← Nederland

ECLI:NL:PHR:2000:AA7786

Nr.112.918 Mr Fokkens Zitting 9 mei 2000 Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College,

  1. Verdachte is door het gerechtshof te Amsterdam wegens het verkopen van has, meermalen gepleegd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar.
  2. Namens verdachte heeft mr J.I.M.G. Jahae, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie ingediend.
  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als een handelen in strijd met het in artikel 2 lid 1 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het een handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder B van de Opiumwet gegeven verbod oplevert.
  4. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte ”in de periode van 1 april 1994 tot en met 9 december 1996 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht handelshoeveelheden hashish.”
  5. Inderdaad heeft het hof de bewezenverklaring ten onrechte gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 lid 1, onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Het gaat hier immers om handelen in strijd met art. 3 lid 1 onder B van de Opiumwet. De Hoge Raad kan de kwalificatie verbeteren. Hetzelfde geldt voor de als toepasselijke wetsartikelen genoemde bepalingen uit de Opiumwet: dit moeten de artikelen 3 en 11 zijn in plaats van de genoemde artikelen 2 en 10, waarbij artikel 3 overbodig is nu deze bepaling al in de kwalificatie wordt vermeld.
  6. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat het delict meermalen is gepleegd. Van meer dan één maal verkoop van handelshoeveelheden hashish zou geen sprake zijn, nu uit de bewijsmiddelen zou volgen dat het in kwestie één partij van 1000 kilo betrof. Dat die partij niet in één keer is geleverd en betaald, zou daaraan niet afdoen.
  7. Uit de bewijsmiddelen, met name de verklaringen van [getuige 1] onder 2a en 2c, kan worden afgeleid dat verdachte 200 kilo hashish heeft verkocht aan ene [betrokkene A] en 800 kilo hashish heeft verkocht aan [getuige 1]. Uitgaande van die vaststelling getuigt het oordeel van het hof dat verdachte meermalen handelshoeveelheden hashish heeft verkocht niet van een verkeerde rechtsopvatting. Het oordeel is niet onbegrijpelijk zodat het middel faalt. De Hoge Raad kan volstaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover het betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde en voor zover onder de toepasselijk verklaarde wetsartikelen de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zijn opgenomen, dat de kwalificatie wordt verbeterd door het bewezenverklaarde aan te merken als “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 lid 1 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en dat artikel 11 van de Opiumwet wordt vermeld bij de overige toepasselijke wetsartikelen, met verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.