Mr Wortel Zitting: 13 februari 2001 conclusie inzake: Nr 03256/00 Herz [Aanvrager 1] en Nr 03257/00 Herz [Aanvrager 2] Edelhoogachtbaar College,
(208), het zeer wel mogelijk is dat deze haardelen van twee of drie verschillende personen afkomstig zijn, maar dat niet is uit te sluiten dat zij van één, of zelfs vier of vijf personen afkomstig zijn; en dat een schaamhaar, aangetroffen op de trui van het slachtoffer en een monster uit 'gekamd' schaamhaar van het slachtoffer zeer wel mogelijk van twee personen afkomstig zijn, maar dat ook daarbij niet is uit te sluiten dat zij van één persoon afkomstig zijn. 18. Ten aanzien van laatstbedoeld rapport stelde de voorzitter vast dat daarin ten onrechte is gesteld dat van de verdachte [aanvrager 2] geen schaamhaarmonster ter vergelijking werd ontvangen; het tegendeel blijkt uit een eerder opgesteld rapport. Op die terechtzitting van 7 september 1995 zijn wederom gehoord H.J.T. Janssen (Gerechtelijk Laboratorium), met betrekking tot DNA-onderzoek, en T.K.A.B. Eskes, de gynaecoloog, die opmerkte kennis te hebben genomen van het hierboven genoemde proces-verbaal van de technische recherche. Ter zitting heeft het Hof aan Janssen aanvullende vragen gesteld, betrekking hebbend op de mogelijkheid verder onderzoek te doen aan het (door de patholoog-anatoom) genomen monster van de spermavlek, en het doen van DNA-onderzoek op haren, aangetroffen op de trui en de blouse van het slachtoffer. Na telefonisch inlichtingen ingewonnen te hebben, merkte Janssen op dat er van het wattenstaafje waarmee de patholoog-anatoom het monster heeft genomen zo weinig overgebleven was dat nader onderzoek naar verwachting niets meer zou opleveren, en dat in één schaamhaarmonster celmateriaal was aangetroffen dat in beginsel geschikt zou zijn voor DNA-onderzoek, maar in zeer geringe hoeveelheid. Vervolgens heeft het Hof vastgesteld dat het eerder aan het Gerechtelijk Laboratorium opgedragen onderzoek door een misverstand niet volledig was geweest, en dat het Hof (zo mogelijk) nader DNA-onderzoek ten aanzien van de haar, aangetroffen op de trui van het slachtoffer wenselijk achtte. 19. Ter terechtzitting van 19 september 1995 is melding gemaakt van nadere rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium, opgemaakt op 14 september 1995 (ing P.E. de Vreede) en 18 september 1995 (ir H.J.T. Janssen). Ook die bevinden zich bij de stukken. In het rapport van De Vreede is te vinden dat de schaamhaar op de trui van het slachtoffer (nr 207) grote overeenkomsten vertoonde met een schaamhaarpallet van de aanvrager [aanvrager 2], maar voor een deel een verschil in intensiteit vertoonde, hetgeen deze deskundige bracht tot de uitspraak dat 'niet is uit te sluiten' dat het op de trui aangetroffen schaamhaardeel van de aanvrager [aanvrager 2] afkomstig is. In het rapport van Janssen is te vinden dat van de haarwortel van dezelfde haar slechts zeer weinig DNA geïsoleerd kon worden, en dat een poging dat materiaal te vermeerderen zonder resultaat bleef. Ook is daarin opgemerkt dat van het wattenstaafje waarmee het sperma-monster was genomen (inderdaad) weinig meer over was, terwijl in microscooppreparaten geen epitheelcellen waren waargenomen, waarbij deze deskundige er op wees dat hij er ter terechtzitting van 7 september 1995 reeds op had gewezen dat in de ‘vaginale fractie’ van het spermabevattend spoor wèl celmateriaal was aangetoond dat van het slachtoffer afkomstig kon zijn, ofschoon de aard van dat celmateriaal niet was onderzocht. 20. In het licht van het vorenstaande kan er geen misverstand over bestaan dat ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig aan de orde is geweest: - de vraag of de door de aanvragers, [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen, voor zover daarin het verkrachten en vermoorden van het slachtoffer is toegegeven of beschreven, door te grote druk of (overigens) onjuiste wijzen van verhoor tot stand waren gekomen; - de betekenis van de op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen (niet volledig ingedroogde) spermavlek, die niet van één van de als verdachte aangemerkte personen afkomstig kon zijn, en de op haar trui en hals aangetroffen haren. 21. In paragraaf II.1 wordt betoogd dat een novum is gelegen in een rapport, opgemaakt door dr P. de Knijff, vast gerechtelijk deskundige verbonden aan het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek, gedateerd 15 september 2000. Het is als productie 3 bij de aanvrage gevoegd. In dit rapport wordt melding gemaakt van een vorig rapport van dezelfde deskundige, kenmerk FLDO 00-036, gedateerd 16 mei 2000. Dat is bij de stukken niet te vinden. Aan het eerder gedane herzieningsverzoek, bij de Hoge Raad ontvangen op 16 mei 2000, lag een (korte samenvatting van) een door dr De Knijff opgesteld rapport met het kenmerk FLDO 00-036 ten grondslag, gedateerd 13 april 2000. Ik houd het er op dat in het nu gepresenteerde rapport door een misslag melding is gemaakt van een rapport van 16 mei 2000, en dat is bedoeld te verwijzen naar het rapport van 13 april 2000. Daarin is, ook op grond van DNA-onderzoek, vastgesteld: het meest waarschijnlijk is dat het op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen spermaspoor afkomstig is van een onbekende man, niet verwant aan het slachtoffer, en - het is niet uit te sluiten dat de op het slachtoffer aangetroffen haren en het sperma afkomstig zijn van dezelfde persoon. 22. Op basis van het rapport van 13 april 2000 werd in het eerdere herzieningsverzoek als ‘novum’ voorgesteld dat de op het slachtoffer aangetroffen spermasporen en haren van één en dezelfde persoon afkomstig waren, niet zijnde één der aanvragers. In de arresten van 27 juni 2000 is dienaangaande overwogen: "Nog daargelaten dat die stelling slechts in zoverre wordt ondersteund door het (…) bewijsmiddel dat daarin slechts wordt geconcludeerd dat "niet kan worden uitgesloten dat de haren en het sperma afkomstig zijn van dezelfde persoon", is de omstandigheid dat die sporen en haren van één en dezelfde persoon - niet zijnde de aanvrager of diens mededader - afkomstig zouden zijn, niet van dien aard dat op grond daarvan het ernstige vermoeden ontstaat dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Uit het hiervoor (…) overwogene volgt immers dat aan het Hof bekend was dat de op het slachtoffer aangetroffen spermasporen en haren niet van de aanvrager en/of zijn mededader afkomstig zijn, terwijl uit niets kan volgen dat voor het Hof van betekenis is geweest de vraag of die sporen en haren al of niet van één persoon afkomstig zijn." 23. In het rapport van 15 september 2000 is te vinden dat het eerder in de haren en het sperma vastgestelde DNA-profiel verschilt van DNA-profielen die zijn vastgesteld in op 7 juli 2000 van de aanvragers afgenomen bloed- of speekselmonsters. De op het slachtoffer aangetroffen haren en spermamonster kunnen derhalve niet van hen afkomstig zijn. 24. De opsteller van het verzoek ziet de betekenis van het nu uitgebrachte rapport ten opzichte van het in april 2000 uitgebrachte rapport hierin dat in het eerdere rapport nog niet kon worden uitgesloten dat "de haren qua mtDNA profiel overeenkomen met de spermasporen en met (een van) de verdachte(n)", terwijl nu met zekerheid kan worden vastgesteld dat die haren en sporen niet door de aanvragers op het slachtoffer zijn achtergelaten (verzoek, paragraaf II.1 onder 5). Mij komt het evenwel voor dat in het verzoek (paragraaf II.1 onder 4) niet de juiste betekenis wordt gehecht aan de in de arresten van 27 juni 2000 opgenomen overweging dat de in het vorige verzoek betrokken stelling slechts gedeeltelijk steun vond in het eerdere rapport van dr De Knijff, namelijk in zoverre niet werd uitgesloten dat de spermasporen en de haren van dezelfde persoon afkomstig zijn. In het verzoek wordt gesteld: "[h]ieraan kan zeker worden ontleend dat ook voor Uw Raad, in geval van een meer duidelijk vergelijkend DNA onderzoek, geen werkelijk zicht meer kan bestaan "op een mogelijke wanverhouding tussen het bewijsoordeel van de rechter en zijn overtuiging" in relatie tot de […] bewijsconstructie van het Hof Arnhem" (de tournure lijkt ontleend aan de annotatie bij één van de arresten van 27 juni 2000 in NJ 2000, 503). Hier is evenwel, lijkt mij, uit het oog verloren dat de passage uit de eerdere arresten waarin er op werd gewezen dat in het verzoek een verdergaande stelling was betrokken dan in het onderliggende rapport besloten lag niet raakte aan de reden om dat verzoek af te wijzen. De Hoge Raad heeft het verschil tussen verzoek en rapport ‘daargelaten’. Waar het om ging was dat het Hof er reeds van op de hoogte is geweest dat spermasporen en haren niet van de aanvragers afkomstig zijn, terwijl niet is gebleken dat het voor de beslissing van het Hof van betekenis is geweest of sporen en haren al dan niet van dezelfde persoon afkomstig waren. 