Nr. 111.273 Zitting 22 juni 1999 Mr van Dorst Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College, 1. Wegens zijn betrokkenheid bij Opiumwetdelicten en een criminele organisatie heeft het gerechtshof te Arnhem verzoeker, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad, tot straffen veroordeeld. 2. Namens verzoeker heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat te 's-Hertogenbosch, vier middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verzoek om [getuige] te horen op ontoereikende gronden heeft afgewezen. 4.1. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 1997 als volgt overwogen en beslist naar aanleiding van de mededeling van verzoekers raadsman dat hij geen afstand doet van de niet-verschenen [getuige] en diens verzoek om de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen teneinde [getuige] door middel van een rogatoire commissie te doen horen: Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de [getuige] niet opnieuw zal worden opgeroepen nu het hof het onaannemelijk acht dat de getuige binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. De [getuige] wordt derhalve van de lijst van getuigen afgevoerd. Op het verzoek om de [getuige] bij rogatoire commissie te horen, zal het hof bij arrest beslissen. 4.2. De bestreden uitspraak houdt dienaangaande in: Namens verdachte is verzocht de behandeling aan te houden ten einde alsnog een poging te ondernemen de [getuige] door middel van een rogatoire commissie te horen. Het hof wijst het verzoek tot het horen van de [getuige] af. Het verwijzen van de zaak naar de rechter- commissaris voor het horen van [getuige] acht het hof nutteloos. Van [getuige] is thans genoegzaam bekend dat hij niet bereid is tot het afleggen van een verklaring als getuige. Om daaraan te ontkomen heeft hij zelfs het voornemen geuit zich schuil te houden. Het hof is overigens ten overvloede van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn belangen wordt geschaad nu niet is gesteld of is gebleken dat er sprake is geweest van enig contact tussen de [getuige] en verdachte en het hof derhalve niet aannemelijk acht dat verdachte door [getuige] tot andere handelingen is gebracht dan waarop zijn opzet tevoren reeds was gericht. 5. In 's hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat pogingen om [getuige] hetzij ter terechtzitting te doen verschijnen hetzij hem te doen horen door de rechter-commissaris in het kader van een rogatoire commissie, niet binnen een redelijke termijn tot enig resultaat zouden leiden en dat het belang van een voortvarende berechting van de zaak dient te prevaleren boven het gestelde belang van verzoeker bij het verhoor van de getuige. Dat oordeel getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, gelet op 's hofs vaststelling dat [getuige] niet bereid was een verklaring af te leggen en dat hij het voornemen had geuit zich schuil te zullen houden teneinde aan het afleggen van een getuigenverklaring te ontkomen alsmede gelet op hetgeen het Bossche hof op 21 april 1995 reeds had vastgesteld omtrent de weigerachtigheid van [getuige] om enige verklaring af te leggen. In cassatie kan 's hofs oordeel niet verder worden getoetst. Als grond voor die toetsing kunnen in elk geval niet dienen de speculatieve beschouwingen die de steller van het middel wijdt aan [getuige] 's beweegredenen om zich schuil te houden. 6. Bij de in verschillende toonaarden bezongen stelling dat het hof had moeten trachten "om de [getuige] - via een rechtshulpverzoek- door middel van een bevel medebrenging ter zitting te doen verschijnen" en dat nu "Duitsland evenals Nederland partij (
- is)bij een aantal rechtshulpverdragen ( ... ) genoemd bevel in het kader van de rechtshulp tenuitvoergelegd kon worden", zou ik de kanttekening willen plaatsen dat uit niets blijkt dat aan het hof is gevraagd om een dergelijk rechtshulpverzoek te entameren, zodat zulks bezwaarlijk thans aan het hof kan worden tegengeworpen. Bovendien is het middel nogal duister voor wat betreft de stelling dat Duitsland en Nederland partij zijn bij "een aantal rechtshulpverdragen" welke zouden voorzien in de gedwongen overbrenging van een niet-gedetineerde getuige, hetgeen te dezen het geval is, van het grondgebied van de ene Staat naar het grondgebied van een andere Staat. Het zou de steller gesierd hebben om althans één zo'n verdrag te noemen teneinde mijn eventuele gebrekkige kennis op dit punt aan te vullen. Nu dat niet is gebeurd, volsta ik met de constatering dat bij mijn weten een dergelijke verdragsrechtelijke voorziening niet bestaat. Zie in dit verband art. 8-12 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, het Verdrag van Wittem (Trb. 1979, 143), zoals nadien bij Notawisseling gewijzigd, en art. 52 lid 3 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. 7. Voorzover het middel is gericht tegen 's hofs overweging dat niet aannemelijk is dat tussen verzoeker en [getuige] enig contact is geweest, gaat het eraan voorbij dat deze overweging ten overvloede is gegeven, zodat het middel reeds om die reden geen doel kan treffen. 8. In het tweede middel wordt, gelet ook op de toelichting, aangevoerd dat het hof "haar" (lees: zijn, vD) verwerping van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het OM vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft doen steunen op een ontoereikende "motivatie" (lees: motivering, VD) . 9. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden. Het hof verwerpt het verweer. Weliswaar is er sprake van een lange behandelingsduur in de onderhavige zaak, maar deze duur hangt nauw samen met de omstandigheid dat er sprake is van een ingewikkelde strafzaak, waarin mede op verzoek van de verdediging een intensieve rechterlijke controle heeft plaatsgevonden op het verloop van het onderzoek en de bij het onderzoek gehanteerde methoden. Meer in het bijzonder is het volgende van belang. Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft een aanvang genomen op 21 november 1990. Op 14 november 1991 wijst de rechtbank Maastricht vonnis en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging. In de periode tussen 21 november 1990 en 14 november 1991 is een aanzienlijk aantal zittingen gehouden en is de zaak tweemaal naar de rechter-commissaris verwezen. Van enige onredelijke vertraging is in eerste aanleg in het geheel geen sprake geweest. Op 1 februari 1993 neemt het onderzoek bij het hof 's- Hertogenbosch een aanvang. Arrest wordt gewezen op 7 juni 1993. Het verloop van veertien en een halve maand tussen het vonnis van de rechtbank en de aanvang van het onderzoek door het hof vormt geen onredelijke vertraging. De beslissing van het hof houdt in dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank te Maastricht voor verdere afdoening. Het tegen het arrest van het hof ingestelde cassatieberoep wordt bij arrest van 16 november 1993 door de Hoge Raad verworpen (lees: niet-ontvankelijk verklaard, vD) , aangezien het arrest van het hof geen einduitspraak bevat. De vijf en halve maand tussen het arrest van het hof en het arrest van de Hoge Raad getuigen van een voortvarende afhandeling. Nog geen vijf maanden later en wel op 13 april 1994 vindt vervolgens de (tweede) behandeling door de rechtbank Maastricht plaats. De rechtbank wijst veertien dagen later vonnis. Ook hier kan gesproken worden van een voortvarende afdoening. Het hoger beroep tegen het Maastrichtse vonnis wordt door het hof 's-Hertogenbosch behandeld op de zittingen van 21 en 28 april 1995, het arrest wordt gewezen op 11 mei 1995. Een termijn van bijna een jaar tussen het vonnis in eerste aanleg en de aanvang van het onderzoek in hoger beroep kan niet worden beschouwd als onredelijk. Op het ingestelde cassatieberoep beslist de Hoge Raad bij arrest van 16 september 1996. Deze behandelingsduur is weliswaar onwenselijk lang, maar niet onredelijk lang. Na verwijzing door de Hoge Raad is de zaak op 17 juni 1997 door het hof behandeld en is een aantal getuigen uitvoerig gehoord. De behandeling is voortgezet op 30 oktober 1997. Van overschrijding van de redelijke termijn na verwijzing door de Hoge Raad is geen