Nr. 1273 Mr. Ilsink Derde Kamer B Conclusie inzake: Onteigening
- Martinus Cornelis Wouters Zitting, 20 oktober 1999
- Johannes Martinus Henricus Cornelis Wouters
- Rhee-Bra C.V.
- Bouwbedrijf Van Rhee B.V. tegen de gemeente Oirschot Edelhoogachtbaar College,
- Feiten en procesverloop 1.
- Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft de raad van de gemeente Oirschot (hierna: de gemeente) besloten ingevolge het bepaalde bij art. 77, eerste lid, onder 1°, van de Onteigeningswet (Ow.), ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan "PIROC-Strijpsche Kampen"<
(1)Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de gemeenteraad, op 19 december 1996 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en op 4 mei 1998 onherroepelijk geworden. >, ten name van de gemeente onder meer te onteigenen de percelen, kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie E, nrs. 1089 (grondplannr. 29), groot 04.75.00 ha, zijnde bouwland en 1103 (grondplannr. 32), groot 00.31.00 ha, zijnde eveneens bouwland. Beide percelen stonden ten name van eiser tot cassatie sub 1, Martinus Cornelis Wouters (hierna: M.C. Wouters). Bij Koninklijk Besluit van 30 juni 1997, no. 97.003107, Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135 (hierna: het KB) is voormeld raadsbesluit inzoverre goedgekeurd. < ? > 1.
- Bij exploit van 19 oktober 1998 heeft de gemeente M.C. Wouters doen dagvaarden voor de rechtbank te `s- Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en onder meer gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te spreken van voormelde onroerende zaken. 1.
- Bij vonnis van 26 maart 1999, nr. 31235 / HA ZA 98-2549, heeft de rechtbank eiser tot cassatie sub 2 Johannes Martinus Henricus Cornelis Wouters (hierna: J.M.H.C. Wouters), die pachter is van de te onteigenen percelen, toegelaten als tussenkomende partij en het verzoek van eiseres tot cassatie sub 3 de commanditaire vennootschap Rhee-Bra C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en van eiseres tot cassatie sub 4 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee B.V. (hierna: Van Rhee B.V.), beherend vennote van Rhee-Bra C.V., om in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de gevorderde onteigening uitgesproken; de voorschotten op de schadeloosstelling voor M.C. Wouters en J.M.H.C. Wouters bepaald op onderscheidenlijk ƒ 278.100,-- en ƒ 127.955,70; en drie deskundigen en een rechter- commissaris benoemd. 1.
- Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen. 1.
- De gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één middel. 1.
- Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van 13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd. 1.
- Heden neem ik ook mijn conclusie in de soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1272 en 1274 tot en met 1276 zijn geregistreerd. Er zitten geen wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover er verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4, vinden die hun verklaring in verschillen in de feitelijke constellatie.
- De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. in het cassatieberoep 2.
- In haar schriftelijke toelichting van 9 juli 1999 heeft de gemeente betoogd dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoek om in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen heeft afgewezen, op de grond dat zij geen derde- belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid, Ow. 2.
- Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen afgewezen, op de grond dat zich in dit geval de situatie van "tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3, derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de overgelegde akte van levering d.d. 22 januari 1999 weliswaar blijkt dat M.C. Wouters aan Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. een onverdeeld aandeel heeft geleverd in de in het geding zijnde percelen, doch dat van de inschrijving van de notariële akte in de daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor de voltooiing van de voor de overdracht van onroerende zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd, zodat, gelet op de betwisting door de gemeente, niet in rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. mede-eigenaar zijn geworden van de te onteigenen percelen. 2.
- Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de exceptie niet bij conclusie van antwoord is voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde is.<
(2)Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde druk
(1989), §
- > In wezen betoogt de gemeente immers dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het onteigeningsgeding. 2.
- Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de consignatie van gelden.<
(3)In de onderhavige zaak heeft de rechtbank consignatie van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege gelaten, omdat geen van de partijen heeft aangegeven voor welk bedrag consignatie zou moeten plaatsvinden, het belang van interveniënten zeer gering is en zij een samenwerkingsovereenkomst hebben met M.C. Wouters. > 2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt. E.M.M. overwoog Uw Raad: " (blz. 1692) O. dat de gemeente ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de onteigening heeft uitgesproken met vaststelling van het bedrag der schadevergoeding en bepaling dat dat bedrag zal worden geconsigneerd] ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond, dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te onteigenen percelen is tegengesproken; dat dit verweer moet worden verworpen; (?) dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om [een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht op het goed in het geding te mogen tusschenkomen] te beletten in het geding tot onteigening te blijven waken tegen krenking van de door hem beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek naar het bestaan dier betwiste rechten uit te sluiten; dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35 en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op het te onteigenen goed is tegengesproken, desondanks rangschikken onder de belanghebbenden en toelaten tot uitoefening van zekere bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij pleidooi heeft ontwikkeld; dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn conclusieën de onteigening is uitgesproken van perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een naar zijn stellingen te laag bedrag; dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie open staat tegen dit vonnis, dat beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te zijn, en het voor de bescherming van zijn - mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van "partij" slechts schijnt te willen geven, behalve aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het goed niet wordt tegengesproken; dat toch uit die woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet - den kring van hen, voor wie de voorziening in cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen, niets wordt aangetroffen, dat wijst op een beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze wet partijen noemt"<
(4)Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz. deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss. RUU
(1984), blzz. 530-
- > 2.
- Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden ontleend voor de beantwoording van de vraag of Rhee- Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening? 2.
- Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening voor de rechtbank<
(5)Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996, 615, m. nt. MB. > uitgeput. Op hetgeen verzoeksters tot tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening. 2.
- De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden ontvangen. Beoordeling van het principaal cassatieberoep
- Cassatiemiddel I 3.
- De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stelllingen van M.C. Wouters blijkt dat destijds geen sprake was van enige reële mogelijkheid tot zelfrealisatie - hij spreekt in dit verband van een inmiddels volledig gewijzigde situatie - zodat er in zoverre alleszins noodzaak was tot onteigening en de overheid aldus in redelijkheid tot het onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen positief kan worden beantwoord indien er op basis van de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig, althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de rechtbank. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat M.C. Wouters niet de noodzakelijke details geeft over de exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie en de praktische uitvoering daarvan en dat de gemeente gemotiveerd heeft bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Zij kan zich op basis hiervan in feite geen goed oordeel vormen over de vraag of M.C. Wouters in samenwerking met Rhee-Bra en met anderen inderdaad technisch, financieel en praktisch tot zelfrealisatie van de op grondeigendommen waar het om gaat rustende bestemming in staat is. De rechtbank acht een nader tijdrovend feitenonderzoek door middel van bewijslevering op dit punt in strijd met de spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient te worden. Op grond van het voorafgaande beantwoordt de rechtbank voormelde vraag ontkennend. 3.
- Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen positief kan worden beantwoord indien er op basis van de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de gedaagde partij - samen met anderen - zelf de bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich verzetten tegen feitenonderzoek door middel van bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek door middel van bewijslevering van de gestelde mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient te worden, is volgens eisers tot cassatie sub 1 en 2 zonder nadere redengeving onbegrijpelijk. 3.
- In hun conclusies van antwoord voor de rechtbank d.d. 13 november 1998 hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2 aangevoerd: "
- M.C. Wouters is inmiddels met [Rhee-Bra C.V.] op 3 juli 1998 (?) een overeenkomst aangegaan waarbij partijen hebben uitgesproken dat zij samen willen werken met als doel de eigendom van gedaagde zo spoedig mogelijk te gaan ontwikkelen en daartoe een exploitatie-overeenkomst aan te gaan met de gemeenten Eindhoven c.q. Oirschot en/of eventuele derden daaronder begrepen het Ministerie van Defensie teneinde het bestemmingsplan "Piroc-Strijpsche Kampen" van de gemeente Oirschot/ Eindhoven zelf te realiseren. Deze overeenkomst heeft [J.M.H.C.] Wouters in zijn hoedanigheid van pachter mede ondertekend.) (?) Rhee-Bra is uitermate in staat om met en in opdracht van M.C. Wouters het bestemmingsplan te realiseren. Immers Rhee-Bra heeft inmiddels, door met verschillende eigenaren/belanghebbenden binnen het plangebied gelijkluidende overeenkomsten te sluiten, de beschikking over een zeer groot grondoppervlak - circa 50 ha - binnen voornoemd plan. Voorts beschikt Rhee-Bra over een bouwbedrijf met voldoende technische en financiële middelen om de door de overheid voorgestane planuitvoering binnen de door de overheid gestelde termijnen en binnen de door de overheid te stellen voorwaarden en voorschriften te realiseren. [J.M.H.C.] Wouters en M.C. Wouters zijn bereid om binnen het door de overheid te stellen kader het bestemmingsplan te realiseren. Er bestaat derhalve voor de gemeente gelet op de mogelijkheid van zelfrealisatie geen enkele noodzaak tot onteigening.