25. In die constatering kunnen dit verzoek en het rapport van dr De Knijff van 15 september 2000 geen verandering brengen. Overigens wordt in het verzoek ook wel onderkend dat reeds het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 25 mei 1994 uitwees dat de op het slachtoffer aangetroffen haren niet pasten in de hoofdhaarpaletten van de aanvragers. Thans is er de zekerheid dat zij niet van hen afkomstig zijn. Met betrekking tot het spermaspoor was die zekerheid er al ten tijde van de behandeling ter terechtzitting (vgl. het voorlopig rapport van 20 mei 1994 en het rapport van 19 juli 1994 van het Gerechtelijk laboratorium). Niet valt in te zien waarom de meerdere zekerheid die er nu ten aanzien van de haren bestaat het Hof tot een andere afweging gebracht zou hebben met betrekking tot de mogelijkheid van een andere dader dan de aanvragers. 26. Het is mogelijk dat dit onderdeel van het verzoek een uitnodiging bevat om terug te komen op de overweging die in de arresten van 27 juni 2000 voerde tot afwijzing van het vorige verzoek. In het voetspoor van de annotator van dat arrest wordt opgemerkt dat die overweging er aan voorbij gaat dat uit de tussenuitspraak van 13 juli 1995 blijkt dat het Hof belang heeft gehecht aan het antwoord op de vraag of twee of meer van de op het slachtoffer aangetroffen haren van dezelfde persoon afkomstig kunnen zijn, ook omdat in hetzelfde tussenarrest is opgenomen dat (zo mogelijk) nader onderzoek aan het spermaspoor diende te worden verricht, “met geen ander doel dan vast te stellen of het slachtoffer wellicht eerder met een ander seksueel contact had gehad”. 27. Onmiskenbaar duidt het aantreffen van sperma op en in het lichaam van het slachtoffer, gevoegd bij het aantreffen van niet van haarzelf afkomstige haren (waaronder een schaamhaar) op haar lichaam en kleding, er op dat een mannelijk persoon, al dan niet met haar instemming, tamelijk korte tijd voordat zij werd gevonden sexueel contact met haar heeft gehad. Een dwingende aanwijzing dat dit contact in direct verband heeft gestaan met de dood van het slachtoffer is er evenwel niet in te vinden. De ten laste van de aanvragers bewezenverklaarde verkrachting en levensberoving worden er niet door uitgesloten. 28. Het spreekt wel vanzelf dat het Hof het nader onderzoek aan de haren en het spoor heeft gelast omdat het geen mogelijkheid onbenut wilde laten zo veel mogelijk vast te stellen hoe het gegeven dat een onbekende man sexueel contact met het slachtoffer heeft gehad zich verhoudt tot de aanwijzingen dat de aanvragers het slachtoffer aan sexuele handelingen hebben onderworpen en haar vervolgens om het leven hebben gebracht. Uiteraard hechtte het Hof in dat verband met name belang aan het tijdstip van het contact tussen het slachtoffer en degene die zijn sperma bij haar heeft achtergelaten (ik breng in herinnering dat het Hof met name noemde de mate van indroging van de aangetroffen vlek, en de (relatieve) hoeveelheid spermatozoën daarin). 29. Het was het Hof bekend dat de spermasporen die op en in het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen van dezelfde persoon afkomstig konden zijn (de rapporten van 20 mei en 19 juli 1994). Het kreeg daarbij de informatie dat niet valt uit te sluiten dat ook de niet van het slachtoffer zelf afkomstige haren of haardelen (hoofdhaar en schaamhaar) van één persoon afkomstig zijn (rapport van 9 augustus 1995, kenmerk 94.01.11.025C). In het bezit van deze gegevens heeft het Hof in de omstandigheid dat er - op een moment dat betrekkelijk dicht bij het tijdstip van haar dood gelegen moet zijn geweest - sexueel contact tussen het slachtoffer en een onbekende man geweest moet zijn geen belemmering gezien aan te nemen dat de verkrachting en het doden van het slachtoffer hebben plaatsgevonden zoals dat is beschreven in (uiteindelijk) afgelegde verklaringen, enigermate bevestigd door het aantreffen van textielvezels op een broek van de aanvrager [aanvrager 1] die niet te onderscheiden zijn van vezels uit een vloermat en een vloerkleed die lagen in de woning waarin het slachtoffer werd aangetroffen. Ik zie, ook in verband met hetgeen is overwogen in ’s Hofs tussenuitspraken van 13 juli 1995, niet in waarom de Hoge Raad in de arresten van 27 juni 2000 ten onrechte zou hebben overwogen dat nergens uit kan blijken dat nadere aanwijzingen dat de haren en het sperma inderdaad van dezelfde onbekende persoon afkomstig kunnen zijn de eindbeslissingen van het Hof anders hadden kunnen doen uitvallen. 30. De nu aan het bekende feitenmateriaal toegevoegde vaststelling dat de aangetroffen haren zeker niet van de aanvragers afkomstig zijn maakt dat niet anders. Naar mijn inzicht levert het rapport van dr De Knijff van 15 september 2000 geen omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv op. 31. In paragraaf II.2 wordt betoogd dat een ‘novum’ is te vinden in een rapport van de in het gerechtelijk vooronderzoek geraadpleegde, en ter terechtzitting in hoger beroep als deskundige gehoorde, prof dr Eskes, gedateerd 14 september 2000, als productie 5 bij het verzoek gevoegd. De paragraaf vangt aan met de mededeling: “Met de door het Gerechtshof te Arnhem gebruikte bewijsmiddelen is in feite de theorie van een onbekende dader(
- s)weerlegd alsmede de door de politie en justitie in onderhavige strafzaak geïntroduceerde zogeheten verslepingstheorie als feitelijke onmogelijk c.q. onwaarschijnlijk verworpen”. Dat is slechts ten dele terecht opgemerkt. Uit de bewijsmiddelen (en de bewezenverklaring) volgt inderdaad dat het Hof, ofschoon als vaststaand feit moet worden beschouwd dat een onbekende man sexueel contact met het slachtoffer heeft gehad, (betrekkelijk) korte tijd voordat zij werd aangetroffen, heeft aangenomen dat de in de tenlastelegging omschreven feiten niet door die onbekende man zijn begaan. Onjuist is daarentegen dat de zogenaamde ‘verslepingstheorie’ door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen of door de bewezenverklaring als onmogelijk of onwaarschijnlijk is verworpen, terwijl uit de stukken blijkt dat men ook niet zonder meer kan zeggen dat die theorie door de politie of het openbaar ministerie is geïntroduceerd. 32. Blijkens een proces-verbaal, opgemaakt op 26 mei 1994 door de opsporingsambtenaren J. van den Bosch en A. Dooyeweerd (kenmerk 940526.1445, bijlage 76 bij het de stukken van het opsporingsonderzoek) hebben deze verbalisanten op die dag een ‘informatief gesprek’ gevoerd met prof. Eskes. Daarbij is hem medegedeeld dat het ging om een levenloos aangetroffen jonge vrouw, door verwurging en messteken om het leven gebracht; dat bij de sectie en microscopisch onderzoek was gebleken dat er in en buiten de vagina grijswit gekleurd slijmmateriaal was aangetroffen waarin spermatozoïden bleken te zitten; dat er drie verdachten waren aangehouden; dat was verklaard dat twee van hen de vrouw op de plaats waar zij is aangetroffen hebben verkracht waarbij zij niet zijn ‘klaargekomen’, en dat bij beperkt DNA-onderzoek was gebleken dat het aangetroffen sperma niet van deze verdachten afkomstig was. Prof. Eskes is daarop de vraag voorgelegd “[w]elke theorieën denkbaar zijn wanneer een slachtoffer door 2 mannen wordt verkracht en deze volgens hun zeggen niet zijn klaargekomen en er toch buiten de vagina sperma wordt aangetroffen”. De verbalisanten relateren dat in het daarop volgende gesprek bleek dat het mogelijk is dat door middel van spil, dat wil zeggen versleping door penetratie, vloeistof met daarin zaadcellen buiten de vagina wordt aangetroffen; dat het mogelijk is dat na een eerdere gemeenschap sperma dagen in de vagina blijft dat daaruit door latere penetratie weer naar buiten wordt gehaald. Tevens werd, aldus de verbalisanten, duidelijk dat er ondanks het feit dat het slachtoffer van haar ouderlijk huis naar de woning van haar oma is gefietst, niet noodzakelijk ook sperma in haar slipje behoefde te zitten, als gevolg van de natuurlijke sluiting van de vagina. Voorts bleek dat niet aannemelijk is dat sperma door uiterlijk geweld uit de schede wordt geperst, maar dat wel mogelijk is dat als gevolg van persing van het slachtoffer (ik begrijp: samentrekkende spierbewegingen), bijvoorbeeld door angst, sperma uit de vagina komt. In overleg met prof. Eskes zouden hem door tussenkomst van de officier van justitie op schrift gestelde vragen worden toegezonden, die hij zou beantwoorden. Vervolgens zijn aan prof. Eskes 16 vragen gesteld in een brief van de rechter-commissaris gedateerd 7 juli 1994, onder mededeling dat de rechter-commissaris voornemens was prof. Eskes als deskundige te beëdigen. Die vragen heeft prof. Eskes beantwoord bij brief van 14 juli 1994. 33. In het verzoek wordt nu gesteld dat inmiddels is gebleken dat de veronderstelling dat het spermaspoor niet noodzakelijk van de dader(
