Rolnr. C98/333 mr Wesseling-van Gent Zitting: 24 maart 2000 Conclusie inzake: [eiseres] tegen [verweerder] Edelhoogachtbaar College, 1 De feiten en het procesverloop1 In cassatie kan van de volgende - door rechtbank2 en hof als vaststaand aangenomen - feiten worden uitgegaan. 1.1 Eiseres tot cassatie, hierna [eiseres], een visverwerkend bedrijf, is in 1991 in financiële moeilijkheden gekomen. Haar bedrijfspand werd door Rabobank executoriaal verkocht aan een met de bank gelieerde vennootschap, Bodemgoed B.V. Het pand was gebouwd door Kalter Aannemingsbedrijf B.V., hierna Kalter, die uit dien hoofde nog een aanzienlijke vordering op [eiseres] had. 1.2 Op initiatief van de accountants en belastingadviseurs van zowel Kalter als [eiseres] , de Tamek Groep, werd het volgende reddingsplan opgezet. Kalter Holding B.V. zou Koe-koe-kal Beheer B.V. (KKKB) oprichten. Deze zou op haar beurt [eiseres] (Nieuw) B.V. (HDN) oprichten. KKKB zou vervolgens van Bodemgoed B.V. het bedrijfspand terug kopen voor ƒ 1.050.000,-. Verder zou KKKB voor een koopsom van ƒ 200.000,- alle materiële vaste activa van [eiseres] kopen die deze nog bezat. KKKB zou de materiële vaste activa verhuren aan HDN die zelf de vlottende activa (debiteuren, voorraden en liquide middelen) van [eiseres] zou overnemen. De koopsom zou HDN aan [eiseres] schuldig blijven, echter zou zij namens [eiseres] ƒ 250.000,- betalen aan de zekerheidseigenaar Rabobank, die anders niet haar medewerking aan de constructie wenste te geven. 1.3 Omdat de druk van de crediteuren op [eiseres] toenam, kon de oprichting van KKKB en HDN niet worden afgewacht alvorens de operatie in gang werd gezet. Kalter Holding wilde echter geen risico lopen. Daarom heeft de accountant en belastingadviseur van [eiseres], de heer De Goede van de Tamek Groep, als oplossing voorgesteld dat in afwachting van de oprichting van beide bovengenoemde vennootschappen een “plankvennootschap”3 van Tamek zou worden “tussengeschoven”. Deze vennootschap was Zwarte Water Participaties B.V. (ZWB). Directeur was, thans verweerder in cassatie, [verweerder], lid van dezelfde maatschap als De Goede. 1.4 Op 22 april 1991 is ten overstaan van notaris mr P. Pel te Kampen de koopakte verleden waarbij [eiseres] , vertegenwoordigd door haar directeuren [A] en [B], aan ZWP voor een bedrag van ƒ 950.000,- haar activa verkocht. Daarvan is ƒ 500.000,- omgezet in een vordering van [eiseres] wegens aan ZWP ter leen verstrekte gelden. Deze lening is achtergesteld bij de vorderingen van Rabobank en Kalter; aflossing door ZWP zou slechts kunnen plaatsvinden met schriftelijke toestemming van die twee schuldeisers. In een afzonderlijke akte van dezelfde datum, verleden voor dezelfde notaris en tussen dezelfde partijen, is vastgelegd dat het gedeelte van de koopsom dan wel van het tot lening geconverteerde bedrag van ƒ 500.000,- zou kunnen worden aangepast indien later zou blijken dat het bedrag te hoog of te laag was bepaald. Die nadere vaststelling zou blijkens de koopakte uiterlijk op 1 juni 1991 moeten plaatsvinden. De akte bepaalt daaromtrent in artikel 3.2.a: ‘Voor het geval op grond van deze nadere vaststelling verrekening tussen partijen moet plaatsvinden, dient deze verrekening te geschieden op uiterlijk één juni aanstaande.’ 1.5 Artikel 3 van de akte van lening luidt: ‘Alle betalingen waartoe ZWP op grond van deze overeenkomst gehouden is, moeten geschieden door overschrijving op de door [eiseres] aan te geven bankrekening. Tussen partijen is evenwel ook verrekening uitdrukkelijk toegestaan.’ 