- Ten opzichte van het [KB van 30 juni 1997], is er thans sprake van een volledig gewijzigde situatie. Was er ten tijde van het nemen van genoemd besluit nog geen sprake van dat de betrokken eigenaren/belanghebbenden zelf in staat waren tot zelfrealisatie, nu is dat wel het geval. Thans beschikken zij door het sluiten van de hiervoor genoemde overeenkomst over een grondoppervlakte van circa 50 ha, zijnde 50% van het plangebied. Zoals gezegd is een samenwerking aangegaan met een deskundige ontwikkelaar/aannemer die in staat is tot realisering van het bestemmingsplan. [M.C. en J.M.H.C.] Wouters conclude[ren] derhalve dat gegeven deze nieuwe omstandigheden de toetsing van de onteigeningstitel ten aanzien van de zelfrealisatie door Uw Rechtbank voor de hand ligt." Voorts hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2 bewijs aangeboden, in het bijzonder door middel van het horen van getuigen, van hun stelling dat zij in staat zijn het bestemmingsplan zelf te realiseren (zie onderdeel 12 van de conclusies van antwoord). 3.
- Het door eisers tot cassatie sub 1 en 2 voor het eerst bij de rechtbank aangevoerde bezwaar dat er gelet op de mogelijkheid tot zelfrealisatie geen noodzaak tot onteigening is, noopt tot een nieuwe belangenafweging, die de (onteigenings)rechter niet mag uitvoeren. Dan zou de rechter immers op de stoel van het bestuur gaan zitten. De noodzaak tot onteigening moet ook in het onteigeningsgeding worden beoordeeld, maar dat kan slechts aan de hand van op die noodzaak betrekking hebbende bezwaren, die zozeer aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg staan dat de belangenafweging, die aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit ten grondslag ligt, niet aan de orde komt. Het door eisers tot cassatie sub 1 en 2 aangevoerde bezwaar stelt die belangenafweging nu juist wel aan de orde.<
(6)Zie onderdeel 3.8 van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW (Willemsens- Maassen en Burgfonds/Dordrecht). > 3.
- Waarom heeft de rechtbank daar dan wel acht op geslagen? Misschien heeft de rechtbank zich (mede) laten leiden door de vonnissen van de rechtbank te `s-Hertogenbosch van 12 mei 1989, NJ 1990, 490 (Helmond/Van Mullekom) en van de rechtbank te Arnhem van 28 maart 1996, nr. ON 1995/1041 (Nijkerk/Van Hell en Landman en Bouwfonds Woningbouw B.V.), waarvan ik de relevante overwegingen heb geciteerd in de onderdelen 3.4 en 3.5 van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW (Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht). 3.
- Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.5 vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende belangenafweging, maar op een vaststelling van de feiten. 3.
- De gemeente heeft, anders dan de gemeenten in de onder 3.5 vermelde zaken, gemotiveerd bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Mij dunkt dat daarmee voor eisers tot cassatie sub 1 en 2 het doek valt. Ik meen voor die opvatting voldoende aanknopingspunten te kunnen vinden in rov. 3.3 van HR NJ 1999, 411, waarin Uw Raad onderdeel 2 van het middel heeft verworpen, zulks onder verwijzing naar, onder meer, onderdeel 3.9 van mijn conclusie in die zaak. Weliswaar hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2 aangeboden te bewijzen dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, maar dat aanbod kan niet tot iets leiden. Immers, de vraag of zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, kan slechts worden beantwoord in het kader van een bestuurlijke belangenafweging en niet van een rechterlijke. De klacht dat de rechtbank het bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, faalt dus bij gebrek aan belang. 3.
- Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
- Cassatiemiddel II 4.
- Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling - waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeente onvoldoende serieus heeft onderhandeld. Voorts zou de rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij - tegen de stelling van het tegendeel in - tot het oordeel is gekomen dat het standpunt van de gemeente niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden aangemerkt. 4.
- Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow., waarin de eis wordt gesteld dat voor de ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de onteigenende partij de te onteigenen zaak bij minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en 4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999, 24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat, van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens- Maassen en Burgfonds/Dordrecht). 4.
- Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5: "Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij dient die partij niet te werk te gaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is, in welk geval immers te kort zou worden gedaan aan de strekking van het artikel dat is gericht op het zo mogelijk vermijden van een rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening (...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)." 4.
- In onderdeel 12 van hun conclusies van antwoord voor de rechtbank hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2 bewijs aangeboden, in het bijzonder door middel van getuigen, van hun stelling dat de gemeente in de periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze pogingen heeft ondernomen om te komen tot minnelijk overleg. 4.
