Mr Jörg Nr. 943/99 Zitting 19 september 2000 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte] Edelhoogachtbaar College,
(1954), blz. 312 en de hierna te noemen rechtspraak). Daarbij is de feitelijke (en niet de formele) voor de buitenwereld waarneembare werkelijkheid doorslaggevend (H.A. Demeersseman, De autonomie van het materiële strafrecht, 1985, blz. 272).
- Het hof heeft verzoeker in de bewezenverklaring als beleggingsadviseur aangemerkt. Bij het bepalen van de op te leggen straf overwoog het hof dat verzoeker geldsommen, die aan hem als beleggingsadviseur waren toevertrouwd, heeft toegeëigend. Verscheidene personen hebben aan verzoeker geldsommen ter belegging toevertrouwd omdat hij zich aan hen als beleggingsadviseur presenteerde. Of verzoeker al dan niet als vermogensbeheerder de vereiste vergunning had, is voor de strafbaarheid krachtens art. 322 Sr van geen belang. Bepalend is in dezen of verzoeker als beleggingsadviseur aan het maatschappelijk verkeer heeft deelgenomen en of dit de grond is waarop anderen hun geld aan hem hebben toevertrouwd. Met andere woorden: niet het ontbreken van de vergunning is de ‘wezenlijke oorzaak’ dat verzoeker de gelden onder zich had (NLR, aant. 5 bij art. 321, suppl. 76), maar zijn optreden als beleggingsadviseur. Dat de wetgever juist beleggingsadviseurs zonder vergunning zou willen vrijwaren van strafvervolging wegens verduistering in hun beroep komt mij - zacht gezegd - niet aannemelijk voor, terwijl dit wel de consequentie is van de opvatting van de schrijver van het middel.
- Het middel faalt.
- Het vijfde middel klaagt eveneens over de bewezenverklaring.
- De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zouden tegenstrijdig zijn. Daaruit zou namelijk blijken dat verzoeker het geld dat hij volgens het onder 2 bewezenverklaarde feit heeft verduisterd, onder zich heeft gekregen door middel van vervalste cheques zoals zou blijken uit het onder 1 bewezenverklaarde feit.
- Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest. Onder 1 is `slechts’ bewezenverklaard dat verzoeker cheques valselijk heeft opgemaakt (nl. de handtekening van de rechthebbende valselijk nagemaakt). Onder 2 is de verduistering van de gelden die die cheques belichaamden bewezenverklaard: verzoeker beschikte daarover als heer en meester, nl. anders dan was afgesproken (bewijsmiddelen 44, 46, 49, 50). Opnieuw doet het er niet toe dat verzoeker die gelden door misdrijf zou hebben verkregen, omdat hij - het zij herhaald - die gelden in zijn beroep als beleggingsadviseur onder zich had, en als zodanig misbruik van die positie en het in hem gestelde vertrouwen heeft gemaakt.
- Het middel faalt.
- Het zesde middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een verweer.
- Ter terechtzitting van het hof heeft verzoeker het verweer gevoerd dat [betrokkene A] op alle transacties zeven procent commissie heeft ingehouden.
- In de toelichting op het middel wordt nog gewezen op hetgeen hierover in de ontnemingszaak tegen verzoeker is opgemerkt. Daarop kan evenwel geen acht worden geslagen nu hier slechts de hoofdzaak aan de orde is. Overigens maakt hetgeen in de ontnemingszaak is aangevoerd, en waarop in de toelichting van het middel wordt gewezen, geen verschil voor de beoordeling van het middel.
- In de mededeling dat [betrokkene A] voor elke transactie zeven procent commissie heeft ingehouden, kan ik geen verweer als bedoeld in de art. 358 of 359 Sv ontwaren. Voor zover deze mededeling een voorzichtig begin zou vormen van een draagkrachtverweer, had het hof ook daar niet op behoeven te reageren omdat het in de hoofdzaak geen geldboete heeft opgelegd.
- Het middel is ondeugdelijk.
- De middelen falen. Het derde, vijfde en zesde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende motivering.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG