Nr. 112.611 Mr Machielse Zitting: 7 december 1999 Conclusie inzake: P.C.M. van Nijnatten Edelhoogachtbaar College,
(2)Onder meer HR NJ 1997, 724 en 1991, 119. > Dat in art. 167 Sv het opportuniteitsbeginsel is neergelegd waaruit volgt dat aan de officier van justitie - ook in dit verband - binnen de door de wet en de beginselen van behoorlijk bestuur gestelde grenzen enige beleidsvrijheid toekomt, betekent in mijn visie niet dat van de zijde van het openbaar ministerie met vrucht eerst in cassatie (deugdelijke) redenen kunnen worden aangevoerd op grond waarvan van de in de richtlijnen neergelegde vervolgingsbeginselen zou dienen te worden afgeweken, dan wel dat voor het eerst op feitelijke gronden wordt aangevoerd dat deze op bepaalde gronden toepassing missen. In HR NJ 1991, 694 m.nt.C. heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de opvatting dat art. 167 lid 2 het Openbaar Ministerie onder alle omstandigheden de vrijheid geeft al dan niet van vervolging af te zien, zonder daarvoor verantwoording af te leggen, in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard. Beginselen van een behoorlijke procesorde kunnen - aldus de Hoge Raad - onder omstandigheden meebrengen dat het openbaar ministerie naar aanleiding van een desbetreffend verweer motiveert waarom het in een individueel geval tot vervolging overgaat, in afwijking van bij de verdachte gewekt vertrouwen dat van vervolging zou worden afgezien. Van dit laatste is naar mijn mening thans sprake, gelet op de inhoud van de oude en huidige Richtlijnen. Mijn voormalig ambtgenoot Leijten heeft in zijn conclusie vóór genoemd arrest nog het volgende neergelegd. Indien er een algemeen vervolgingsbeleid - uitgaande van het Openbaar Ministerie - voor handen is, zal "flagrante afwijking van dat beleid - zoals dat praktijk wordt toegepast - motivering behoeven en kan het ontbreken daarvan zozeer in strijd zijn met de regels van fatsoenlijke vervolging, dat zulks tot niet- ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging moet leiden". Ik sluit me hier bij aan en voeg daar nog aan toe dat ik een ondeugdelijke motivering in dit verband op één lijn wil stellen met het ontbreken van een motivering. Ook wil ik nog wijzen op de noot onder genoemd arrest. De annotator stelt hierin onder meer dat het "voor de hand ligt" dat verzaking van de hiervoor bedoelde motiveringsplicht leidt tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. "Het volkomen acceptabel dat een orgaan als het Openbaar Ministerie dat over veel macht beschikt, moet uitleggen waarom het anders handelt dan mag worden verwacht". 15. Kortom: 's hofs oordeel omtrent de niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging ten aanzien van het onder 5 en 6 aan verzoeker tenlastegelegde acht ik gelet op het namens verzoeker gevoerde verweer en de respons daarop van het openbaar ministerie toereikend gemotiveerd. 16. Het middel van de procureur-generaal faalt derhalve. 17. Voorzover namens verzoeker het middel van cassatie van de procureur-generaal is tegengesproken behoeft dit gelet op het vorenoverwogene geen bespreking meer. Ik kom dan nu ook toe aan de bespreking van de namens verzoeker ingediende cassatiemiddelen. 18. Het eerste middel heeft betrekking op de feiten 1, 3 en 4. In het middel wordt - in essentie - ten eerste betoogd dat 's hofs bewijsmiddelen ontoereikend zijn voor de bewezenverklaring dat verzoeker giften heeft aangenomen, "wetende" dat die giften hem werd gedaan om hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen. Te weten (
- a)het in de gelegenheid stellen om een goede naam bij (de/een ambtena(a)r(
- en)van) de gemeente Eindhoven te krijgen of te houden in verband met het verstrekken van projecten, en (
- b)het in stand houden of verbeteren van de zakelijke relatie(
- s)met (de/een ambtena(a)r(