sprake. Uit het voorgaande volgt dat de afzonderlijke termijnen geen overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM opleveren. Echter wanneer de termijnen in onderling verband en samenhang worden beschouwd en mede worden gezien in het licht van de terughoudendheid van het openbaar ministerie en de opsporingsambtenaren bij het verschaffen van inlichtingen over het verloop van het onderzoek, is er naar het oordeel van het hof een zodanig tijdsverloop dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM, dat berechting binnen een redelijke termijn bedoelt te waarborgen. Daarbij heeft het hof enerzijds gelet op het belang dat de gemeenschap ook na de overschrijding behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds op het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden. In het onderhavige geval moet het eerste belang prevaleren, nu de overschrijding van de desbetreffende termijn niet van dien aard is dat daarom het openbaar ministerie niet in zijn vervolging kan worden ontvangen. Wel zal het hof bij de strafoplegging met de schending van de verdragsbepaling als na te melden rekening houden. 10. ' Hofs oordeel dat noch de termijn van 14 1 maand tussen de (eerste) uitspraak van de rechtbank van 14 november 1991 en de behandeling van de zaak door het hof 's-Hertogenbosch op 1 februari 1993 noch de termijn van 13 maanden tussen 's hofs (tweede) arrest van 11 mei 1995 en de behandeling van het daartegen ingestelde cassatieberoep als onredelijk lang kan worden gekwalificeerd geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat geldt ook voor 's hofs oordeel dat, alles tegen elkaar afgewogen, sprake is van schending van de redelijke termijn, doch dat deze inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM na afweging van alle in aanmerking te nemen belangen niet tot de niet-ontvankelijkheid van het OM maar tot strafvermindering te leiden. In dat verband herinner ik eraan dat o.m. in HR 16 december 1997, NJ 1998, 811 is beslist dat de niet-ontvankelijkheid van het OM pas in beeld komt in uitzonderlijke gevallen "bijvoorbeeld wanneer sprake is van een zeer grote overschrijding van de redelijke termijn". Het oordeel dat die situatie zich hier niet voordoet, is geenszins onbegrijpelijk ook al is langzamerhand sprake van een stokoude zaak. Want dat is mede een gevolg van de tijd die gemoeid is geweest met de behandeling van de vele - zelfs niet openstaande - rechtsmiddelen die in deze zaak zijn aangewend, terwijl naar objectieve maatstaven gemeten niet gezegd kan worden dat die rechtsmiddelen onverantwoord traag zijn behandeld, in aanmerking genomen dat verzoeker gedurende het grootste deel van alle procedures niet gedetineerd was, althans niet ter zake van de onderhavige feiten. 11. De in de toelichting ontwikkelde motiveringsklachten met betrekking tot 's hofs vaststelling dat het hier gaat om een ingewikkelde zaak waarin mede op verzoek van de verdediging de nader aangeduide intensieve rechterlijke controle heeft plaatsgevonden, falen omdat het hof deze omstandigheid ten voordele van verzoeker heeft toegepast, in die zin dat mede op grond daarvan een inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM is aangenomen. De stelling dat het hof deze omstandigheid tevens ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van het OM in casu geen passende sanctie is op de vastgestelde verdragsschending, steunt op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Daarvan blijkt in het geheel niet. 12. In de toelichting op het middel wordt voorts gesteld dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in "haar" (lees: zijn, vD) vervolging in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. 