← Nederland

ECLI:NL:PHR:1999:ZD5163

Nr. 110.761 Zitting 01 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College,

  1. Wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon terwijl hij feitelijk leidinggever was, is verzoeker bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden.
  2. Namens verzoeker heeft mr P.J.R.M. Kallen, advocaat te Zeist een middel van cassatie voorgesteld.
  3. Wat in de schriftuur nu precies als cassatiemiddel wordt voorgesteld is mij niet helemaal duidelijk, maar ik lees de schriftuur maar aldus dat hierin de klacht ligt besloten dat het hof ten onrechte het Openbaar Ministerie wegens overschrijding van de termijn redelijke niet niet- ontvankelijk heeft verklaard in zijn strafvervolging.
  4. Het hof heeft het ter zitting gevoerde verweer als volgt samengevat: "De raadsvrouw heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte verklaard dient te worden. Zij heeft daartoe betoogd dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de vervolging van verdachte niet heeft plaatsgehad binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij heeft zij onder meer aangevoerd dat de vervolging van verdachte is aangevangen in december 1991, toen verdachte is gehoord met betrekking tot de in de inleidende dagvaarding onder 2 vermelde feiten en de ad informandum gevoegde feiten ( ... ). " en verworpen: "Verdachte kon vanaf de dag waarop hij in verzekering is gesteld (11 januari 1994) redelijkerwijs verwachten dat hij in de onderhavige zaak strafrechtelijk zou worden vervolgd. Het hof neemt deze datum als uitgangspunt bij de beoordeling of verdachte in strijd met artikel 6 EVRM langer dan redelijk is, heeft moeten leven onder de dreiging van een strafvervolging. Daaraan doet niet af dat verdachte reeds op 10 en 13 december 1991 door opsporingsambtenaren is gehoord met betrekking tot onder meer de ad informandum gevoegde feiten. ( ... ) Voor wat betreft de duur van de strafvervolging na 11 januari 1994 overweegt het hof het volgende. Het onderzoek ter zitting in eerste aanleg heeft plaatsgehad op 24 oktober 1995, waarna vonnis is gewezen op 7 november 1995, derhalve nog binnen een redelijke termijn. Verdachte heeft op 9 november 1995 hoger beroep doen instellen. Het onderzoek ter terechtzitting van dit hof is aangevangen op 26 november
  5. In deze fase van de vervolging is de redelijke termijn niet in acht genomen. Dit heeft echter nog geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging, omdat - gelet op de ernst van de ten laste gelegde feiten - het algemene belang van de handhaving van het recht tot strafvervolging zwaarder dient te wegen dan het belang dat verdachte heeft bij het ontvallen van dat recht. De omstandigheid dat op 26 november 1997 het onderzoek ter zitting is geschorst en op 23 februari 1998 is hervat, kan op deze belangenafweging niet van invloed zijn. Het betreft immers een schorsing van beperkte duur, op verzoek van de verdediging en in het belang van de verdachte opdat zou worden onderzocht of de onderhavige zaak tegelijk kon worden behandeld met een andere zaak waarin hoger beroep was ingesteld en waarin de verdachte in eerste aanleg was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met de termijnoverschrijding. “
  6. Deze overwegingen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft vastgesteld dat er sprake was van schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn en heeft daarna het belang dat de verdachte heeft bij niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie afgewogen tegen het belang dat de maatschappij heeft bij strafvervolging, waarbij belang volgens het hof zwaarder woog dan het belang van de verdachte. Het hof mocht naar mijn mening in zijn oordeel mede betrekken dat een gedeelte (ongeveer drie maanden) van het tijdsverloop is opgetreden naar aanleiding van een verzoek van de verdediging. Mij is niet duidelijk in welk opzicht de steller van het middel meent dat verzoeker onevenredig is getroffen door het uitblijven van voeging van de zaken. Indien de steller meent dat verzoeker op deze manier bij de strafoplegging onevenredig wordt getroffen, ziet het er aan voorbij dat in dit geval het hof bij het uitblijven van voeging van de onderhavige zaak en de zaak waarbij verzoeker veroordeeld is en waartegen ook appel is ingesteld, bij de straftoemeting op grond van art. 63 Sr toch rekening moet houden - en dit ook heeft gedaan - met die eerdere veroordeling. Het middel faalt.
  7. Het middel is ondeugdelijk. Het leent zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
  8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.