Nr. 34.361 Mr Van den Berge Inkomstenbelasting 1993 Conclusie inzake: Derde Kamer B X Parket, 28 oktober 1999 tegen: de staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College,
(3)erwähnt zudem die Witwen- und Waisenpensionen oder geldwerte Vorteile (...)." Dat het Nederlands-Zwitserse verdrag spreekt van 'andere uitkeringen' / 'autres allocations' zonder daarbij met zoveel woorden de eis van soortgelijkheid aan pensioen te stellen, ver-meldt hij in dat verband niet. 8.9. Art. 6, lid 3 van het verdrag lijkt sterk op de in par. 5.2.2. vermelde bepaling uit het slot-protocol bij het Duits-Zwitserse belastingverdrag van 1931. Ook in die bepaling werd ten aanzien van de 'andere Bezüge' die eis van soortgelijkheid aan pensioen in de tekst niet uit-drukkelijk gesteld. Het BFH besliste in zijn in par. 5.2.3. geciteerde uitspraak van 18 juli 1973 BFHE Band 110, blz. 43 echter dat ook die uitkeringen dienden te strekken "zur Versorgung wegen Erreichens der Altersgrenze oder wegen vorzeitiger Berufs- oder Erwerbsunfähigkeit (...)."57 8.10. Gelet op een en ander ben ik van mening dat aan de omstandigheid dat de tekst van art. 6, lid 3 die eis niet uitdrukkelijk stelt niet al te veel gewicht moet worden toegekend. Ik wijs er daarbij met name op, dat de officiële Zwitserse toelichting spreekt van 'les retraites, pensions , etc' en dus kennelijk die eis van soortgelijkheid als in de opsomming besloten be-schouwde. 8.11. Art. 6, lid 1 van het Verdrag spreekt van 'inkomsten voortvloeiende uit (...) de persoon-lijke werkzaamheid [die] wordt uitgeoefend.' Evenals ten aanzien de bepalingen van het OESO-model en de daarop gebaseerde verdragsbepalingen het geval is (zie HR 22 juli 1988, BNB 1989/2 en par. 3 van de bij dat arrest behorende conclusie), zou ik ook hier aan dat gebruik van de werkwoordsvorm in de onvoltooi tegenwoordige tijd niet al te veel beteke-nis willen toekennen. Onder het eerste lid van art. 6 van het Verdrag vallen daarom naar mijn mening ook nabetalingen die worden ontvangen nadat de werkzaamheden zijn verricht. 8.12. Wel zou ik hier, evenals t.a.v. par. 15, lid 1 van het OESO-modelverdrag (zie par. 3.3.3.3.) als eis willen stellen dat de inkomsten een rechtstreekse beloning vormen voor de in de werkstaat verrichte werkzaamheid. Daarmee wijk ik af van de jurisprudentie van het BFH t.a.v. de met art. 6, lid 1 van het Verdrag vergelijkbare bepaling in het Duits-Zwitserse verdrag van 1931 (zie par. 3.3.1.2) maar sluit ik aan bij de latere rechtspraak van het BFH t.a.v. art. 15 van het nieuwe Duits-Zwitserse verdrag (zie par. 3.3.1.3.). 8.13. Vat men het bepaalde in art. 6, lid 1 van het Verdrag in die zin op, dan zijn de bepalingen van art. 6, lid 1 en 6, lid 3 van het Verdrag nevengeschikt. Art. 6, lid 1 van het Verdrag ziet dan uitsluitend op inkomsten uit een tegenwoordige dienstbetrekking en niet op inkomsten uit een vroegere dienstbetrekking, zoals pensioenen. Inkomsten die niet een rechtstreekse beloning vormen voor de in de werkstaat verrichte arbeid en evenmin kunnen worden aangemerkt als pensioenen e.d. vallen in mijn opvatting op grond van de vangnet-bepaling van art. 2, lid 1 van het Verdrag58 toe aan de woonstaat. 8.14. Acht men die eis van het het rechtstreekse verband (ook) in dit verband te streng, dan zou ik ook hier de eis willen stellen dat de werkstaat slechts die inkomsten uit dienstbetrekking kan belasten die loon zijn in arbeidsrechtelijke zin (zie 3.3.3.6 - 3.3.3.9). In dat geval zou ik art. 6, lid 3 van het Verdrag, evenals art. 18 van het OESO-modelverdrag, als een lex specialis willen zien. Voor pensioenen e.d. geldt dan dus de regel van art. 6, lid 3 (belast in de woonstaat) maar andere beloningen in arbeidsrechtelijke zin voor de in de werkstaat verrichte werkzaamheden volgen de hoofdregel van art. 6, lid 1 (belast in de werkstaat). 