13. Deze klacht is naar mijn mening gegrond voor wat betreft de inbreuk die is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. De bestreden uitspraak dateert van 13 november 1997. Daartegen heeft verzoeker op 21 november 1997 beroep in cassatie ingesteld. Dat beroep is 20 april 1999 door de Hoge Raad behandeld. De stukken van het geding zijn op 6 oktober 1998, dus 10,5 maand na het instellen van het cassatieberoep, bij de Hoge Raad binnengekomen, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die deze trage inzending zouden kunnen rechtvaardigen. In aanmerking genomen dat het hier gaat om een niet al te forse overschrijding van de inzendingstermijn, die momenteel acht maanden bedraagt, kan niet worden gezegd dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet dat noopt tot niet- ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging, in aanmerking genomen dat van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel nopen niet is gebleken. Als zodanig kan niet gelden dat de gehele procedure weer wat langer heeft geduurd dan bij een wat vlottere inzending nodig zou zijn geweest. De Hoge Raad zal dus kunnen volstaan met vermindering van de aan verzoeker opgelegde straf in de mate als de Hoge Raad geraden voorkomt. 14. Het derde middel behelst de klacht dat het hof niet althans ontoereikend gemotiveerd heeft gerespondeerd op het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM respectievelijk bewijsuitsluiting vanwege de onrechtmatige inzet van een criminele burgerinfiltrant, het nalaten proces-verbaal op te maken van essentiële onderzoekshandelingen en het onthouden van informatie aan de rechter door justitie en politie. 15. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de in het middel bedoelde verweren het volgende in: Namens verdachte is gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, primair nu het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde daar bij het opsporingsonderzoek een criminele infiltrant is ingezet die een van de mede-verdachten, [medeverdachte] , heeft bewogen tot andere handelingen dan waarop zijn opzet reeds was gericht en deze infiltrant zo goed als volledig ongecontroleerd is ingezet; subsidiair op de grond dat de [medeverdachte] telastegelegde pseudo-verkopen niet stroken met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Mocht het hof het beroep op niet- ontvankelijkheid passeren dan is in ieder geval sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat de pseudo-koop zich richtte op verdachte. Tussen verdachte en de introducent voor de pseudo-koop ( [getuige] ) is nimmer enig contact geweest. Door mogelijke onregelmatigheden bij de (totstandkoming van
- de)pseudo-koop is verdachte niet in zijn belangen geschaad. De mogelijke onregelmatigheden regarderen hooguit verdachte [medeverdachte] die in contact stond met de introducent. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie c.q. onrechtmatige verkrijging van het bewijs wordt verworpen. Ten overvloede overweegt het hof dat geenszins aannemelijk is geworden dat [medeverdachte] door het optreden van [getuige] is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht, nu: 1. [medeverdachte] reeds enkele malen eerder object van onderzoek terzake van handel in harddrugs is geweest, hetgeen ook heeft geresulteerd in twee veroordelingen tot vrijheidsstraf van niet onaanzienlijke duur; 2. van de ontmoeting tussen [medeverdachte] , [getuige] en de pseudo- kopers op 11 mei 1990 proces-verbaal is opgemaakt bevattende verklaringen van de pseudo-kopers over de interventies van [getuige] en [medeverdachte] Daaruit blijkt dat de inbreng van [getuige] in dit gesprek nagenoeg nihil is geweest; 3. uit de processen-verbaal betreffende de contacten tussen de pseudo-kopers en [medeverdachte] voorts onder meer blijkt dat: - [medeverdachte] op 11 mei 1990 eigener beweging een grotere hoeveelheid amfetamine aanbood dan waarom werd gevraagd; - [medeverdachte] op 2 juli 1990 zijnerzijds informeerde naar een verdere levering; - [medeverdachte] bovendien op 2 juli 1990 behalve amfetamine ook XTC-tabletten te koop aanbood; - [medeverdachte] verklaart dat hij al jaren in de handel zit en alleen maar de beste kwaliteit levert; - [medeverdachte] eigenmachtig de prijs van de eerste vier kilo verlaagt omdat hij op de eerste afspraak voor de levering niet was verschenen. 