Nr. 111.346 Zitting 29 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoekster] Edelhoogachtbaar College,
- Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoekster op 25 mei 1998 voor bijstandsfraude veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren.
- Mr J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie. 3.
- Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de inleidende dagvaarding niet heeft nietigverklaard, althans een daartoe strekkende verweer ontoereikend heeft verworpen. In het arrest is hieromtrent het volgende te lezen: Door de raadsman is ter terechtzitting het volgende verweer gevoerd. De dagvaarding dient nietig te worden verklaard, aangezien de tenlastelegging onvoldoende feitelijk en te vaag is omschreven. In de tenlastelegging is niet opgenomen dat verdachte telkens enige gegevens zou hebben verzwegen en ook niet op welke momenten zij deze gegevens zou hebben verzwegen. Verdachte kan zich hiertegen niet verdedigen. Het hof verwerpt het beroep op nietigheid van de dagvaarding. De tenlastelegging is naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk en voldoende naar tijd en plaats bepaald. Ook overigens voldoet de tenlastelegging aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Voorts is blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat verdachte niet wist tegen welke gedragingen zij zich diende te verdedigen. 3.
- Als ik het goed begrijp is de strekking van het middel dat in de telastelegging niet tot uiting komt wanneer wat verzwegen zou zijn. Het middel gaat uit van een onjuist begrip van het delikt. Het verzwijgen vindt plaats gedurende de gehele periode waarin verzoekster een bijstandsuitkering kreeg. Gedurende de gehele periode was verzoekster steeds verplicht melding te maken van gegevens die voor haar uitkering van belang zouden kunnen zijn en gedurende die hele periode heeft zij dat nagelaten. De telastelegging noemt een aantal gegevens die verzoekster niet zou hebben gemeld. De verzwijging van al die gegevens is voorwerp van het onderzoek door de strafrechter. Dat het meerdere gegevens betreft doet aan de duidelijkheid van de telastelegging niet af. Het hof heeft ook vastgesteld dat verzoekster wist wat aan haar werd verweten. Het eerste middel faalt. 4.
- Het tweede middel stelt dat het hof verzoekster voor meer heeft veroordeeld dan haar was telastegelegd. De toelichting op het middel stelt dat de telastelegging ziet op slechts één feit, terwijl het hof voor meerdere feiten heeft veroordeeld. 4.
- Het middel miskent dat is telastegelegd dat verzoekster gedurende een bepaalde periode gegevens heeft verzwegen. Dat verzwijgen is gedurende de gehele periode telkens weer begaan. Telkens heeft verzoekster - aldus verklaarde zij zelf blijkens bewijsmiddel 1 - op formulieren "nee" ingevuld bij vragen naar rekeningen, inkomsten en bezittingen. Het hof heeft klaarblijkelijk gemeend dat verzoekster in ieder geval telkens op die momenten van invullen heeft verzwegen. Maar ook op andere momenten was verzoekster verplicht uit eigen beweging de verzwegen gegevens te melden. Het hof heeft dus niet meer bewezenverklaard dan is telastegelegd. Het tweede middel faalt. 5.
- Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat verzoekster het oogmerk had om voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te behouden. 5.
- Het arrest bevat de volgende relevante passages: Door de raadsman van verdachte is betoogd dat de verdachte niet de bedoeling had enige gegevens te verzwijgen. Zij verklaarde immers op 18 december 1992 telefonisch dat zij veel van haar kinderen kreeg en ook regelmatig bij haar kinderen of familie at (doorgenummerde pagina 084). Deze mededeling had voor de gemeentelijke sociale dienst aanleiding moeten zijn haar nadere vragen te stellen. Van een oogmerk op het behouden van bijstand of van hogere bijstand kan onder deze omstandigheden geen sprake zijn. Het hof verwerpt dit verweer. De vragen die de verdachte in de hierboven onder 4,5 en 6 vermelde en door haar ondertekende formulieren diende te beantwoorden, zijn specifiek en gedetailleerd. Zij maken duidelijk dat verdachte met betrekking tot de perioden waarop deze formulieren betrekking hebben alle op haar naam staande bankrekeningen en de saldi daarvan diende te vermelden, zowel als al haar inkomsten, met inbegrip van de bedragen die zij voor eigen gebruik opnam van de rekening van haar zoon. Niet is gebleken dat zij de inhoud en de strekking van deze vragen niet heeft begrepen. Daaraan doet de (eenmalige) mededeling van verdachte dat zij veel van haar kinderen kreeg niet af De inhoud van deze mededeling is overigens niet zodanig concreet dat de gemeentelijke sociale dienst daaruit had moeten opmaken of moeten vermoeden dat verdachte over andere rekeningen kon beschikken dan de rekening waarop haar uitkering werd gestort. 5.
- Wanneer men, expliciet bevraagd naar rekeningen, inkomsten, bezittingen, dergelijke vragen niet of onjuist invult, wetende dat er wél inkomsten, rekeningen en bezittingen zijn, moet men beseffen dat deze vragen worden gesteld in verband met de vaststelling van de uitkering en dat de uitkering in ieder geval gehandhaafd blijft als die inkomsten etc. voor de sociale dienst verborgen blijven. Dát ligt ook besloten in de aangehaalde overweging. Overigens doet de steller van het middel in de toelichting een beroep op omstandigheden die in cassatie niet vast staan. Ik doel op de stelling dat verzoekster verschillende mededelingen heeft gedaan van betalingen aan haar of van haar ter beschikking gestelde financiële middelen. Het hof heeft het bestaan van het oogmerk uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Of die afleiding juist is onttrekt zich aan de toetsing in cassatie. Het derde middel faalt.
- De voorgestelde middelen falen en kunnen mijns inziens op de voet van art. 101 RO worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,