- s)van het delict afkomstig behoefde te zijn maar verklaard kan worden door gemeenschap op een tijdstip voordat de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, geen enkele feitelijke grondslag heeft en ook nimmer heeft gehad. Dat moet blijken uit het nu geproduceerde rapport van dr Eskes. 34. De vraag is echter welke waarde aan dat rapport kan worden toegekend ten aanzien van de feitelijke grondslag waarop het Hof oordeelde dat het spermaspoor niet afkomstig behoefde te zijn van degene die het slachtoffer (na haar te hebben verkracht) om het leven heeft gebracht. Prof. Eskes geeft thans op dat “[d]e verslepingstheorie is ontstaan nadat anderen mijn antwoorden op vragen aan de rechter-commissaris […] in handen hebben gekregen”. Voor zover het al van enig belang zou zijn vast te stellen hoe die ‘verslepingstheorie’ is ontstaan, lijkt het mij evenwel, gelet op het bovengenoemde proces-verbaal betreffende het gesprek dat verbalisanten op 26 mei 1994 met prof. Eskes hadden, niet onjuist om prof. Eskes zelf als die bron te zien, zowel ten aanzien van het woord als ten aanzien van de daarmee aangeduide mogelijkheid dat het spermaspoor op een eerder sexueel contact kan worden herleid. 35. In zijn rapport van 14 september 2000 geeft prof. Eskes op dat hij, achteraf bezien, in de jaren 1994 - 1995 een onvolledige rapportage heeft ontvangen. Hij stelt wel een fotorapportage en verslagen van verhoren ingezien te kunnen hebben, maar niet de beschikking te hebben gehad over het sectierapport, het rapport van het Gerechtelijk laboratorium van 20 mei 1994 of “de belangrijke brief van Dr Henry C. Lee (21 augustus 1995)”. De gestelde onbekendheid met die brief van dr H.C. Lee is opmerkelijk omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 1995 blijkt dat aldaar door de verdediging aan het Hof correspondentie tussen de raadsman mr Van Bavel en Henry C. Lee, te Meriden, Connecticut, Verenigde Staten, is overgelegd, en dat de voorzitter - na een ‘leespauze’ - ter terechtzitting mondeling de korte inhoud heeft medegedeeld van die stukken, waaronder het in de Engelse taal gestelde antwoord van Henry C. Lee op hem door mr Van Bavel gestelde vragen, gedateerd 21 augustus 1995. Blijkens datzelfde proces-verbaal heeft de voorzitter vervolgens bevolen dat de verschenen getuigen en deskundigen, met uitzondering van degene die als eerste zou worden gehoord, zich naar het voor hen bestemde vertrek zouden begeven, en is, na ir H.J.T. Janssen (Gerechtelijk Laboratorium), prof. Eskes (wederom) als deskundige ter zitting gehoord. Een en ander doet vermoeden dat prof. Eskes, op die zitting aanwezig, de korte inhoud van de brief van Henry C. Lee heeft horen voorlezen. Uit zijn vervolgens afgelegde verklaring blijkt niet dat prof. Eskes daaraan enige betekenis heeft toegekend. 36. Doch nog afgezien daarvan overtuigt het nu door prof. Eskes ingenomen standpunt dat de voorlichting die hij het Hof heeft gegeven niet adequaat heeft kunnen zijn door een onvolledig inzicht in de feiten mij niet. Uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van het ‘informatieve gesprek’ van de verbalisanten met prof. Eskes, maar ook uit de vragen die de rechter-commissaris hem vervolgens heeft gesteld, blijkt dat prof. Eskes als uitkomst van DNA-onderzoek is voorgelegd dat het aangetroffen sperma niet van de aanvragers afkomstig kon zijn. In welk opzicht het (voorlopig) rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 20 mei 1994 nog andere gegevens bevat die van belang zouden kunnen zijn geweest voor de inlichtingen die prof. Eskes verschafte valt niet aanstonds in te zien. Datzelfde geldt voor het sectierapport. Behoedzaamheid is vanzelfsprekend geboden als het er om gaat vast te stellen welke gegevens voor het oordeel van een deskundige van belang kunnen zijn. Waar evenwel zo onduidelijk is wat de relevantie van de volledige inhoud van het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium en van de inhoud van het sectierapport kan zijn geweest voor beantwoording van de aan prof. Eskes voorgelegde vragen, zou de stelling dat aan diens eerdere opgaven geen, of beperkte, betekenis mag worden toegekend als gevolg van onbekendheid met die rapporten nader toegelicht dienen te zijn. Dat klemt temeer in verband met het volgende. 37. Ter terechtzitting van 27 juni 1995 verklaarde prof. Eskes omtrent de informatie op basis waarvan hij de vragen van de twee politiefunctionarissen en vervolgens van de rechter-commissaris beantwoordde: “Daarbij kreeg ik inzage in het fotodossier, en ik heb toelichting verschaft op vragen die waren gerezen over zaken uit mijn vakgebied. Ik geloof niet dat ik andere stukken van het dossier heb gezien. Ik heb ook niet om andere stukken gevraagd. Later heeft de rechter-commissaris mij hierover weer benaderd, en heb ik, inclusief telefonische toelichting, de opdracht gekregen vragen schriftelijk te beantwoorden. Ik blijf bij hetgeen ik heb verklaard. Ik heb een mondelinge toelichting gehad over wat er zou zijn gepasseerd. Ik had om te voldoen aan mijn opdracht geen verdere stukken nodig.” 38. In zijn rapport van 14 september 2000 vermeldt prof. Eskes dat “de verwarring [met name is] ontstaan omdat men meende dat zaad van een andere persoon uit de schede kon worden versleept”, maar dat de zogenaamde ‘verslepingstheorie’ hem op grond van de gegevens waarover hij thans beschikt zeer onwaarschijnlijk lijkt. Dat wordt aldus toegelicht: “De ten dele ingedroogde druppel op het rechter bovenbeen is zeer waarschijnlijk afkomstig uit de penis na intra-vaginale coïtus door een en dezelfde persoon. Een laatste seksueel contact moet hebben plaatsgevonden kort vóór het moment van het delict. Immers de druppel spermavloeistof droogt buiten het lichaam geheel in na ongeveer 5 - 20 minuten. Ook het feit dat in het slipje van [het slachtoffer] geen spermaspoor is aangetroffen pleit voor deze visie.” 39. Aldus heeft prof. Eskes kennelijk de gegevens willen omschrijven die hem eerder onbekend zouden zijn geweest en die hem thans aanleiding geven het ‘verslepen’ van bij een eerdere gelegenheid in het lichaam van het slachtoffer achtergelaten sperma zeer onwaarschijnlijk te achten. Dat is een opvallende stellingname, omdat uit zijn antwoorden op de door de rechter-commissaris gestelde vragen en zijn verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep onmiskenbaar volgt dat deze feitelijkheden prof. Eskes ook toen al bekend waren, en bij het bepalen van zijn standpunten een rol hebben gespeeld. 40. Zo antwoordde prof. Eskes op de vragen van de rechter-commissaris onder meer: “Ik ga er vanuit dat het DNA onderzoek van de bij het slachtoffer aangetroffen en verkregen spermatozoa niet overeenkomt met het DNA in de leucocyten uit het bloed van de twee verdachten die een worsteling hadden met het slachtoffer (c.q. verkrachting) en van verkrachting verdacht worden. Sperma kan buiten de vagina worden aangetroffen zoals door U beschreven. Indien daarin zaadcellen zijn aangetroffen moet dat een zaaduitstorting zijn geweest van een derde (onbekende?) persoon, die geen azoospermie heeft. De lokatie van het extravaginale zaad doet premature ejaculatie ante portas veronderstellen.” “Zaadcellen kunnen in de vagina blijven tot enige dagen na coïtus. Indien uitwendig droogt zaadvloeistof snel in. Zaadcellen worden inactief maar blijven microscopisch herkenbaar (enige tijd) en kunnen op DNA worden onderzocht (nog lange tijd).” (op de vraag: “Indien het slachtoffer vóór zondag 9 januari 1994, 16.15 uur, bijvoorbeeld op de daaraan voorafgaande zaterdag, of op zondag kort voor 16.15 uur, gemeenschap heeft gehad, is het dan mogelijk dat vocht met daarin spermatozoïden door een latere penetratie van anderen uit de vagina wordt getrokken en als zodanig herkenbaar is> Zo ja, hoe waarschijnlijk is dat en zijn er nog omstandigheden die dat kunnen beïnvloeden?”): “Na coïtus, zeker bij een nulligravida, blijft er slechts een deel van het ejaculaat in de vagina achter. Een deel van het ejaculaat wordt tijdens de coïtus reeds langs de penisschacht naar buiten geperst. Bij herhaalde coïtus kort op elkaar zal het grootste deel van de ejaculaten extravaginaal terecht komen. Het is derhalve zeer wel denkbaar dat een tweede coïtus enige uren na coïtus waarbij zaadhoudend semen werd gedeponeerd in de vagina kan resulteren in extravaginale aanwezigheid van spermatozoa van het eerste ejaculaat.” (op de vragen: “Het slachtoffer is van haar ouderlijk huis naar de woning van haar oma (plaats van aantreffen) gefietst. De fietsafstand bedraagt ongeveer vijf en een halve minuut. Is het mogelijk dat het sperma dan inwendig blijft zitten? Hierbij wordt aangetekend dat geen sperma in het slipje van het slachtoffer werd aangetroffen.” en Zo ja, hoe waarschijnlijk is dat en zijn er nog omstandigheden die dat kunnen beïnvloeden?): “Ja.” en “Bij fietsaktiviteiten kunnen de bekkenbodemspieren de vagina-inhoud ‘poolen’ in de achterste schedehelft”. (op de vraag: “Als er een verwurging plaatsvindt, kan het dan zijn dat inwendig sperma door de verandering van spierfuncties vanuit de vagina/baarmoeder naar buiten stroomt?): “Ja, uitgeperst”. (op de vraag: Kan door uitwendig geweld, persen en/of drukken door het gewicht van de verkrachter op de buik van het slachtoffer, sperma uit