16. Anders dan in het middel wordt betoogd, ligt in deze overwegingen de verwerping besloten van alle verweren inzake de infiltratie-actie, inclusief het verweer met betrekking tot de "laakbare proceshouding van openbaar ministerie en politie" en het verweer met betrekking tot "het gebrek aan verslaglegging". Met 's hofs vaststelling dat de pseudo-koop niet was gericht op verzoeker en dat tussen de infiltrant en verzoeker nimmer enig contact is geweest, is immers de grond aan alle - voor de beoordeling van de relatie tussen de infiltrant en de [medeverdachte] L. wellicht relevante - verweren dienaangaande komen te vervallen. 17. Het op de voornoemde vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat verzoeker niet in zijn belangen is geschaad door mogelijke onregelmatigheden rond de infiltratie-actie geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor een verdere toetsing van dat oordeel is in cassatie geen plaats. De onderhavige zaak biedt naar mijn mening onvoldoende aanknopingspunten voor herijking van de op dit punt aanvaarde Schutznorm-leer, in die zin dat desalniettemin zou moeten worden aangenomen dat is gehandeld in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde. Van zodanige schending kan toch, althans naar mijn mening, alleen sprake zijn bij schending van enig, in rechte te respecteren, belang van verzoeker zelf. 18. Voorzover wordt aangevoerd dat het hof in het geheel niet is toegekomen - en bij gebrek aan gegevens ook niet kon toekomen - aan een beoordeling van het optreden van de infiltrant, miskent het dat het hof in zijn overweging ten overvloede heeft overwogen dat en waarom niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte] , de enige verdachte voor wie de onregelmatigheden bij de infiltratie-actie gevolgen zouden kunnen hebben, tot andere handelingen is gebracht dan die waarop zijn opzet reeds was gericht. 19. In het vierde middel wordt erover geklaagd dat het onder 1 bewezenverklaarde feit, inhoudende dat verzoeker heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. 20. Het hof heeft naar mijn mening kunnen oordelen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband als bedoeld in art. 140 Sr en dat verzoeker daaraan heeft deelgenomen. 21. Anders dan in het middel wordt betoogd, kan de enkele omstandigheid dat het tot bewijs gebezigde stamproces-verbaal met betrekking tot de daarin vermelde informatie niet inhoudt op welke wijze die informatie bij de RCID bekend is geworden, niet leiden tot de conclusie dat dit proces-verbaal in zoverre niet bruikbaar is voor het bewijs. 22. Met betrekking tot de in het middel geuite veronderstelling dat de bij de RCID bekende informatie afkomstig is van een anonieme tipgever moet worden opgemerkt dat dit door het hof niet is vastgesteld terwijl hieromtrent ter terechtzitting niets is aangevoerd. Voor nader onderzoek van deze speculatie is in cassatie geen plaats. Hetzelfde geldt voor de veronderstelling dat de informatie afkomstig is van de infiltrant [getuige] De klachten over schending van art. 344 lid 3 Sv, die voortborduren op deze speculaties, kunnen derhalve onbesproken blijven. 23. Maar ook indien ervan uit zou worden gegaan dat het stamproces-verbaal moet worden opgevat als een proces- verbaal houdende verklaringen van een anonieme tipgever of van de infiltrant [getuige] , behoeven de dienaangaande in het middel aangevoerde klachten om de volgende redenen niet tot cassatie te leiden. 24. Voor wat betreft de mogelijkheid dat een anonieme tipgever de gebezigde informatie aan de RCID heeft verstrekt, moet worden vooropgesteld dat in casu de Wet van 11 november 1993, Stb. 603, die op 1 februari 1994 in werking is getreden, niet van toepassing is aangezien de inleidende dagvaarding vóór 1 februari 1994 is uitgebracht. Dit brengt mee dat in casu de voordien in de jurisprudentie ontwikkelde regels van toepassing zijn. Derhalve geldt dat een proces-verbaal houdende een verklaring van een anoniem gebleven persoon, in beginsel slechts bruikbaar is voor het bewijs indien de verklaring is afgenomen door een rechter die de identiteit van de getuige kent en die in het