1.6 Ook op dezelfde datum zijn bij dezelfde notaris akten verleden waarbij ZWP aan KKKB in oprichting respectievelijk aan [..] Frozen Food B.V. in oprichting, hierna HFF, (de naam HDN is intussen uit het beeld verdwenen) het recht heeft verleend tot aankoop van de materiële vaste activa van [eiseres] voor ƒ 200.000,- en de overige activa voor ƒ 750.000,- een en ander onder dezelfde condities als overeengekomen tussen [eiseres] en ZWP. Nadat op 31 mei 1991 de oprichtingsakten met betrekking tot KKKB en HFF waren verleden, hebben beide vennootschappen (KKKB hield alle aandelen in HHF) van genoemd recht gebruik gemaakt en de bewuste activa van ZWP gekocht, hetgeen blijkt uit notariële akten van diezelfde datum. KKKB heeft de materiële vaste activa gekocht voor ƒ 200.000,- en HFF de overige activa voor ƒ 750.000,-, een en ander onder dezelfde condities als overeengekomen tussen [eiseres] en ZWP. 1.7 Omdat ZWP geen betalingen uit hoofde van de geldlening aan [eiseres] heeft verricht, heeft [eiseres] [verweerder] als haar verantwoordelijk bestuurder gedagvaard tot betaling van de hoofdsom vermeerderd met de overeengekomen rente à 8%. Volgens [eiseres] is [verweerder] aansprakelijk uit hoofde van onrechtmatige daad. 1.8 Als verweer heeft [verweerder] aangevoerd - samengevat - dat de afspraak was dat ZWP c.q. de later krachtens schuldoverneming in haar plaats gekomen KKKB en HFF de schuld aan [eiseres] zouden aflossen door schulden te voldoen die [eiseres] aan haar crediteuren had; de aldus aan derden betaalde bedragen zouden met de leenschuld worden verrekend. Het is nimmer de bedoeling geweest dat ZWP anders dan pro forma, in afwachting van oprichting van KKKB/HFF, zou optreden in de reddingsoperatie zonder welke [eiseres] failliet zou zijn gegaan. 1.9 De rechtbank te Zwolle heeft bij vonnis van 5 februari 1997 [verweerder] toegelaten te bewijzen dat “[eiseres] en ZPW de bedoeling hebben gehad van een schuldoverneming krachtens welke ZPW een gedeelte groot ƒ 500.000,- van haar leenschuld aan [eiseres] mocht aanwenden voor betalingen aan schuldeisers van [eiseres] , althans mocht aanwenden op de wijze waarop zij, respectievelijk haar rechtsopvolgers dat in casu hebben gedaan, en het aldus betaalde mocht verrekenen met het nog openstaande deel van de leenschuld, inclusief de vervallen rentebedragen.” 1.10 Van dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. [eiseres] heeft incidenteel appel ingesteld. Het hof heeft geoordeeld dat geen van de door [eiseres] aangevoerde gronden voor onrechtmatig handelen van [verweerder] deugdelijk is, zodat de daarop gebaseerde vordering van [eiseres] moet worden afgewezen. Bij arrest van 7 juli 1998 heeft het hof in het principaal en incidenteel appel het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] afgewezen. 1.11 Tegen dit arrest heeft [eiseres] cassatieberoep ingesteld. Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Beide partijen hebben schriftelijk toelichting gegeven. Bij (een op dezelfde dag genomen) incidentele conclusie tot tussenkomst hebben de heer [A] en mevrouw [B] verzocht, zo [eiseres] in haar cassatieberoep niet ontvankelijk wordt verklaard, toegelaten te worden in het aanhangige geding als tussenkomende partij. 2 Bespreking van het incident tot tussenkomst 2.1 Hierbij rijzen de vragen of in cassatie wel de mogelijkheid van tussenkomst bestaat en of verzoekers - het echtpaar [A en B] - belang hebben bij tussenkomst. Ik bespreek de eerste vraag kort, omdat - zoals hierna onder 2.5 e.v. zal worden besproken - de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord. 2.2 Uw Raad heeft voor de verzoekschriftprocedure beslist dat tussenkomst in cassatie niet mogelijk is (zie HR 13 maart 1987, NJ 1987, 583). Voor de dagvaardingsprocedure is dat nog niet aan de orde geweest. In de literatuur4 lijkt de mogelijkheid uitgesloten te worden. De motivering daarbij ontbreekt. Wel wordt (impliciet) verwezen naar de parlementaire geschiedenis van art. 415 Rv., waaruit blijkt dat de wetgever, toen het instellen van incidentele vorderingen in cassatie mogelijk werd gemaakt, uitsluitend heeft gedacht aan incidenten van zuiver processueel karakter die bij de gedingvoering in cassatie zouden kunnen rijzen5.Veegens vermeldt nog dat tussenkomst in cassatie in Frankrijk en België is uitgesloten. Als reden daarvoor wordt gegeven dat dit zou neerkomen op een zelfstandige voorziening door de interveniënt6. 