- en)van) de gemeente Eindhoven. 19. Het hof heeft aan zijn bewezenverklaringen de volgende nadere overweging omtrent het bewijs gewijd: Met betrekking tot de feiten 1, 3 en 4 overweegt het hof verder dat, gelet op de volgende feiten en omstandigheden: - de belangrijke positie die verdachte inzake ruimtelijke ordening en standsontwikkeling in het ambtelijk apparaat van de gemeente Eindhoven bekleedde; - de omstandigheid dat de giften werden gedaan door de ondernemers die er, ook volgens hun eigen verklaringen, alle belang bij hadden goodwill te kweken bij het ambtelijk apparaat van de gemeente, voorzover direct of indirect belast met bouwaangelegenheden; - de omstandigheden waaronder de giften werden gedaan (de Arubareis werd door verdachte bewust niet gemeld bij zijn chef, aan van Rijswijck en Horyon werden door verdachte "zwarte" betalingen verricht en voor de betalingsconstructie met betrekking tot de keuken werd een valse factuur gebruikt), het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft geweten dat de giften door de verschillende ondernemers aan hem werden gedaan teneinde een tegenprestatie te verkrijgen zoals deze in de bewezenverklaring is omschreven. Ander dan door de verdediging is betoogd acht het hof deze omschrijvingen voldoende concreet. 20. Vooropgesteld ligt - anders dan de steller van het middel veronderstelt - in 's hofs hiervoor weergegeven overweging als zijn kennelijke oordeel besloten dat verzoeker niet alleen "heeft geweten", maar dus ook dat hij "moet hebben begrepen" en "heeft begrepen", dat de door hem aangenomen giften aan hem werd gedaan om hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen. 21. In het middel wordt ten tweede naar ik begrijp geklaagd over de begrijpelijkheid van het hiervoor weergegeven oordeel van het hof. In dit licht wordt erover geklaagd dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet zou blijken dat tussen verzoeker en Van der Hoeven (feit 1) als ook tussen verzoeker en Van Rijswijck (feit 3) na de bewezenverklaarde gift nog enig contact zou zijn geweest. 22. De hiervoor weergegeven klacht geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting van art. 362 Sr. Dat art. 362 Sr een beloning vooraf eist, en niet achteraf, zoals door de steller van het middel in dit verband wordt aangevoerd, staat hier geheel los van. Het gaat er immers gelet op de bewoordingen en bestanddelen van dat artikel om dat de ambtenaar - op het moment dat die de gift aanneemt - weet dat die gift hem is gedaan om in de toekomst iets te doen of na te laten. Zoals in de losbladige editie van het WvSr staat weergegeven, is niet noodzakelijk dat één qua tijd en plaats en verdere details nauwkeurig vaststaande handeling wordt beoogd.<
(3)NLR aant. 2 op art. 362 Sr. > Hieruit volgt onder meer dat niet behoeft vast te staan dat het beoogde handelen of nalaten ook daadwerkelijk is gevolgd. Dit zou ook vreemd zijn. Immers, zou een ambtenaar, die vandaag een gift heeft aangenomen in de wetenschap dat zij hem wordt gedaan om in de toekomst iets te doen of na te laten, en die al na een week na de gift onvoorzien wordt ontslagen, niet vervolgd kunnen worden op grond van art. 362 Sr omdat de door de gever beoogde handeling niet is gevolgd? En zou een ambtenaar evenmin kunnen worden vervolgd voor handelen in strijd met art. 362 Sr omdat de beoogde handeling van de gever nog niet is gevolgd? In mijn optiek moeten deze vragen ontkennend beantwoord worden, zodat het middel op dit punt geen verdere bespreking behoeft.
- Zuiver ten overvloede wijs ik erop dat tussen verzoeker en Van der Houven (feit 1) na de bewezenverklaarde gift nog wel degelijk contact is geweest. Dit volgt uit de verklaring van Wouters dat Van der Houven hem heeft medegedeeld dat er, na de reis naar Aruba die van der Houven onder andere verzoeker en een andere gemeenteambtenaar heeft aangeboden "omdat ze hem in het zadel geholpen hadden" nog "regelmatig contact" tussen Van der Houven en verzoeker is geweest. Voorts heeft Wouters verklaard: "Van der Houven zei toen dat deze reis zeker niet onrendabel was geweest omdat hij na deze reis voor de B.V. gunstige projecten heeft kunnen realiseren" (bewijsmiddel 5). Voor het bewijs van de - veel belangrijker - "link" tussen de gift en het daarmee beoogde doel van de gever is van belang dat Van der Houven in dit verband heeft verklaard dat hij verzoeker uit "een commerciële reden" en "met een zuiver commercieel doel" op de reis naar Aruba heeft gefêteerd (bewijsmiddel 6) en dat hij zulks zag "als goodwill" (bewijsmiddel 8). Voor de "link" tussen de gift en het daarmee beoogde doel van de gever is - wat betreft feit 3 - van belang dat Van Rijswijck (feit 3) heeft verklaard dat hij de bevoordeling van verzoeker door de gift ter besparing op verzoekers keuken van ƒ 2500,- heeft gedaan met het oog op verzoekers positie bij de gemeente en uit "goodwill", uit een "oogpunt van acquisitie omdat verzoeker de naam van Van Rijswijck zou kunnen laten vallen bij projectontwikkelaars, de gronduitgifte van de gemeente en door hem nader aangeduide plannen (bewijsmiddel 15).
