Nr. 342/00 Mr Machielse Zitting 13 juni 2000 Conclusie inzake: [verdachte=verzoeker] Edelhoogachtbaar College, 1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verzoeker op 25 januari 2000 wegens - kort gezegd - poging tot het uitvoeren van amfetamine, het medeplegen van het vervoeren van hashish en het deelnemen aan een criminele organisatie, veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Voorts heeft het hof een vacuummachine en een personenauto verbeurd verklaard. 2. Deze zaak hangt samen met die tegen [medeverdachte A] (341/00) en [medeverdachte B] (470/00) waarin ik heden eveneens conclusie neem. 2. Mr. J.Y. Taekema, advocaat te Rotterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur ingediend houdende twee middelen van cassatie. 3. Het eerste middel klaagt over de bewijsconstructie en valt in drie onderdelen uiteen. Alle onderdelen richten zich tegen de bewijsredenering van het hof zoals die is weergegeven in de toelichting op het middel. 3.1. Het eerste onderdeel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat er hashish is vervoerd. 3.1.1. Het hof heeft in zijn arrest een uitgebreide bewijsoverweging opgenomen die uit twee gedeelten bestaat. Het eerste deel geeft een beeld van de gebeurtenissen en handelingen zoals die volgens het hof uit de inhoud der bewijsmiddelen blijken, het tweede deel bevat een conclusie die is gerelateerd aan de proceshouding van verdachte: ‘Nu de verdachten [verdachte] en [medeverdachte A] geen redelijke verklaring hebben willen afleggen over de door hen gevoerde telefoongesprekken en de daarbij gebezigde verhullende taal waar het het vervoerde materiaal betrof, acht het hof, in aanmerking nemende dat het een feit van algemene bekendheid is dat Marokko waar het de productie van verdovende middelen betreft vooral een hasj- producerend land is en gelet op de hiervoor onder 4.22, 5 en 6 vermelde bewijsmiddelen, bewezen dat hasj is vervoerd en dat het opzettelijk naar Nederland brengen door de in het onder 2 tenlastegelegde feit bedoelde criminele organisatie hasj betrof.’ 3.1.2. Het eerste onderdeel van het middel gaat voorbij aan de verklaring van [getuige 1] (nr.5), inhoudend dat een zekere [betrokkene C] (= waarschijnlijk [betrokkene D], door [betrokkene C] gestuurd) een boot zocht om vanaf Marokko hasj mee naar Europa te transporteren. [Getuige 1] noemt ook [betrokkene F] als betrokkene, welke [betrokkene F] ook in de afgeluisterde telefoongesprekken meedoet (4.18). Voorts heeft [getuige 1] het over aanhoudingen, waarover ook (met hem; 4.23. Het gebelde telefoonnummer was van [getuige 1]. Zie weer zijn verklaring onder 5) getelefoneerd wordt. De aanhoudingen zouden betrekking hebben op een boot waarin “800 van dattem” (4.20) zou zijn gevonden. Voorts wijs ik op de wijze waarop onderling telefonisch wordt gecommuniceerd onder andere door verdachte (nr.4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.7). De mate waarin de gespreksdeelnemers proberen te verhullen waarover zij spreken is - zo leert de ervaring die ieder die grote drugszaken onder ogen krijgt opdoet - juist onthullend in die zin, dat dit soort non-communicatie typisch is voor de drugshandel. Aan die gesprekken nam genoemde [betrokkene C] die in Marokko was, deel. Duidelijk is in die gesprekken sprake van 500 kg (4.5), van een half miljoen gulden schade als het niet doorgaat (4.2), welk bedrag past bij hasjprijzen op de internationale markt voor grote partijen en zeker niet bij prijzen voor andere drugs als cocaïne. Voorts is sprake van transport in Marokko van de 500 kg (4.5), van beloftes van [betrokkene C] om “die 5” weg te leggen (4.9), van een vriend die “het” naar de motorboot moet brengen (4.4). Daarmee is de bewezenverklaring van de hoedanigheid van de substantie, te weten hasj, voldoende ondersteund. De steller van het middel probeert de bal terug te kaatsen door te stellen dat het hof had moeten aangeven welk taalgebruik verhullend was en in welke gesprekken zulke verhullende termen werden gebezigd. Aldus wordt een te zware eis aan de bewijsmotivering gesteld. Reeds oppervlakkige kennisneming van de inhoud der telefoongesprekken wekt de indruk van een mistig schimmenspel tussen “vrienden” die spreken over andere “vrienden” en over “het van 500”. Verzoeker had gemakkelijk opheldering kunnen geven als het bijvoorbeeld was gegaan om volbloedpaarden, tapijten, mobiele telefoons. Hij heeft ervoor gekozen dat niet te doen, daarmee aan het hof de ruimte biedend die inhoud van de telefoongesprekken overeenkomstig algemene ervarings-regels uit te leggen. Daarmee ben ik bij het tweede onderdeel beland. 3.2. Het tweede onderdeel bevat de klacht dat het hof ten onrechte verzoeker tegenwerpt dat hij van zijn zwijgrecht gebruik maakt. 3.2.1. In de genoemde bewijsredenering wijst het hof er onder meer op dat ‘de verdachten [verdachte] en [medeverdachte A] geen redelijke verklaring hebben willen afleggen over de door hen gevoerde telefoongesprekken en de daarbij gebezigde verhullende taal’. 