Mr. Hartkamp Conclusie inzake nr. C98/181 HR 1) [Huurkoper 1] 2) [huurkoper 2] zitting 22 oktober 1999 Tegen Arenda B.V. Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop 1) De in cassatie vaststaande feiten blijken uit het in cassatie bestreden vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 1997, r.o. 5, in verband met de in dat vonnis onder 3.2 geciteerde overwegingen van de kantonrechter. Kort gezegd gaat het om het volgende. De eisers tot cassatie (hierna: de [huurkopers]) hebben een "tripartite lease-overeenkomst" (zijnde een huurkoop-overeenkomst in de zin van art. 7A:1576h e.v. BW) gesloten met een leverancier en met de verweerster in cassatie (hierna: de financier). Bij deze overeenkomst droeg de leverancier keukenmeubilair en _apparatuur ("een keuken") in eigendom over aan de financier en gaf deze de zaken "in lease" aan de [huurkopers]. De [huurkopers] hebben een aanbetaling gedaan en zich tot termijnbetalingen aan de financier verplicht. Nadat de keuken was geïnstalleerd zijn door de [huurkopers] klachten met betrekking tot de deugdelijkheid van de keuken geuit die naar hun zeggen deels niet zijn verholpen. Daarop hebben zij de termijnbetalingen aan de financier opgeschort. 2) De door de financier ingestelde rechtsvordering tot betaling is door de kantonrechter toegewezen. Naar zijn oordeel had de financier louter de positie van kredietverlener en heeft hij geheel aan zijn verplichtingen voldaan. Klachten met betrekking tot de deugdelijkheid van de overgedragen zaken kunnen slechts tegen de leverancier worden geldend gemaakt. Dat is niet anders nu de aanvraag van het krediet feitelijk door de leverancier is verzorgd. Door de overdracht van de zaken aan de financier zijn de [huurkopers] niet benadeeld: aangezien de leverancier geheel is voldaan kon tegen hem nooit een opschortingsrecht geldend worden gemaakt; rechten terzake van gebreken kunnen de [huurkopers] nog steeds tegen de leverancier geldend maken. 3) De rechtbank heeft het vonnis bekrachtigd. Uit de huurkoopbepalingen volgt naar haar oordeel niet dat de [huurkopers] een opschortingsrecht tegen de financier hebben (r.o. 9.3); zulks te minder nu in art. 45 Wet op het consumentenkrediet een bijzondere regeling is getroffen, waarvan niet is gesteld of gebleken dat zij in casu toepasselijk is (r.o. 9.4). In feite verkeren de [huurkopers] in eenzelfde positie als een koper die contant betaalt aan zijn leverancier of een koper die bij zijn eigen bank een kredietovereenkomst sluit en met dat aldus verkregen krediet zijn leverancier voldoet (r.o. 9.5). Wat betreft de stelling van de [huurkopers] dat er in hun perceptie slechts sprake is van een twee-partijen overeenkomst (tussen hen enerzijds en de financier/leverancier anderzijds) overweegt de rechtbank dat de leverancier weliswaar heeft bemiddeld bij het tot stand komen van de financiering, maar dat uit de toelichting en voorwaarden in het voorlichtingsmateriaal en uit de tripartite-overeenkomst zelf voldoende blijkt dat de financiering wordt verzorgd door een vennootschap (de financier) die is "gelieerd aan de NMB/POSTBANK GROEP"; hieruit kan in ieder geval niet worden afgeleid dat de financier de positie van leverancier heeft overgenomen dan wel dat hij moet worden vereenzelvigd met de leverancier (r.o. 12). 4) De [huurkopers] hebben tegen het vonnis tijdig beroep in cassatie ingesteld. In onderdeel B van de dagvaarding worden zeven klachten voorgesteld. De klachten zijn schriftelijk toegelicht. Tegen de financier is verstek verleend. Bespreking van het cassatiemiddel 5) Vooropgesteld moet worden dat de Hoge Raad na het rechtbankvonnis in deze zaak (18 juni 1997) het arrest van 23 januari 1998, NJ 1999, 97 m.nt. JBMV inzake [J]/FCN heeft gewezen. In dat arrest is onder meer beslist dat de aard van een rechtsverhouding als bedoeld in art. 7A:1576h lid 3 wijst op het ontstaan van een verbondenheid tussen de verschillende contractuele relaties in die zin dat een vernietiging of ontbinding van de overeenkomst tussen de huurkoper en de huurverkoper tot gevolg heeft dat de overeenkomst tussen de huurkoper en de financier evenmin in stand kan blijven (en zulks ongeacht of sprake is van een driepartijenovereenkomst of van afzonderlijke overeenkomsten). Of die verbondenheid in het gegeven geval moet worden aanvaard hangt volgens de Hoge Raad af van de uitleg van de rechtsverhouding in het licht van de omstandigheden; enige relevante omstandigheden - die ook in de onderhavige zaak een rol spelen of kunnen spelen _ worden in het arrest opgenoemd. Het arrest is besproken door Hondius, NTBR 1998, p. 194-196 en (uitvoerig) door F.W.J. Meijer, WPNR 6329/30
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.