proces-verbaal van verhoor gemotiveerd heeft doen blijken van zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de getuige en omtrent diens wens anoniem te blijven, en die de verdediging in de gelegenheid heeft gesteld aan de getuige vragen te (doen) stellen. Deze regel lijdt evenwel uitzondering in het onderhavige geval aangezien de verdediging niet op enig moment in het geding de wens te kennen heeft gegeven de anonymus te willen (doen) ondervragen en de bewezenverklaring van feit 1 in overwegende mate berust op bewijs uit niet-anonieme bron. Onder deze omstandigheden stond niets eraan in de weg het stamproces-verbaal, ook in zoverre, tot bewijs te bezigen. 25. Voor wat betreft de mogelijkheid dat de bedoelde informatie door [getuige] als infiltrant aan de RCID is verstrekt, kan worden opgemerkt dat [getuige] bezwaarlijk als anonymus kan worden beschouwd, zodat de aan het huidige art. 344 lid 3 Sv voorafgaande, in de rechtspraak ontwikkelde regels niet relevant zijn. Mede gelet op 's hofs redenen om af te zien van een nader verhoor van [getuige], stond naar mijn mening geen rechtsregel eraan in de weg het proces-verbaal voorzover houdende verklaringen van [getuige] tot het bewijs te bezigen. 26. Het hof heeft de in vorenbedoeld proces-verbaal vervatte mededelingen kennelijk aldus verstaan - en ook kunnen verstaan - dat de verbalisanten tot uitdrukking hebben gebracht dat hetgeen zij vermoedden, telkens werd bevestigd door hetgeen zij hebben waargenomen en ondervonden. 27. ' s Hofs overweging met betrekking tot het beroep op het zwijgrecht van verzoeker en zijn medeverdachte moet aldus worden verstaan dat het hof als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat verzoeker noch zijn medeverdachte een redelijke verklaring heeft gegeven voor de uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheid dat het te dezen om illegale handelsactiviteiten ging. Een dergelijk gebruik voor het bewijs van iemands beroep op zijn zwijgrecht is niet ontoelaatbaar. De omstandigheid dat dit bij de steller van het middel een "naar gevoel" achterlaat, is spijtig, maar levert geen grond voor cassatie op. 28. Tot slot vermag ik niet in te zien dat 's hofs nadere bewijsoverweging waarin wordt uiteengezet welke conclusie het hof heeft getrokken uit de in de bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden, blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk zou zijn. 29. De middelen falen derhalve, met uitzondering van de tweede klacht van het tweede middel. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, met vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad geraden voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Zie HR 16 september 1996, NJ 1997, 121. Deze zaak hangt samen met 111.275 waarin heden eveneens conclusie wordt genomen. Gelet ook op de geen detail vermijdende toelichting kan geredelijk worden betwijfeld of de voorgestelde middelen vallen onder de categorie waarop uitspraak van J. Boré, La cassation en matière pénale, Parijs, 1985, blz. 903 betrekking heeft: "Le moyen bref a bonne presse". Vgl. HR 2 maart 1993, NJ 1993, 672 nt ThWVV; HR 4 oktober 1994, DD 95.032. In de toelichting op het derde middel wordt bovendien nog aangeroerd dat [getuige] zich op zijn verschoningsrecht kon beroepen in verband met een tegen hem in Duitsland gestarte procedure. Vgl. HR 31 maart 1998, NJ 1998, 812 nt. Kn; HR 12 mei 1992, DD 92.322. Vgl. HR 22 september 1998, NJ 1998, 814. Vgl. HR 18 december 1990, NJ 1991, 343 nt. ThWVV; HR 23 april 1996, NJ 1997, 370 en HR 8 juni 1999 nr. 109.864. Zie ook de rechtspraak en literatuur die is vermeld in de conclusie van mr. Keijzer d.d. 8 juni 1999 in zaak nr. 112.090 ad middel III. Vgl. de studiepocket Cassatie in strafzaken, 4e druk, blz. 222-223. Vgl. HR 3 februari 1998, NJ 1998, 645. Zie de bespreking van het eerste middel. Vgl. HR 24 november 1981, NJ 1982, 138 nt. ThWvV. Vgl. de in het middel genoemde uitspraak, alsmede EHRM 8 februari 1996 (Murray), NJ 1996, 725 nt. Kn; HR 13 juni 1997, NJ 1997, 584; HR 18 mei 1999, nr. 109.076.