoals in het middel (laatste alinea pagina 1) wordt gesuggereerd, volgt niet uit hetgeen ter zitting ter sprake is gebracht. Indien men niet wilt aannemen dat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis, zou de situatie wellicht nog onder "verontschuldigbare onmacht" - een vorm van de ongeschreven strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld - worden gebracht.