- De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in § 4.3 hiervoor geciteerde rechtsregels - de correspondentie besproken die tussen de raadsman van de gemeente enerzijds en de raadsman van eisers tot cassatie sub 1 en 2 anderzijds in de periode tussen 21 juli en 23 oktober 1998 is gevoerd naar aanleiding van de aanbiedingen die de raadsman van de gemeente bij brieven van 21 juli 1998 aan de raadsman van eisers tot cassatie sub 1 en 2 heeft gedaan om te trachten de eigendom van de ter onteigening aangewezen percelen vrij van pacht bij minnelijke overeenkomst te verwerven.<
(7)Deze correspondentie is door de raadsman van de gemeente ter zitting van 26 januari 1999 in het geding gebracht. > De rechtbank komt op basis daarvan tot de conclusie dat: "de gemeente in de relevante periode een aanbod heeft gedaan en een redelijke tijd heeft gegeven om daarop inhoudelijk in te gaan. Gesteld noch gebleken is dat tevoren door vertegenwoordigers/taxateurs van de gemeente een bindend aanbod is gedaan. Tevens heeft de gemeente een specificatie verschaft. Op basis van de briefwisseling kan worden geconcludeerd dat de standpunten van partijen ver uiteen lagen en dat er geen redelijke kans was op een vergelijk. Nu het standpunt van de gemeente niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden aangemerkt heeft zij aldus, mede in aanmerking genomen het door [M.C.] Wouters bij genoemde brief d.d. 23 oktober ingenomen standpunt, voldoende serieus onderhandeld. De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de gemeente ten aanzien van M.C. Wouters niet in strijd met [art. 17 Ow.] heeft gehandeld. (?) De rechtbank komt op dezelfde gronden als hiervoor aangegeven [tot de slotsom] dat t.o.v. J.M.H.C. Wouters niet in strijd is gehandeld met [art. 17 Ow.]." 4.
- Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de rechtbank dat de gemeente niet in strijd met art. 17 Ow. heeft gehandeld mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nu de gemeente in ieder geval vanaf 21 juli 1998 voldoende serieus heeft onderhandeld en de rechtbank - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld dat in de periode daarvoor door vertegenwoordigers/taxateurs van de gemeente geen bindende aanbiedingen zijn gedaan, hoefde de rechtbank niet op het bewijsaanbod in te gaan. 4.
- Bij brieven van 17 september 1998 heeft de raadsman van de gemeente de aanbiedingen van 21 juli 1998 gespecificeerd. Vervolgens heeft hij bij brief van 14 oktober 1998 aan de raadsman van eisers tot cassatie sub 1 en 2 meegedeeld: "In antwoord op Uw brief d.d. 6 oktober jl. deel ik U mede dat de [gemeente] niet bereid is met de door U gevraagde schadeloosstellingen, die bijna het dubbele vormen van het aangeboden bedrag, accoord te gaan. De ter onteigening aangewezen percelen zijn verpacht. Vergelijkbare grond: het perceel Gemeente Oirschot Sectie E nr. 1084 groot 19.21.00 HA is aangekocht van Philips Electronics NV als verpachte grond voor 5,50 per m? (koopovereenkomst 12 december 1996; notariële akte 20 december 1996). Daarmede is de thans geboden prijs van ƒ 6,-- per m? voor verpachte grond alleszins in overeenstemming. Aankoop van pachtvrije grond en dan nog wel voor ƒ 15,-- per m? leidt tot een bedrag dat veel te ver verwijderd is van de werkelijke waarde/schade op basis van aankoop van verpachte grond met afzonderlijke vergoeding voor de pachter." In dit licht bezien hoefde de rechtbank niet nader te motiveren waarom het standpunt van de gemeente niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden aangemerkt. 4.
- Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.
- Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel 5.
- De gemeente heeft een incidenteel cassatiemiddel voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn conclusie tot verwerping van het principaal cassatieberoep, merk ik het volgende op. 5.
- De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagde na het Koninklijk Besluit van 30 juni 1997 bereid en in staat zou zijn de bestemming waarvoor onteigend wordt, zelf te realiseren, ten onrechte inhoudelijk heeft behandeld, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft slechts onderzocht of eiser tot cassatie sub 1 de noodzakelijke details over de exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie en de praktische uitvoering daarvan heeft verschaft en vastgesteld dat dit niet het geval is en dat de gemeente bovendien gemotiveerd heeft bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Dat moest de rechtbank ook onderzoeken. Indien de rechtbank namelijk feitelijk kan vaststellen dat de noodzaak tot onteigening thans niet meer aanwezig is, omdat de onteigenende partij de desbetreffende stelling van de onteigende niet, althans onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling immers niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende bestuurlijke belangenafweging, maar op een aan de rechter opgedragen vaststelling van de feiten.
- Conclusie Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers tot cassatie sub 3 en 4 in hun cassatieberoep en, beide middelen van het principaal cassatieberoep ongegrond bevindend, tot verwerping van het beroep. De Procureur- Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G