de vagina of baarmoeder worden geperst?): “Ja, alleen uit de vagina.” (op de vraag: In hoeverre is, nadat gemeenschap heeft plaatsgevonden, het nemen van een douche of een bad door het slachtoffer van invloed op de aanwezigheid inwendig (vagina, baarmoeder) van spermatozoïden): “Niet van invloed bij een nulligravida behalve de natuurlijke uitvloed in staande houding” (en op de vraag: Is het mogelijk dat nadat het slachtoffer door twee personen wordt verkracht (zonder condoom) geen sporen (prostaatvloeistof, sperma, schaamhaar, huidcellen, inwendige verwondingen) in of in de nabijheid van de vagina worden aangetroffen? Hoe waarschijnlijk is dat te achten?): “Theoretisch is dit mogelijk omdat er sprake kan zijn geweest van retrograde ejaculatie (het ejaculaat komt dan in de blaas terecht). Waarschijnlijk is dat echter niet.” 41. Ter terechtzitting van 27 juni 1995 verklaarde prof. Eskes onder meer: “Het fotodossier bevatte een foto, waarop een druppel sperma te zien zou zijn. Ik begrijp dat zo’n druppel, in grootte tussen een kwartje en een gulden, zich op het been van het slachtoffer moet hebben bevonden. Zo’n druppel droogt naar mijn idee al heel snel uit. Dat kan alleen een soort vlek zijn geweest. Als in het technisch proces-verbaal staat een witte gelei-achtige substantie, wijst dat op een recente uitstoting. Gelei-achtig betekent immers niet-uitgedroogd. Binnen een half uur zal zoiets uitgedroogd zijn, en daarbij maakt het niet uit of die druppel ook vocht uit de schede kan hebben bevat. Als er sperma in de schede is gebleven, kan dat vloeibaar gebleven zijn. Het is mogelijk dat al in de vagina aanwezig sperma in de laatste levensfase, door de verhoogde druk op de buik, naar buiten is geperst. Ik zou dan een hoeveelheid sperma niet op het been verwachten, maar meer in de nabijheid van de schede. Ik zie op één van de foto’s waar de druppel moet zijn aangetroffen. Sperma op die plek kan heel wel uit de vagina afkomstig zijn geweest. Het kan uit de vagina zijn gekomen door persen, of door latere penetratie. Als er één milliliter sperma zou zijn uitgeperst, lijkt dat te weinig voor een plek ter grootte van een gulden. (…) Dat er een gelei-achtige substantie is aangetroffen, wil niet zeggen dat de intravaginale coïtus recent heeft plaatsgehad. Het tijdstip van de coïtus zal moeten worden afgeleid uit de uitdrogingsfactor van het aangetroffen sperma en uit de beweeglijkheid van de zaadcellen. Ik neem aan dat men geen beweeglijke cellen heeft gezien. Ik acht het van belang dat daarop wordt gelet. Dat kan door middel van relatief eenvoudig microscopisch onderzoek worden vastgesteld. Dat het Gerechtelijk Laboratorium dat later niet meer heeft gedaan, begrijp ik wel. Dat zou zinloos zijn geweest. Er moet op de plek van het aantreffen van het slachtoffer worden bemonsterd (…) Buiten het lichaam blijft sperma minder dan 4 uur goed, binnen het lichaam ongeveer 4 uur. Bij een vrouw die nog geen kinderen gebaard heeft is de schede nauwer, en is de kans dat sperma buiten het lichaam terecht komt groter. Het in het lichaam komende sperma stolt eerst en lost dan weer op (…) Het vocht loopt dan regelmatig weg. Bij verschillende vrouwen verloopt dat proces verschillend. Sommige vrouwen kunnen het aanwezige vocht direct weg persen. (…) Het is theoretisch mogelijk dat de hoeveelheid sperma op het bovenbeen met de hand is aangebracht. Het is mogelijk dat een man heeft gemasturbeerd en daar sperma heeft achtergelaten. Als niets van sperma in de slip van het slachtoffer is aangetroffen, zegt dat niets. Het is mogelijk dat penetratie plaatsvindt, zonder dat achteraf sporen daarvan aantoonbaar zijn. Het is mogelijk dat iemand door twee personen wordt verkracht, zonder condoom, zonder dat zaadlozing plaatsvindt, en er geen sporen worden gevonden.” Nader gehoord verklaarde hij ter terechtzitting van 7 september 1995 vervolgens: “Ik heb kennis genomen van de inhoud van het aanvullend proces-verbaal van de technische recherche. Wat daarin verklaard wordt over de waarneming van de spermadruppel op het bovenbeen van het slachtoffer, brengt mij niet veel verder. De term gelei-achtige substantie duidt op het niet volledig ingedroogd zijn, maar is eigenlijk een interpretatie van een waarneming (…) Hoe dan ook, als gesproken wordt van een gelei-achtige substantie, kan dat wijzen op recente uitstoting, maar ik durf daaraan geen conclusie te verbinden. Het is mogelijk dat na de dood van het slachtoffer, bijvoorbeeld door verplaatsing of door druk op de buik, sperma uit de vagina is geperst. In dat geval ligt het echter meer voor de hand dat er een spoor wordt aangetroffen, en geen druppel. Het aanvullend proces-verbaal vermeldt dat bij de sectie door dr Visser op 10 januari het vloeibaar gedeelte werd bemonsterd. Het verbaast mij dat die substantie niet volledig was ingedroogd. Sperma droogt in als het aan de buitenlucht wordt blootgesteld. Ik meen me te herinneren van de mij getoonde foto dat de bedoelde plek op het bovenbeen niet is verborgen bij gesloten benen. Het zal echter toch wel zo zijn geweest dat die plek niet rechtstreeks aan de buitenlucht is blootgesteld, maar ik ben geen specialist op het gebied van indroging van sperma (…) Het is mogelijk dat een gemeenschap zonder zaadlozing geen sporen achterlaat op of in het lichaam van een vrouw. Het is dan ook mogelijk dat eerder aanwezig sperma door een dader als het ware naar buiten wordt getrokken, zonder dat van die dader verder nog sporen worden gevonden. Ik weet niet of het mogelijk is dat bijvoorbeeld door transport van het stoffelijk overschot een reeds ingedroogde spermadruppel weer is opengebarsten en vloeibaar geworden kan zijn. Als onderzocht zou moeten worden of de aangetroffen spermadruppel in het lichaam van het slachtoffer geweest is, kan het beste gezocht worden naar vaginaalepitheelcellen (…) Mijn theorie over het kunnen aantreffen van een spermadruppel in zo’n geval is de volgende. Er heeft een coïtus met zaadlozing plaatsgevonden; de man trekt zich terug; er komt nog enige uitvloed uit zijn penis, die terecht komt op de schaamlippen of op het bovenbeen; die hoeveelheid sperma zal daar blijven totdat die wordt weggewassen of -geveegd. Ik weet niet wanneer in casu die coïtus zal hebben plaatsgehad.” 42. De in het vooronderzoek en ter terechtzitting door prof. Eskes afgelegde verklaringen laten er geen enkele onduidelijkheid over bestaan dat deze deskundige reeds toen in zijn beschouwingen de gegevens betrok die hij nu, in zijn rapport van 14 september 2000, aanvoert ten betoge dat zijn eerdere verklaringen op een onvolledig inzicht in de feiten hebben berust. Nadrukkelijk heeft hij er destijds op gewezen dat de gelei-achtige toestand van de op het been van het slachtoffer aangetroffen stof wees op een recente deponering, aangezien sperma, zodra het in de buitenlucht komt, binnen het half uur zal uitdrogen, en dat naar zijn inzicht (zoals prof. Eskes het omschreef naar aanleiding van de door de rechter-commissaris gestelde vragen) “de lokatie van het extravaginale zaad […] premature ejaculatie ante portas [doet] veronderstellen”. Prof. Eskes heeft opgegeven dat desalniettemin niet uit te sluiten is dat het spermaspoor verband hield met een sexueel contact dat het slachtoffer heeft gehad op een tijdstip voorafgaande aan de tenlastegelegde feiten, omdat denkbaar is dat het sperma enige tijd in haar lichaam bewaard is gebleven, en in verband met die tenlastegelegde feiten weer haar lichaam heeft verlaten, hetzij door de afgedwongen penetratie, hetzij door uitwendig geweld, hetzij door spierbewegingen van het slachtoffer. In zijn brief aan de rechter-commissaris heeft prof. Eskes, met opgave van redenen, vermeld dat hierbij geen betekenis toekomt aan het ontbreken van spermasporen in de onderkleding van het slachtoffer. Hij herhaalde dat ter terechtzitting in hoger beroep. 43. Overigens toont de omstandigheid dat één der verbalisanten bij de sectie op het stoffelijk overschot, de dag nadat het slachtoffer was aangetroffen, waarnam dat ook toen nog de vlek alleen aan de randen leek te zijn ingedroogd, en dat de patholoog-anatoom een monster van het nog niet ingedroogde middelste deel ervan nam, aan dat het argument van de te verwachten snelle indroging van niet meer dan betrekkelijke waarde is. 44. Waar dr H.C. Lee er op wijst dat de afwezigheid van vaginale epitheelcellen in een spermaspoor een doorslaggevende aanwijzing oplevert dat het spoor niet uit het lichaam van het slachtoffer gekomen kan zijn, lijkt er sprake te zijn van een onjuist inzicht zijnerzijds in de onderzoeksresultaten. Ik breng in herinnering dat ir H.J.T. Janssen er in zijn aanvullend rapport van 18 september 1995 op wees dat hij ter terechtzitting van 7 september 1995 had opgegeven dat in de ‘vaginale fractie’ van het spermabevattend spoor wèl celmateriaal was aangetoond dat van het slachtoffer afkomstig kon zijn. Zijn op die terechtzitting afgelegde verklaring is in het daarvan opgemaakte proces-verbaal anders weergegeven: genoteerd is dat ir Janssen heeft gezegd dat het monster is gecentrifugeerd, dat de fractie met spermacellen is onderzocht, maar niet het residu waarin de van het slachtoffer afkomstige epitheelcellen moeten zijn achtergebleven. Wellicht zou men de opmerking in het rapport van 18 september 1995 aldus kunnen opvatten dat ter terechtzitting niet voldoende duidelijk is geworden dat ir Janssen bedoelde te zeggen dat er epitheelcellen in het residu zijn waargenomen die evenwel niet verder zijn onderzocht. Doch hoe dat ook zij, er is kennelijk niet vastgesteld - gelijk dr Lee tot uitgangspunt nam - dat er géén van het slachtoffer afkomstige epitheelcellen in het monster zijn gevonden. 