- Voorzover in cassatie erover wordt geklaagd dat het hof een bepaalde in een later stadium afgelegde verklaring van Van der Houven met betrekking tot de gift niet geloofwaardig heeft geacht, kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit is een feitelijk, met de selectie van de bewijsmiddelen samenhangend, oordeel dat typisch tot het terrein van de feitenrechter behoort. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is zo'n oordeel aan de feitenrechter voorbehouden en kan daarover in cassatie niet worden geklaagd, uitzonderingen daargelaten die zich hier niet voordoen.
- Voorzover tot slot - zonder enige nadere adstructie - erover wordt geklaagd dat met betrekking tot feit 4 uit de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt dat Horyon verzoeker "een gift of belofte zou hebben gedaan waarvan verzoeker tot cassatie wist dat zij hem werd gedaan om hem te bewegen om zonder daardoor in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten", acht ik de klacht te weinig specifiek om te bespreken. Overigens is deze weergave van de bewezenverklaring ook nog eens te veelomvattend.
- Het eerste middel faalt dus.
- Het tweede middel klaagt erover dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen voor feit 3 en 4 innerlijk tegenstrijdig zouden zijn omdat daaruit zou volgen dat bij verzoeker "maar liefst 2 aanrechtbladen zijn geleverd en geplaatst" in zijn "relatief kleine" nieuwe keuken. Ten aanzien van feit 3 zou de levering van "een keukenblad" blijken uit de voor het bewijs gebezigde "orderbevestiging van Van Nunen Keukens B.V.".
- Het middel mist feitelijke grondslag. Uit de hiervoor genoemde orderbevestiging kan niet worden opgemaakt dat "een keukenblad" zou zijn geleverd, maar hooguit dat een "keuken" is geleverd, alsmede kunststof plateaus voor de magnetron en twee steunen, een mengkraan, spoelbakken, verlichting en een krans- en lichtlijst.
- Het tweede middel kan dus niet tot cassatie leiden.
- Het derde middel berust op de stelling dat het hof een zwaardere straf heeft opgelegd dan door de procureur- generaal is gevorderd.
- Blijkens het proces-verbaal ter zitting van het hof van 13 oktober 1998 heeft de procureur-generaal aldaar gevorderd de bewezenverklaring van de feiten 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 en daarvoor een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van ƒ 15.000,-, subsidiair 130 dagen hechtenis geëist.
- Het hof heeft een straf opgelegd als hiervoor onder 1 is weergegeven.
- Het middel mist feitelijke grondslag. In art. 9 Sr staat de relatieve zwaarte van de te onderscheiden straffen weergegeven. De door het hof opgelegde geldboete is als ingevolge hiervan reeds een lichtere straf dan de door de procureur-generaal gevorderde vrijheidsstraf. Het feit dat het hof bij zijn strafoplegging boven de eveneens gevorderde geldboete is gaan zitten, doet hieraan niet af. Evenmin doet hieraan af - zoals de steller van het middel onder aanhaling van HR NJ 1979, 275 ook zelf al veronderstelt - de omstandigheid dat het hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex art. 27 lid 3 Sr, aangezien zulks in cassatie niet kan worden getoetst.
- De klacht tenslotte dat het hof niet op verzoekers draagkracht zou hebben gelet deelt hetzelfde lot, gezien 's hofs strafmotivering en zijn opnemen van art. 24c Sr onder de aangehaalde artikelen.
- Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,