2.3 In zijn conclusie voor de onder 2.2 genoemde beschikking gaat de Advocaat-Generaal Leijten7 in algemene zin - dus ook met betrekking tot de dagvaardingsprocedure - in op de vraag naar de toelaatbaarheid van tussenkomst in cassatie. Hij meent dat de hiervoor genoemde Franse en Belgische opvatting ook hier te lande kan worden aanvaard. Het zal immers vaak nodig zijn bij tussenkomst, zo motiveert Leijten zijn standpunt, zich in een onderzoek van de feiten te begeven om vast te stellen of de interveniënt een eigen recht heeft. Voor een dergelijk feitenonderzoek is echter in cassatie geen plaats. 2.4 Ik onderschrijf dit standpunt. Mede gelet op de hiervoor vermelde parlementaire geschiedenis van art. 415 Rv. meen ik dat tussenkomst in cassatie niet mogelijk is zodat verzoekers in deze vordering niet-ontvankelijk zijn. 2.5 Wat betreft hun belang bij tussenkomst (zie art. 285 Rv.) stellen verzoekers dat, indien [eiseres] niet-ontvankelijk zou worden verklaard in haar cassatieberoep, zij een oninbare vordering hebben omdat alsdan het bestreden arrest van het hof in kracht van gewijsde zou gaan. Verzoekers houden rekening met een mogelijke niet-ontvankelijkheid van [eiseres] vanwege de gevolgen van het faillissement van [eiseres] en de opheffing daarvan bij gebrek aan baten8. 2.6 Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid zijn de volgende feiten van belang9. - [eiseres] heeft haar vordering op [verweerder] bij akte van 24 juli 1998 gecedeerd aan de heer [A] en mevrouw [B]. Aan [eiseres] is daarbij de last tot incassering van de vordering gegeven opdat [eiseres] gerechtigd is de onderhavige procedure tegen [verweerder] op eigen naam voort te zetten. Op 7 oktober 1998 is cassatieberoep ingesteld. Op 9 december 1998 is [eiseres] in staat van faillissement gesteld. De curator verzet zich niet tegen voornoemde cessie en ook niet tegen het voortzetten van de cassatieprocedure. Op 26 mei 1999 volgt de opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten (volgens ambtshalve ingewonnen inlichtingen bij de rechtbank te Zwolle is dit juist). Op 8 oktober 1999 aanvaardt de curator namens [eiseres] (in liquidatie) de last dat [eiseres] de procedure op eigen naam voortzet. 2.7 Door de opheffing van het faillissement herleeft de bevoegdheid van de tot dat moment gefailleerde tot het voortzetten van gedingen en instellen van rechtsmiddelen (zie HR 13 oktober 1995, NJ 1996, 108). Opgemerkt moet wel worden dat ingevolge art. 2:19 lid 1 sub d BW een rechtspersoon wordt ontbonden na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand des boedels, hetzij door insolventie. Lid 5 regelt echter dat de rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Het voeren van een procedure ten name van de vennootschap is een dergelijke omstandigheid10. 2.8 M.i. is de in de akte van cessie neergelegde lastgeving aan [eiseres] om de vordering op eigen naam te incasseren niet geëindigd. Art. 7:422 lid 1 sub b BW bepaalt weliswaar dat de lastgeving eindigt door faillissement van de lasthebber, maar partijen kunnen anders overeenkomen11. Het is de bedoeling van partijen geweest dat de overeenkomst van lastgeving niet zou eindigen, althans dat [eiseres] ook na faillissement bevoegd zou zijn de procedure voort te zetten. Maar ook al zou de lastgeving door het faillissement zijn geëindigd, dan kan de bevoegdheid van [eiseres] om deze procedure te voeren worden gebaseerd op een op 8 oktober 1999 gesloten nieuwe overeenkomst met een dergelijke strekking. Dit brengt mee dat de vereffening van de vennootschap niet voltooid is en de vennootschap nog niet heeft opgehouden te bestaan. 2.9 Het bovenstaande heeft tot gevolg dat [eiseres] ontvankelijk is in haar cassatieberoep en dat het echtpaar [A en B] geen belang heeft bij de vordering tot tussenkomst. Uw Raad zou derhalve de vraag of tussenkomst in cassatie mogelijk moet worden geacht, kunnen laten rusten. 3 Bespreking van het cassatiemiddel in de hoofdzaak 3.1 Het hof heeft voorop gesteld dat de vraag centraal staat of [verweerder] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. [eiseres] heeft daartoe de volgende drie gronden aangevoerd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.