45. In het licht van de feiten die prof. Eskes duidelijk zichtbaar heeft betrokken in zijn opgaven tijdens het vooronderzoek en ter terechtzitting in hoger beroep, meen ik dat zijn thans ingenomen standpunt dat zijn destijds gegeven toelichtingen op een onvolkomen inzicht in de feiten hebben berust niet houdbaar is, ook niet met het oog op de brief van dr Henry C. Lee (die ter terechtzitting in hoger beroep reeds ter sprake is geweest). Ook in dit opzicht doet zich naar mijn oordeel geen omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv voor. 46. In paragraaf II.3 van het verzoek wordt betoogd dat een 'novum' is gelegen in de bevindingen van de oud-commissaris van politie J.A. Blaauw. Die heeft zich uitvoerig met deze strafzaak bezigheden en daaromtrent gepubliceerd. Bij het verzoek is gevoegd (productie 7) een analyse van diens hand, gedateerd 4 september 2000. De uitkomst van die analyse is dat de waarde (overeenstemming met de werkelijkheid) van de uiteindelijk afgelegde bekentenissen en belastende verklaringen dubieus is, met name doordat daarin niets is onthuld omtrent essentiële aspecten van de feiten (directe aanleiding, wijze van uitvoering) die alleen de werkelijke daders bekend kunnen zijn, en ook doordat die verklaringen de intrigerende vraag onbeantwoord laten hoe het kan zijn dat de dader(
- s)de achterdeur afsloten en de sleutel terughingen op een plek (in een schuur) waar die thuishoorde; dat het opsporingsonderzoek door gebrek aan professionaliteit volkomen heeft gefaald (met name door het achterwege laten van een reconstructie), terwijl een door de heer Blaauw opgestelde tijdlijn laat zien dat de feiten niet begaan kunnen zijn zoals dat in de bekentenissen en belastende verklaringen besloten ligt. 47. Dat het opsporingsonderzoek niet feilloos is uitgevoerd, of in ieder geval de verslaglegging (met betrekking tot onderzoekshandelingen die zonder resultaat bleven) niet volledig is geweest, lijkt mij niet te betwisten. Daarop wijst ook reeds de omstandigheid dat het Hof zich genoodzaakt zag in zijn tussenuitspraak van 13 juli 1995, naast de hierboven reeds genoemde punten, aan te dringen op nader onderzoek naar de vraag of de door het slachtoffer gedragen kleding wellicht sporen droeg die er op zouden kunnen wijzen dat zij daarmee is verwurgd, en ook op nader onderzoek naar eventuele sporen op een mes dat op aanwijzingen van [getuige 2] meer dan vier maanden na de dood van het slachtoffer in een wegberm is gevonden. 48. Dat illustreert, dunkt mij, gelijk de zwakke plek van de nu opgeworpen stelling dat het zichtbaar maken van fouten in het opsporingsonderzoek een 'novum' oplevert dat tot herziening moet leiden. Terecht wordt er in het verzoek (onderdeel 7 van paragraaf II.3) op gewezen dat in eerdere beslissingen op herzieningsverzoeken de mogelijkheid is opengelaten dat een 'novum' is gelegen in een deskundigenbericht, maar alleen indien de deskundige zijn oordeel bereikt op grond van feiten, of omstandigheden van feitelijke aard, die niet bekend zijn geweest, dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest, aan de rechters die de uitspraak hebben gedaan (vgl. HR DD 95.165). Aan dat vereiste voldoet de hier gepresenteerde analyse van de oud-commissaris Blaauw naar mijn inzicht niet. Alle onzekerheden, curieuze omstandigheden en tegenstrijdigheden waarop hij wijst zijn reeds aan het Hof bekend geweest, of moeten worden geacht aan het Hof bekend te zijn geweest. Desalniettemin zal ik op de beschouwingen van de heer Blaauw, voor zover die niet samenvallen met andere onderdelen van het herzieningsverzoek, ingaan. Voor zover het verzoek in dit onderdeel berust op de gedachte dat, ofschoon de door de heer Blaauw gereleveerde feiten reeds aan het Hof kenbaar waren, diens bevindingen als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2o Sv moeten worden aangemerkt omdat de resultaten van het opsporingsonderzoek niet eerder op deze wijze, met gebruikmaking van aan de heer Blaauw toe te kennen deskundigheid ten aanzien van recherchezaken, werden becommentarieerd, verwijs ik naar hetgeen hieronder naar aanleiding van paragraaf II.5 van het herzieningsverzoek zal worden opgemerkt. 49. Hetgeen wordt opmerkt over de waarde van de bekentenissen en belastende verklaringen in verband met de wijze waarop de verhoren zijn afgenomen (onderdeel 3 van de analyse) leent zich voor bespreking in verband met gelijke bezwaren tegen de wijze waarop de verklaringen zijn verkregen die worden gepresenteerd in paragraaf II.5 van het verzoek. Hetgeen in de analyse wordt opgemerkt omtrent het DNA-profiel (verkregen uit het op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen spermaspoor; onderdeel 4 van de analyse) komt ten dele overeen met hetgeen in paragraaf II.1 van het verzoek is opgemerkt, en bevat voorts opmerkingen van gelijke strekking als voorkomen in paragraaf II.4 van het verzoek. Ook bedenkingen die in het vierde onderdeel van de analyse worden gemaakt tegen de gang van zaken met betrekking tot een bij het slachtoffer aangetroffen melktandje vallen samen met in paragraaf II.4 van het verzoek betrokken standpunten. Dienaangaande zij verwezen naar hetgeen in deze conclusie naar aanleiding van die andere onderdelen van het verzoek is of nog zal worden opgemerkt. 50. De vaststelling (onderdeel 1 van de analyse) dat in de bekentenissen van de aanvragers "geen enkel op feiten aantoonbaar juist antwoord is gegeven op de acht cruciale opsporingsvragen" (de precieze gang van zaken bij de feiten; aanleiding en voorafgaande bekendheid met het slachtoffer; wijze van om het leven brengen en wat er met het moordwapen is gedaan; gedeeltelijk toedekken van het lichaam van het slachtoffer; achterlaten - op de juiste plaats - van de achterdeursleutel) komt mij voor niet juist te zijn. Over de meeste van die omstandigheden is wel degelijk verklaard. Men kan opmerken dat de verklaringen opvallend vaag zijn over bepaalde details (gedeeltelijk toedekken van het slachtoffer; geen duidelijke verklaringen over het steekwapen), en er is de ongerijmdheid met betrekking tot de achterdeursleutel (waaromtrent hieronder nader), maar naar mijn inzicht kan niet gezegd worden dat de juistheid van die verklaringen op geen enkele wijze aan de hand van vastgestelde feiten te verifiëren valt. 51. Onjuist acht ik ook de stelling dat de verklaringen over de wijze waarop het contact met het slachtoffer is gelegd en de daders het huis zijn binnengekomen op ‘pure fantasie’ moeten berusten omdat nooit vastgesteld is kunnen worden dat één of meer van de betrokkenen het slachtoffer reeds (van vroeger) kenden. In het vooronderzoek is verklaard dat de aanvrager [aanvrager 2], nog in de auto, toen zij het slachtoffer zagen fietsen, opmerkte ooit 'met haar te hebben gelopen', verkering met haar te hebben gehad of iets dergelijks. Dat kan een onjuiste opmerking zijn geweest, of een overdreven beschrijving van een vroeger contact, maar waarom het ontbreken van een bevestiging van eerdere contacten met het slachtoffer de afgelegde verklaringen, voor zover die inhouden dat de aanvragers door het slachtoffer het huis zijn binnengelaten, tot 'pure fantasie' zou moeten maken zie ik niet in. Dat geldt temeer omdat de feiten zich hebben afgespeeld in een tamelijk kleine gemeente, zodat niet bij voorbaat onaannemelijk kan worden geacht dat het slachtoffer de aanvragers ten minste van gezicht kende. Ik wijs er op dat uit één van de verklaringen van [getuige 2] (dossierkenmerk C-52) volgt dat de aanvrager [aanvrager 1], toen de vier mannen in de Mercedes het slachtoffer zagen fietsen, op een vraag van [getuige 2] wist te melden dat zij stewardess was. 52. Met name op grond van de verklaringen van de aanvankelijk als verdachten aangemerkte [getuige 2] en [getuige 1] is in de analyse een tijdlijn opgesteld, die tot de slotsom moet voeren dat hun voor de aanvragers belastende verklaringen niet juist kunnen zijn (onderdeel 2 van de analyse). Met de opmerking van de heer Blaauw dat een reconstructie op de plaats van het delict, naar aanleiding van de afgelegde verklaringen, aangewezen zou zijn geweest ben ik het eens. Juist in een onderzoek als het onderhavige, waarin ook aanwijzingen worden gevonden die op de betrokkenheid van anderen kunnen wijzen, wisselende verklaringen worden afgelegd en het aanwijsbaar gebruikte steekwapen niet is teruggevonden, zou een reconstructie van grote waarde zijn geweest. De verhoren waarin uiteindelijk de bekennende en belastende verklaringen werden afgelegd zijn eerst geruime tijd na het begaan van de feiten afgenomen, en het ging om een groot aantal verklaringen. Als men de omstandigheden voor het houden van een reconstructie ongunstig heeft geacht valt daar wellicht enig begrip voor op te brengen. Dat neemt niet weg dat het achterwege laten ervan tot gevolg heeft dat een bruikbaar hulpmiddel om de afgelegde verklaringen reeds in het vooronderzoek op hun betrouwbaarheid te onderzoeken onbenut is gebleven. 