8.15. Het Verdrag bevat niet een bepaling als bedoeld in art. 3, lid 2, van het OESO-model-verdrag. 9. De Hofuitspraak 9.1. Het Hof heeft met betrekking tot de vraag waar de uitkeringen en de afkoopsom kon worden belast overwogen: "5.2. Het Hof is van oordeel dat te dezen niet kan worden gesproken van een pensi-oen of andere uitkering, welke is toegekend wegens vroegere diensten, in de zin van artikel 6, derde lid, van het Verdrag. Dit oordeel is gegrond op de onder [hiervoor, 1.2.] genoemde omstandigheden waaronder de dienstbetrekking is beëindigd en de wijze waarop de daarbij aan belanghebbende toegekende schadevergoeding is bere-kend, waarbij wel een relatie werd gelegd met het arbeidsverleden maar - gelet op de hoogte van die vergoeding - niet met de behoefte tot voorziening in het levensonder-houd tot aan de datum van pensionering. 5.3. De aan belanghebbende toegekende vergoeding heeft veeleer het karakter van een schadeloosstelling wegens in de toekomst te derven inkomsten als gevolg van de arbeidsovereenkomst. Een zodanige vergoeding dient te worden aangemerkt als een inkomst als is bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag. Dit geldt evenzeer in-dien die vergoeding wordt genoten in de vorm van een recht dat periodieke uitkering-en oplevert of in de vorm van een afkoopsom van deze periodieke uitkeringen. 5.4. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid, dat hij vanwege zijn leef-tijd en zijn - op 31 december 1992 gedeeltelijke - arbeidsongeschiktheid weinig kans had op herintreding in het arbeidsproces kan geen wijziging brengen in de aard van de door [de werkgeefster] aan hem toegekende vergoeding. Deze omstandigheid kan dan ook niet leiden tot een ander oordeel inzake de kwalificatie van de vergoeding voor de toepassing van het Verdrag." 9.2. Deze overwegingen brachten het Hof tot het oordeel dat de uitkeringen en de afkoop-som terecht in Nederland in de heffing waren betrokken. 10. Het eerste middel In het eerste middel lees ik twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het Hof art. 6 van het Verdrag heeft geschonden door te beslissen "dat uitkeringen, die een beloning zijn terzake van de door belanghebbende voorheen binnen Nederland bij G Nederland N.V. vervulde dienstbetrekking doch die genoten zijn na beëindiging van die dienstbetrekking op grond van artikel 6, lid 1 ter belasting-heffing aan Nederland is toegewezen" De tweede klacht (beroepschrift in cassatie, blz. 2, 4e en 5e
- al)betreft het oordeel van het Hof dat de uitkeringen en de afkoopsom niet kunnen worden beschouwd als een pensioen of andere uitkering toegekend wegens vroegere diensten als bedoeld in art. 6, lid 3 van het Verdrag. Betoogd wordt dat het Hof de in art. 6, lid 3 van het verdrag opgenomen vereisten ten onrechte heeft aangevuld met de eis dat de in die bepaling genoemde 'andere uitkering-en' een relatie dienen te hebben met de behoefte tot voorziening in het levensonderhoud tot aan de datum van pensionering. 11. Beschouwing naar aanleiding van het middel en ambtshalve 11.1. Het verwijt dat het Hof heeft beslist dat de uitkeringen een beloning vormden voor voor-heen door de belanghebbende verrichte werkzaamheden, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft in r.o. 5.3. juist beslist dat de vergoeding 'veeleer het karakter (had) van een schade-loosstelling wegens in de toekomst te derven inkomen'. Derhalve faalt de eerste klacht. 