Mr. Hartkamp nr. R00/064HR Parket, 10 november 2000 Conclusie inzake [De vrouw] tegen [De man] Edelhoogachtbaar College, Feiten en procesverloop 1) [De man] en [de vrouw] zijn in september 1970 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren: [kind 1] in 1972, [kind 2] in 1975 en [kind 3] op [geboortedatum] 1978. Bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 30 januari 1986 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken en is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw telkens bij vooruitbetaling aan haar zal uitkeren (f 600,- per maand. Dit bedrag is ingevolge de wettelijke indexering verhoogd tot (f 788,59 per maand. Na de echtscheiding hebben de man en de vrouw weer een periode samengewoond. Zij zijn in 1991 opnieuw uit elkaar gegaan. Vanaf dat moment was de vrouw voor haar levensonderhoud aangewezen op een ABW-uitkering. Van 1 oktober 1997 tot 20 april 1998 heeft de vrouw geen ABW-uitkering ontvangen omdat zij toen leefde van een erfenis. Gedurende de periode vanaf augustus 1998 voorziet zij wederom in haar levensonderhoud door in te teren op een erfenis. 2) Op 28 maart 1997 heeft de vrouw bij de Arrondissementsrechtbank te Arnhem een verzoek ingediend tot wijziging van de alimentatie zoals die bij vonnis van 30 januari 1986 was vastgesteld, zodanig dat de man maandelijks (f 2.700,- als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw zou moeten betalen. Dit verzoek berustte op de veronderstelling dat het inkomen van de man sinds 1986 gestegen was en op het feit dat de twee oudste kinderen inmiddels meerderjarig zijn, waardoor de lasten en verplichtingen van de man zijn verlicht. De man heeft verweer gevoerd en verzocht de vrouw niet ontvankelijk te verklaren althans het verzoek van de vrouw af te wijzen en tevens heeft hij verzocht het vonnis van 30 januari 1986 zodanig te wijzigen dat de alimentatieplicht van de man op nihil gesteld zou worden. Bij brief van 25 november 1998 heeft de man zijn verzoek tot nihilstelling ingetrokken. Hij heeft zijn verweer dat er geen reden is om tot vaststelling van de alimentatie over te gaan, gehandhaafd op de volgende gronden: gezien het feit dat de vrouw de ABW-uitkering niet in aaneensluitende perioden heeft ontvangen, kan de vrouw voorzien in haar eigen levensonderhoud en heeft zij derhalve geen behoefte aan alimentatie; de man heeft geen draagkracht; de vrouw heeft geen behoefte aan een bedrag zoals dat door haar is gevorderd omdat zij vanaf ongeveer 1991 op bijstandsniveau heeft geleefd. De rechtbank heeft op 9 maart 1999 het vonnis van de rechtbank van 30 januari 1986 gewijzigd en het bedrag dat de man als bijdrage moet betalen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 april 1997 gesteld op (f 1.940,- per maand. 3) Van deze beschikking is de man in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. Hij heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en het door de vrouw ingediende verzoek af te wijzen. Tevens heeft hij verzocht het door hem in eerste instantie ingediende en vervolgens ingetrokken tegenverzoek tot nihilstelling als ingelast te beschouwen. De vrouw heeft verweer gevoerd. Op 16 november 1999 heeft het hof een tussenbeschikking genomen, waarin het de vrouw de gelegenheid gaf te bewijzen dat zij gedurende de laatste jaren had gesolliciteerd, waarbij zij diende aan te geven wanneer en op welke soort functies zij had gesolliciteerd. Voorts werd zowel de vrouw als de man opgedragen diverse bescheiden over te leggen. De man en de vrouw hebben verscheidene stukken overgelegd, de vrouw onder meer een brief van de gemeente Valburg, verzonden 10 december 1999 (zie processtukken Gerechtshof te Arnhem, productie bij brief namens [de vrouw] d.d. 14 december 1999 (stuk 19)), waaraan het volgende citaat is ontleend: "Mede door het feit dat betrokkene jarenlang zorgtaken op zich heeft genomen, zijn grote belemmeringen ontstaan ten opzichte van een eventuele succesvolle betreding van de arbeidsmarkt. De verzorgingstaken zijn lang moeilijk te combineren geweest met het verrichten van arbeid. Heden kan derhalve worden gesteld dat mevrouw te lang uit het arbeidsproces is geweest, mede afgezet tegen haar leeftijd (53 jaar), om haar al te grote kansen te kunnen toedichten met betrekking tot de verkrijging van reguliere arbeid. De opleiding die plm. 30 jaar geleden is gevolgd, sluit eveneens niet meer aan bij de eisen van deze tijd. Wel neemt betrokkene vanaf 1994 deel aan een opleiding binnenhuisarchitectuur. Tot nu toe zijn hierin enige deelcertificaten behaald. Het is echter zeer de vraag in hoeverre de deelname de kansen op arbeid zal vergroten. (...) Betrokkene heeft periodiek voldaan met betrekking tot de aan de uitkering verbonden verplichtingen. Eén van die verplichtingen is het naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Hiertoe dienen tijdens ieder heronderzoek bewijsstukken van sollicitaties te worden overlegd. Betrokkene heeft hieraan tijdens de periodes waarop uitkering is ontvangen volledig voldaan. Dat mevrouw in haar eigen levensonderhoud zou hebben kunnen voorzien, is dan ook maar zeer de vraag. (...) Het is voldoende op te merken dat in iedere rapportage vermeld wordt dat betrokkene naar vermogen heeft gesolliciteerd. Een sanctie in verband met onvoldoende inspanning is nooit toegepast." 4) In zijn eindbeschikking van 14 maart 2000 heeft het hof geoordeeld dat de door de vrouw in het geding gebrachte brief betrekking heeft op een periode die niet relevant is voor haar recente sollicitaties. Het hof stelde zich ervan bewust te zijn dat het voor de vrouw niet eenvoudig zal zijn door arbeid in loondienst in eigen levensonderhoud te voorzien, maar was van oordeel dat de vrouw, terwijl zij een en andermaal had gesteld diverse malen zonder succes te hebben gesolliciteerd, in het geheel niet heeft aangetoond dat zij zich heeft ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Zij heeft van de gestelde sollicitaties geen bewijsstukken overgelegd, ook niet van een sollicitatie die zij, naar zij ter mondelinge behandeling van 22 februari 2000 stelde, onlangs had gedaan. Hieruit heeft het hof afgeleid dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw werd om deze reden met ingang van 9 maart 1999 op nihil gesteld. 5) Tegen de tussen- en eindbeschikking van het hof heeft de vrouw tijdig
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.