53. De tijdlijn die in de analyse is opgenomen zou men als een achteraf op papier uitgevoerde reconstructie kunnen beschouwen. Er zou uit volgen dat [getuige 2] (benieuwd waar zijn vrienden waren gebleven) minimaal 27 minuten nadat de aanvragers uit de auto waren gestapt bij het bewuste huis is aangekomen, terwijl het 'drama' zich, uitgaande van de aannames die aan de tijdlijn ten grondslag liggen, toen reeds 12 minuten eerder volledig moet hebben voltrokken. Er zou ook uit volgen dat er, op het moment waarop ook [getuige 1] bij het huis was aangekomen en [getuige 2] en [getuige 1] voor het raam stonden, 34 minuten waren verstreken sinds de aanvragers het huis waren binnengegaan, terwijl uit hun verklaringen volgt dat zij vervolgens (voor het raam) nog eens 10 tot 15 minuten hebben staan kijken naar de verkrachting en de levensberoving, die zij vrijwel volledig hebben zien begaan. 54. Geplaatst binnen dit tijdsverloop zijn de verklaringen inderdaad ongerijmd te noemen. Dit tijdsverloop, waarop de analyse is opgebouwd, is evenwel niet zeker. Het berust op veronderstellingen. Zo is onzeker hoeveel tijd er is verstreken tussen het moment waarop de aanvragers de auto verlieten en de aanvang van de bewezenverklaarde feiten. Naar het inzicht van de heer Blaauw ligt in de bekentenissen van de aanvragers besloten dat dezen binnen 2 tot 3 minuten na het verlaten van de auto de plaats van het delict (het huis) zijn binnengegaan, terwijl direct daarop de handtastelijkheden zijn begonnen. Zoals de verklaringen luiden valt dat er niet zonder meer in terug te vinden. Er zij op gewezen dat de aanvrager [aanvrager 1] heeft verklaard dat [aanvrager 2] eerst enige tijd met het slachtoffer heeft staan praten vóór het huis, en vervolgens ook nog achter de woning (vgl. het proces-verbaal betreffende het verhoor dat is afgenomen op 25 april vanaf 19.40 uur, en voortgezet op 26 april 1994, dossierkenmerk A-60). Over hetgeen is gebeurd toen de aanvragers door het slachtoffer in de woning waren binnengelaten heeft [aanvrager 1] in verschillende zin verklaard. In de zo-even aangehaalde verklaring is te vinden dat zij door de keuken en een hal in de woonkamer terechtkwamen, alwaar [aanvrager 1] plaatsnam, het slachtoffer vroeg of de aanvragers iets wilden drinken, en op dat moment ‘het gekloot begon’. In een latere verklaring (verhoor van 10 mei 1994, dossierkenmerk A-63) heet het dat men niet verder dan in de gang van de woning kwam alvorens de aanvrager [aanvrager 2] het slachtoffer vastgreep. Hoeveel tijd er is verstreken tussen het verlaten van de auto en de aanvang van de gewelddadigheden is niet zeker. Dat uit de afgelegde verklaringen min of meer dwingend voortvloeit dat dit niet meer dan twee of drie minuten geweest kunnen zijn kan ik echter niet volgen. Met inbegrip van het aanspreken van het latere slachtoffer vóór en achter de woning kan daarmee ook langere tijd gemoeid zijn geweest. Dat ontneemt naar mijn inzicht het concludente karakter aan de vaststelling dat ‘het drama’ zich reeds geheel voltrokken moet hebben toen [getuige 2] voor het raam van de woning verscheen. 55. Ik kom dan weer terug bij de (wettelijke) beperking dat het herzieningsverzoek slechts toewijsbaar kan zijn voor zover aannemelijk wordt dat zich één of meer omstandigheden hebben voorgedaan die bij het onderzoek ter terechtzitting niet (kunnen) zijn gebleken, maar die - kort gezegd - ernstige twijfel oproepen of de bewezenverklaring wel bereikt zou zijn indien de rechter (het Hof) daarvan op de hoogte was geweest. Hetgeen in paragraaf II.3 van het verzoek onder verwijzing naar de bij het verzoek gevoegde productie 7 wordt gesteld voldoet naar mijn mening niet aan die eis. Ik kan de opsteller van het verzoek niet volgen in de stelling dat in deze productie 7 mede op grond van gegevens die het Hof niet bekend zijn geweest aannemelijk is gemaakt dat de bekennende verklaringen van de aanvragers geen enkel aantoonbaar juist gegeven betreffende de toedracht van de feiten bevatten, en evenmin in de stelling dat die productie een klemmende aanwijzing geeft (ook weer: op grond van gegevens waarvan het Hof onkundig was) dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] omtrent hetgeen zij hebben zien gebeuren niet juist kunnen zijn en niet op eigen, authentieke waarneming kunnen berusten. Anders gezegd: met alle respect voor de, uit een rijke ervaring met recherchewerk voortkomende, deskundigheid van de heer Blaauw kan ik in zijn analyse geen feitelijke elementen onderkennen die het Hof niet in zijn oordeelsvorming betrokken kan hebben. 56. Dat geldt ook voor de kwestie van het al dan niet op slot geweest zijn van de achterdeur van de woning waarin het slachtoffer werd aangetroffen. De aanvrager [aanvrager 1] heeft verklaard dat hij, nadat hij zich bij [aanvrager 2] had gevoegd die het slachtoffer tot achter de woning was gevolgd en daar met haar in gesprek was, en het slachtoffer hen had uitgenodigd iets te komen drinken, waarnam dat zij de deur opende zonder een sleutel te gebruiken (verklaring van 25 april 1994, dossierkenmerk A-60). Ook heeft hij verklaard na de verkrachting en gewelddadigheden als eerste de woning (door de achterdeur) te hebben verlaten (verklaring van 10 mei 1994, dossierkenmerk A-63). De aanvrager [aanvrager 2] heeft eerst opgegeven alleen te kunnen beschrijven dat hij uiteindelijk weer bij de auto terechtkwam (verklaring van 22 februari 1994, dossierkenmerk B-23), en vervolgens verklaard dat hij degene was die als eerste de woning uitrende (verklaringen van 7 maart 1994, dossierkenmerk B-30, en van 22 en 23 maart 1994, dossierkenmerk B-33). De bewoonster van het huis (grootmoeder van het slachtoffer) heeft verklaard dat zij op de bewuste dag, omstreeks 16.00 uur haar woning heeft verlaten door de achterdeur, die zij op slot deed, en bij thuiskomst, na 17.30 uur, die achterdeur op slot vond (hetgeen haar bevreemde omdat zij de fiets van haar kleindochter achter haar woning zag staan), terwijl de politie op haar aanwijzing reservesleutels van voor- en achterdeur in een schuur aantrof, precies op de plaats waar die behoorden te hangen (respectievelijk proces-verbaal van horen van de grootmoeder van het slachtoffer, bijlage 2.2, en proces-verbaal van aantreffen van het slachtoffer, bijlage 1.0). Uit diezelfde verklaring van de grootmoeder van het slachtoffer lijkt opgemaakt te moeten worden dat naast die reservesleutels in de schuur en de sleutels die zijzelf gebruikte, slechts haar zoon nog sleutels van de woning had, en dat alleen zijzelf, haar twee kinderen en hun echtelieden en haar drie kleinkinderen (waaronder het slachtoffer) op de hoogte waren van de reservesleutels in de schuur. Voorts heeft de grootmoeder verklaard dat zij de voordeur van haar woning, alvorens die te verlaten, niet alleen met de sleutel maar ook door middel van een schuif had afgesloten, en die voordeur pas weer heeft ontsloten nadat zij de politie had gebeld. Uit de lijst van inbeslaggenomen ‘stukken van overtuiging’ (gevoegd bij het proces-verbaal van technisch onderzoek, kenmerk B.P.S. nr 93-524610) lijkt te moeten worden afgeleid dat de politie bij het slachtoffer weliswaar een sleutelbos aantrof, maar geen sleutels van deze woning (voorwerp 203/a). 57. Deze gegevens zijn niet met elkaar te verenigen, tenzij (zo men er niet van uit wil gaan dat een onbekende persoon die wist van de reservesleutels de woning waarin het slachtoffer - reeds - lag heeft afgesloten) wordt aangenomen dat ofwel de grootmoeder zich heeft vergist ten aanzien van het afgesloten zijn van de achterdeur van haar woning, ofwel de achterdeur door het slachtoffer is ontsloten (met behulp van de reservesleutel uit de schuur of met nog weer een ander exemplaar dat niet aan haar sleutelbos zat) en de verklaringen van de aanvragers op dit punt niet volledig zijn. De beide mogelijkheden zijn moeilijk voorstelbaar, maar niet uit te sluiten. Naar aanleiding van het onderhavige verzoek staat evenwel alleen de vraag ter beantwoording of gegevens naar voren worden gebracht (en voldoende aannemelijk zijn gemaakt) die bij het onderzoek ter terechtzitting niet bekend waren. Het antwoord op die vraag is ontkennend: hoe intrigerend en onbevredigend de kwestie rond de achterdeur ook blijft, Rechtbank en Hof konden deze schijnbaar onverenigbare gegevens volledig in het dossier terugvinden. Niet gezegd kan worden dat die gegevens nu worden aangevuld met een geheel nieuwe feitelijkheid. 