3.2.2. Hoewel het weigeren om een verklaring af te leggen of om een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen, mag de rechter dit wel betrekken in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal.1 In de onderhavige zaak draagt niet het zwijgen als zodanig bij tot het bewijs, maar betrekt het hof dit in zijn bewijsredenering, in relatie tot hetgeen de algemene ervaring aan het hof leert over het door verdachten gebezigde verhullend taalgebruik. 3.2.3. Een vergelijkbare kwestie speelde in de Britse zaak tegen Murray die leidde tot een bekende uitspraak van het EHRM. Ook naar Brits recht is het toegelaten aan zwijgen van een verdachte bepaalde gevolgtrekkingen (inference) te maken. Daarbij gaat het om de gevolgtrekking dat, aldus Lord Slynn of Hadley in de zaak tegen Murray, ‘if aspects of the evidence taken alone or in combination with other facts clearly call for an explanation which the accused ought to be in a position to give, if an explanation exists, then a failure to give any explanation may as a matter of common sense allow the drawing of an inference that there is no explanation and that the accused is guilty.’2 In deze zaak oordeelde vervolgens het EHRM; “47. On the one hand, it is self-evident that it is incompatible with the immunities under consideration to base a conviction solely or mainly on the accused's silence or on a refusal to answer questions or to give evidence himself. On the other hand, the Court deems it equally obvious that these immunities cannot and should not prevent that the accused's silence, in situaties which clearly call for an explanation from him, be taken into account in assessing the persuasiveness of the evidence adduced by the prosecution.” en dat een gevolgtrekking als door de Engelse rechter gemaakt, ‘cannot be regarded as unfair or unreasonable in the circumstances.’3 Voor de onderhavige zaak zou dit betekenen dat de telefoongesprekken met verhullende taal in combinatie met andere feiten zoals die uit de bewijsmiddelen blijken, om uitleg vragen die verzoeker als deelnemer aan die gesprekken zou moeten kunnen geven. 3.2.4. Hoewel verzoeker ter terechtzitting van het hof niet specifiek is gevraagd naar een verklaring over de telefoongesprekken, is hij er wel op gewezen dat hij door te blijven zwijgen geen ontlastende verklaring heeft afgelegd. Dat blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 januari 2000 (blz. 9): ‘De voorzitter deelt mede dat de verdachte, nu hij zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht, daardoor eveneens geen ontlastende verklaring met betrekking tot het zich in het dossier bevindende bewijsmateriaal heeft afgelegd. Hij stelt de verdachte in de gelegenheid alsnog een ontlastende verklaring af te leggen. De verdachte deelt mede van deze gelegenheid geen gebruik te willen maken.’ Als deelnemer aan die gesprekken zou verzoeker bij uitstek een ontlastende verklaring kunnen geven over de betekenis van die gesprekken. Nu hij dit nalaat is het niet onredelijk dat de rechter daar in voor verzoeker nadelige zin conclusies uit trekt. 3.2.5. Aangezien niet alleen verzoeker maar ook diens medeverdachte [medeverdachte A] bij de feiten zou zijn betrokken, had ook [medeverdachte A] een (ontlastende) verklaring voor de gesprekken kunnen geven. Anders dan de steller van het middel veronderstelt wordt verzoeker niet tegengeworpen dat diens medeverdachte zweeg, maar dat in het dossier van de strafzaak tegen verzoeker een verklaring van het verhullend taalgebruik ontbreekt die behalve verzoeker ook [medeverdachte A] had kunnen geven en dat verzoeker evenmin ter terechtzitting opheldering wenste te verschaffen. 3.2.6. Dat het hof het zwijgen van verzoeker betrekt in zijn bewijsredenering geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 3.3. Tenslotte richt de steller van het middel zich tegen de overweging van het hof dat Marokko een hashish-producerend land is. De steller van het middel geeft in zijn toelichting op het middel zelf aan dat Marokko ook een doorvoerland is van allerlei andere soorten verdovende middelen. Dat ondermijnt overigens bepaald niet de overweging van het hof dat Marokko vooral een hashish-producerend land is. Maar ook de gedachtegang dat er hasj via Marokko is verscheept - welke hasj elders zou zijn betrokken - staat niet aan een bewezenverklaring van het onder 2 en 3 telastegelegde in de weg. 3.4. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan op de voet van art. 101a RO. 4. Het tweede middel klaagt erover dat het hof zich ten onrechte niet bevoegd achtte om te oordelen over de geldigheid van het onderzoek in eerste aanleg. 4.1. Ter terechtzitting van het hof van 21 september 1999 heeft de raadsman van verzoeker gewezen op het in eerste aanleg voorgevallen wrakingsincident. De raadsman voert aan dat de wrakingskamer destijds ten onrechte het wrakingsverzoek heeft afgewezen waardoor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.