11.2. Door aan dat oordeel in diezelfde overweging 5.3. vervolgens de gevolgtrekking te ver-binden dat de vergoeding - waaronder het Hof kennelijk ook begrijpt : de uitkeringen en de afkoopsom - dient te worden aangemerkt als inkomst als bedoeld in art. 6, lid 1 van het Verdrag heeft het Hof naar mijn mening echter wel blijk gegeven van een onjuiste rechtsop-vatting. Onder die bepaling vallen - zie par. 8.12. - slechts inkomsten die een rechtstreekse beloning vormen voor in de werkstaat verrichte werkzaamheden. Onder die bepaling vallen met name niet inkomsten die uitsluitend het karakter hebben van schadelossstelling voor in de toekomst te derven inkomen. Dergelijke inkomsten zijn noch onder art. 6, lid 1 noch onder art. 6 lid 3 van het Verdrag te rangschikken. Zij kunnen op grond van de vangnetbepaling (art. 2, lid 1 van het Verdrag) uitsluitend worden belast in de woonstaat. 11.3. Hoewel het vorenstaande op zich genomen meebrengt dat de tweede klacht buiten behandeling zou kunnen blijven, wil ik ten aanzien van die klacht toch nog enkele opmerking-en maken. De 'andere uitkeringen' als bedoeld in art. 6, lid 3 van het Verdrag dienen soortge-lijk te zijn aan een pensioen. Dat betekent dat het moet gaan om uitkeringen ter aanvulling van een ouderdomspensioen, een weduwen- en wezenpensioen of een invaliditeitspensioen. Daarbij kan het bij al die pensioenvormen gaan om een aanvulling qua hoogte. Bij ouderdoms- weduwen en wezenpensioenen kan het verder gaan om een aanvulling in de tijd (bij ouderdomspensioenen om een aanvulling vooraf, bij weduwen- en wezenpensioenen die op een bepaald tijdstip eindigen om een aanvulling vanaf dat tijdstip). 11.4. Hiervóór, in par. 5.4.11., heb ik al aangegeven dat ik, als het gaat om aanvullingen op een bestaande pensioenvoorziening, aan uitkeringen soortgelijk aan pensioen resp. aan andere uitkeringen niet al te hoge eisen zou willen stellen. In het onderhavige geval ging het kennelijk om een aanvulling van de WAO-uitkering die de belanghebbende genoot. Daarbij koos de belanghebbende uiteindelijk voor een aanvulling van die WAO-uitkering, niet tot aan de datum van de ingang van het ouderdomspensioen, maar gedurende een kortere periode. Het lijkt mij echter dat die keuze niet mee behoeft te brengen dat de uitkering daarmee haar karakter van soortgelijkheid aan pensioen verliest. Ik zou de belanghebbenden op dit punt - waar het uitsluitend gaat om de vraag wel land de uitkeringen mag belasten - de vrijheid wil-len geven bij de aanvulling van hun pensioen die vorm te kiezen die kennelijk het meest aan-sluit bij hun behoeften. 11.5. De tweede klacht acht ik derhalve gegrond. 11.6. Tot slot nog een opmerking ten aanzien van de wijze waarop het Hof het met de twee-de klacht bestreden oordeel heeft geformuleerd. Volgens het Hof (o. 5.2. slot) kan de toege-kende schadevergoeding niet worden gerekend tot de in art. 6, lid 3 van het Verdrag bedoel-de uitkeringen, omdat die vergoeding 'gelet op de hoogte van die vergoeding' niet was gere-lateerd aan de behoefte tot voorziening in het levensonderhoud tot aan de datum van pensi-onering. 11.7. Met de 'hoogte van de vergoeding' doelt het Hof kennelijk op het stamrechtkapitaal. Ik laat daar dat het Hof voor zijn toetsing het verkeerde object kiest (niet de uitkeringen of de afkoopsom maar het stamrechtkapitaal), het gaat mij er om dat het Hof uit de hoogte van het stamkapitaal meent te kunnen afleiden dat de vergoeding niet bestemd was voor de voorziening in het levensonderhoud tot aan de datum waarop het ouderdomspensioen in zou gaan. Die overweging is onbegrijpelijk. De belanghebbende had het stamrechtkapitaal ong-etwijfeld ook kunnen gebruiken voor een lagere uitkering ter aanvulling van zijn WAO-uitke-ring over de gehele periode tot aan zijn pensioen. 12. Conclusie Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot nihil. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, (a-
- g)Nr. 34.361 Mr Van den Berge Inkomstenbelasting 1993 Conclusie inzake: Derde Kamer B X Parket, 28 oktober 1999 tegen: de staatssecretaris van Financiën C O R R I G E N D U M Men leze op blz. pt. i.p.v. het volgende: 3 3.1.2. sépartement séparement lEtat l'Etat 3.2.1. en 3.2.2. renumeration