58. In productie 7 bij het verzoek onder 5 worden voorts opmerkingen gemaakt met betrekking tot een bij het slachtoffer aangetroffen Frans muntstukje, terwijl ook het aantreffen van haren in de hals en op de kleding van het slachtoffer weer wordt aangeroerd. Met betrekking tot het muntstukje wordt gesignaleerd dat in de verhoren van de aanvrager [aanvrager 1] mede ter sprake is gekomen dat ook in zijn woning Franse munten zijn aangetroffen. Datzelfde geldt voor het in paragraaf II.4 van het verzoek ter sprake gebrachte melktandje; ook bij [aanvrager 1] thuis werden melktandjes aangetroffen. Er wordt op gewezen dat uit de stukken niet valt af te leiden op welk moment en om welke reden de opsporingsambtenaren het bij het slachtoffer aangetroffen melktandje niet langer hebben beschouwd als ‘daderspoor’, waarmee kennelijk wordt gedoeld op een spoor dat zeker moet zijn achtergelaten door degene die de feiten heeft gepleegd. Datzelfde wordt opgemerkt met betrekking tot het op de plaats van het delict aangetroffen Franse muntstukje. Daar wordt terecht op gewezen. Ook hieromtrent moet echter weer worden vastgesteld dat dit ‘open einden’, dat wil zeggen: op basis van overig materiaal niet verklaarbare feitelijkheden, zijn die zich ten tijde van de behandeling ter terechtzitting op precies dezelfde wijze aan de rechter voordeden als thans het geval is. Dit geldt ook voor de in de hals en op de kleding van het slachtoffer aangetroffen haren. Ook dat gegeven was het Hof reeds bekend. Ik verwijs naar hetgeen hiervoor is opgemerkt naar aanleiding van het gestelde in paragraaf II.2 van het verzoek. 59. Aan het vereiste dat een deskundigenbericht, om in een herzieningsprocedure als een 'novum' te worden aangemerkt, moet berusten op gegevens waarvan niet kan worden aangenomen dat zij de rechter bekend zijn geweest voldoet de analyse van de heer Blaauw, waarop paragraaf II.3 van het verzoek steunt, naar mijn inzicht niet. De kritische beschouwing van alle ongerijmdheden die het vooronderzoek heeft opgeleverd in deze analyse is niet gebaseerd op feitelijke gegevens waarover het Hof niet reeds de beschikking had. 60. Dat wordt niet anders doordat ook in de analyse van de heer Blaauw wordt gewezen op de rapporten van dr P. de Knijff van 13 april 2000 en van 15 september 2000, omdat die rapporten slechts meer zekerheid geven ten aanzien van hetgeen het Hof reeds op grond van eerdere rapporten voor een mogelijkheid kon houden, namelijk dat het spermaspoor en haren (haardelen) - die zeker niet door de aanvragers (of door een andere, destijds als verdachte aangemerkte, persoon) achtergelaten waren - van dezelfde, onbekende persoon afkomstig zijn. Zulke gegevens zijn evenmin te vinden in de verwijzing naar de aan de heer Blaauw gerichte brief van het College van Procureurs-Generaal van 17 juni 1999 en de beantwoording van kamervragen door de minister van Justitie op 5 november 1999. Ik verwijs naar hetgeen daaromtrent in het navolgende wordt opgemerkt. 61. In paragraaf II.4 van het verzoek wordt gewezen op twee brieven van het College van Procureurs-Generaal. In een brief gedateerd 15 februari 2000, gericht aan een vorige raadsman van de aanvrager (productie 8 bij het verzoek), is melding gemaakt van door de politie, geruime tijd na het onherroepelijk worden van de veroordeling, verkregen informatie omtrent een melktandje dat is aangetroffen op de plaats waar het slachtoffer werd gevonden. Die informatie hield in dat het slachtoffer het melktandje, afkomstig van een vroegere vriend, bij zich droeg. Ook die vroegere vriend heeft ten tijde van het vooronderzoek DNA-materiaal afgestaan, en onderzoek wees uit dat de aangetroffen spermasporen niet van hem afkomstig waren. Deze mededeling van het College van Procureurs-Generaal wordt in verband gebracht met de omstandigheid dat de politie het aangetroffen melktandje aanvankelijk beschouwde als een spoor dat naar de dader kon leiden - ook in de woning van de aanvrager [aanvrager 1] werden melktandjes in beslag genomen - en als ik het goed begrijp wordt nu betoogd dat deze mededeling uitwijst dat dit spoor ten onrechte is gevolgd, en zodoende een achteraf ondeugdelijk blijkende aanleiding voor het verhoren van de aanvragers en anderen is geweest. 62. Terzijde wijs ik er op dat uit de stukken van het vooronderzoek, met name een relaas dat is opgenomen in een proces-verbaal met kenmerk 940516-1200, opgemaakt door Rosman, Bosch en Jansen en afgesloten op 16 mei 1994 (‘stam-proces-verbaal’) kan worden opgemaakt dat de politie niet naar aanleiding van het gevonden melktandje, maar naar aanleiding van een buurtonderzoek bij de verdachten, waaronder de aanvragers, is uitgekomen. Door een aantal passanten is verklaard dat zij in de buurt van het huis waarin het slachtoffer werd aangetroffen een oud model Mercedes-personenauto hebben zien rijden. Het was politiemensen bekend dat [getuige 2] in zo’n auto reed, en daarmee dagelijks honden uitliet in de nabijheid van de bewuste woning. Een cruciaal onderdeel van de nasporingen die van het lichaam van het slachtoffer naar de uiteindelijk als verdachte aangemerkte personen voerde kan het melktandje niet worden genoemd. 63. Doch nog afgezien daarvan kan de omstandigheid dat eerst na het wijzen van het veroordelend arrest bekend is geworden hoe dat melktandje bij het lichaam van het slachtoffer verklaard kan worden, niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv. In het licht van hetgeen in feitelijke aanleg ter sprake is geweest, en in het bijzonder van hetgeen tot bewijs is gebezigd, valt niet in te zien waarom het Hof aan de herkomst van het melktandje, indien het daarmee bekend was geweest, zodanig gewicht zou hebben toegekend dat een bewezenverklaring mogelijk niet zou zijn bereikt. 64. Voorts wordt in deze paragraaf gewezen op een brief van het College van Procureurs-Generaal gedateerd 17 juni 1999, gericht aan de heer J.A. Blaauw (productie 9 bij het verzoek). Daarin is opgemerkt dat het DNA-profiel van het op het slachtoffer aangetroffen spermaspoor is opgenomen in de DNA-databank. Dat, zoals wordt betoogd, in deze mededeling de erkenning besloten ligt dat het spermaspoor naar het inzicht van het openbaar ministerie naar een dader zou kunnen voeren lijkt mij onmiskenbaar juist. Niet juist daarentegen lijkt mij de stelling dat deze erkenning in het jegens de aanvrager gevoerde strafproces ‘niet eerder werd tentoongesteld’. Uit de stukken blijkt zeer duidelijk dat in het vooronderzoek is gezocht naar een antwoord op de vraag welke betekenis aan dit spermaspoor moet worden toegekend. Dat is in het vorenstaande uitvoerig aan de orde geweest. 65. Overigens bespeur ik in de aanvrage (p. 16, eerste volle alinea) een denkfout. Daar wordt uit het opnemen van het DNA-profiel in de databank naar aanleiding van de moord op een mevrouw Thomson, begaan op 9 september 1994, afgeleid dat justitie de relatie tussen dat misdrijf en de in de onderhavige zaak berechte feiten reeds heeft gelegd toen het onderzoek naar de verkrachting van, en moord op, mevrouw Thomson een aanvang nam, derhalve toen de aanvrager reeds een half jaar in voorarrest zat maar royaal vóórdat het Hof tot een einduitspraak kwam. Die conclusie kan niet getrokken worden. Vastgesteld kan alleen worden dat het openbaar ministerie in 1997 heeft besloten het DNA-profiel in de databank te laten onderbrengen. Overigens bevindt zich bij het - inmiddels zeer omvangrijke - dossier ook een bundel bescheiden die klaarblijkelijk is tot stand gekomen in verband met een (afgewezen) verzoek aan de civiele rechter een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Daarbij bevindt zich de brief van de officier van justitie waarbij het Gerechtelijk Laboratorium is verzocht het DNA-profiel op te nemen in de centrale registratie van DNA-profielen. Die brief is gedateerd 21 februari 1997. Op basis van hetgeen thans bekend is kan dus niet worden volgehouden, gelijk in de aanvrage wordt gesuggereerd, dat het openbaar ministerie het Hof onkundig heeft gehouden van de omstandigheid dat reeds in 1994 een verband werd gelegd tussen het op het lichaam van het slachtoffer [het slachtoffer] aangetroffen spermaspoor en de gewelddadige dood van een andere vrouw op 9 september 1994. 66. Dat neemt niet weg dat het door het openbaar ministerie gedane verzoek het DNA-profiel in de databank op te nemen in verband met de vondst van het lichaam van de andere vrouw - dat dit de aanleiding was voor het opnemen van het profiel in de databank wordt bevestigd door de antwoorden die de minister van Justitie op kamervragen gaf, onderdeel van productie 11 bij de aanvrage - noodzakelijkerwijs moet hebben berust op de gedachte dat het op het lichaam van het slachtoffer [het slachtoffer] aangetroffen spermaspoor afkomstig kan zijn geweest van een persoon, niet zijnde één der aanvragers, die betrokken is geweest bij het verkrachten en om het leven brengen van de andere vrouw, een half jaar later. Daarmee is nog niet gezegd dat het openbaar ministerie (omstreeks februari 1997, toen werd besloten het DNA-profiel in de databank op te nemen) ervan uit is gegaan dat het slachtoffer [het slachtoffer] door een nog onbekende persoon, en niet door de aanvragers, is verkracht en vermoord. Dit nader (vergelijkend) onderzoek aan de hand van het uit het spermaspoor gedistilleerde DNA-profiel kan ook aldus worden uitgelegd dat het openbaar ministerie, in het oog houdend dat het merkwaardig blijft dat op het lichaam van het slachtoffer een spermaspoor van een andere, tot dusverre onbekende, persoon is aangetroffen, en ook dat na de aanvang van het eindonderzoek met grote heftigheid door en namens de aanvragers is betwist dat zij het bewezenverklaarde hebben begaan, geen gelegenheid onbenut heeft willen laten om zo mogelijk meer duidelijkheid te krijgen over de omstandigheden die ten tijde van hun berechting niet met zekerheid verklaard konden worden. 67. In ieder geval staat vast dat het opnemen van het DNA-spoor in de databank geen resultaat heeft afgeworpen in het onderzoek naar de in september 1994 gepleegde verkrachting en doding van de andere vrouw. Dat is te vinden in het antwoord van de minister van Justitie op de kamervragen. Uit de brief van het College van Procureurs-Generaal aan de heer Blauw de dato 17 juni 1999 valt af te leiden dat het opnemen van het DNA-profiel in de databank ook overigens geen aanwijzingen heeft opgeleverd ten aanzien van de identiteit van degene van wie het spermaspoor afkomstig is geweest. Reeds daarom kan naar mijn inzicht de omstandigheid dat het openbaar ministerie in 1997 ertoe overging het aan het spermaspoor ontleende DNA-profiel in de databank op te nemen niet een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv opleveren. 68. Daarenboven moet zowel ten aanzien van het achterhalen van de herkomst van het melktandje als ten aanzien van het opnemen van het DNA-profiel in de databank worden vastgesteld dat dit omstandigheden zijn die zich hebben voorgedaan nadat het onderzoek ter terechtzitting reeds was gesloten. Ook daarom kunnen de geschriften waarin van het een en van het ander melding is gemaakt niet het verzoek ondersteunen. Een novum kan immers alleen gelegen zijn in een omstandigheid die zich reeds voordeed voorafgaande aan het wijzen van de uitspraak waaromtrent herziening wordt gevraagd. Alleen dan kan gezegd worden dat de rechter met die omstandigheid geen rekening heeft kunnen houden als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv (HR DD 85.455, HR DD 89.057 [ook gepubliceerd in NJ 1989, 248] en G.A.M. Strijards, Revisie; inbreuken en executiegeschillen betreffende het strafgewijsde, Arnhem 1989, p. 33 en 151). 69. In paragraaf II.5 wordt gesteld dat zich nieuwe omstandigheden voordoen met betrekking tot (de waarde van) de bekentenissen en belastende verklaringen. Daartoe wordt gewezen op de reeds meermalen genoemde analyse van de heer Blaauw (productie 7 bij het verzoek) en op een rapport, gedateerd 4 oktober 2000, van de hand van prof. dr P.J. van Koppen dat (als productie 13) is gevoegd bij de aanvulling op het herzieningsverzoek, bij de Hoge Raad binnengekomen op 6 oktober 2000. 70. In grote lijnen komen de bevindingen van de heer Blaauw en die van prof. Van Koppen op hetzelfde neer: tijdens de vele verhoren zijn de verdachten (op dat moment ook nog [getuige 2] en [getuige 1]) op suggestieve wijze (soms onjuiste) gegevens voorgehouden. De heer Blaauw wijst erop dat de bekennende verklaringen met betrekking tot de plaats van het delict weliswaar details bevatten, doch van zó oppervlakkige aard dat daaraan geen waarde kan worden gehecht, waarbij wordt opgemerkt dat bepaalde gegevens zelfs geraden kunnen zijn omdat er zaken worden beschreven die in iedere woning wel zullen voorkomen. Zowel de heer Blaauw als prof. Van Koppen wijzen erop dat in het verloop van de verklaringen niet een logische lijn (van aanvankelijke ontkenning naar - volledige - bekentenis) te ontwaren is, maar dat de verklaringen heen en weer blijven schieten, zowel wat de geschetste scenario's (feitelijkheden) betreft als ten aanzien van bekenning, ontkenning of beschuldiging van anderen. Het verslag van prof. Van Koppen bevat een algemene schets van fouten of technieken bij het horen van personen die een niet met de waarheid overeenstemmende bekentenis kunnen opleveren. Daarbij wordt er op gewezen dat kan worden onderscheiden (afgezien van de vrijwillig afgelegde valse bekentenissen) tussen gedwongen valse bekentenissen en ingebeelde valse bekentenissen. Dat exposé wordt gevolgd door een analyse van de afgelegde verklaringen tegen de achtergrond van die onderscheidene 'verleidingstechnieken'. Daarin wordt er ook nadrukkelijk op gewezen dat uit de verklaringen blijkt dat de verhoorde personen (met uitzondering van [getuige 1]) regelmatig te kennen gaven dat zij hun eigen geheugen niet vertrouwden. 71. In het voorgaande werd al opgemerkt dat de wijze van verhoren van de destijds als verdachte aangemerkte personen en, in verband daarmee, de waarde van de afgelegde bekentenissen, reeds bij de behandeling in feitelijke aanleg aan de orde is geweest. Ik breng in herinnering dat het Hof dienaangaande [getuige 1] en [getuige 2], alsmede bij de verhoren betrokken opsporingsambtenaren ter zitting heeft gehoord. Het verweer dat de bekennende en belastende verklaringen niet geacht kunnen worden in vrijheid te zijn afgelegd en onbetrouwbaar zijn is in de einduitspraak nadrukkelijk verworpen. De heer Blaauw en prof. Van Koppen hebben in hun beschouwingen betreffende het opnemen van de verklaringen geen ander feitenmateriaal betrokken dan de inhoud van die verklaringen (de heer Blaauw brengt die ook in verband met overige gegevens uit het dossier). 72. Daarom moet het herzieningsverzoek in dit onderdeel berusten op de gedachte dat het ‘novum’ te vinden is in de bijzondere deskundigheid waarmee prof. Van Koppen en de heer Blaauw de processen-verbaal van verhoor hebben onderzocht. Ik heb de indruk dat ook paragraaf II.3 van het verzoek (in verband met de bevindingen van de heer Blaauw aangaande de kwaliteit van het opsporingsonderzoek in het algemeen) op die gedachte berust. 73. In verband daarmee breng ik wederom het uitgangspunt onder de aandacht: een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2o Sv kan slechts gelegen zijn in een feitelijk gegeven dat zich reeds voorafgaand aan het wijzen van de uitspraak heeft voorgedaan, maar dat niet aan de rechter bekend kon zijn (vgl. HR DD 85.455 en HR DD 89.057, hierboven reeds genoemd). Dat brengt mee dat in herziening niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op een deskundigenbericht, indien het deskundig oordeel is gebaseerd op feitelijke gegevens die ten tijde van de berechting reeds bekend waren of geacht moeten worden toen bekend te zijn geweest (HR DD 1995, 165, hierboven ook reeds aangehaald). 74. Naar aanleiding van de onderdelen II.3 en II.5 van dit herzieningsverzoek kan de vraag rijzen of het wenselijk is, en binnen de mogelijkheden van de Hoge Raad ligt, onder de in art. 457 lid 1 onder 2o Sv bedoelde omstandigheden mede te begrijpen de uitkomst van deskundig onderzoek waarbij reeds aan de rechter bekende, of bekend te achten, feiten zijn geanalyseerd of gewaardeerd in een vorm, gedragen door bepaalde wetenschappelijke of technische inzichten, waarin de rechter er geen kennis van heeft kunnen nemen, mits uiteraard dat nadien bereikte deskundig oordeel niet verenigbaar schijnt met de einduitspraak. 75. Terughoudendheid bij het overwegen van een dergelijke uitbreiding van het begrip ‘novum’ zal geboden zijn. Het buitengewoon rechtsmiddel der herziening neemt in het strafproces een bijzondere positie in, daar het een inbreuk vormt op het gezag van gewijsde. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever zich heeft laten leiden door de gedachte dat die inbreuk zo beperkt mogelijk moet blijven. Weliswaar is, naar mijn inzicht terecht, opgemerkt dat het ‘gezag van gewijsde’ steeds als een hoog rechtsgoed is voorgesteld, zonder dat met enige nauwkeurigheid onder woorden is gebracht wat de zwaarwegende redenen zijn om dat gezag van gewijsde in zo vergaande mate te ontzien (Strijards, a.w., p. 107 e.v.), dat neemt niet weg dat de strikte grenzen die de wetgever aan het buitengewoon rechtsmiddel heeft willen stellen naar mijn inzicht moeten meebrengen dat een extensieve uitleg van de tweede revisiegrond spoedig de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten zou gaan. 76. Inmiddels is in een enkel geval reeds een nuancering aangebracht op het uitgangspunt dat een novum alleen gevonden kan worden in een omstandigheid die zich reeds had verwezenlijkt vóórdat de uitspraak werd gedaan, maar waar de rechter niet van kon weten. Er zijn er enkele genoemd in G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafproces